woensdag 13 november 2002

Tom Jones - Mr. Jones

Er was eens een knappe wetenschapper, die op een afgelegen onbewoond eiland fossielen van dinosaurussen vond. Met behulp van geavanceerde DNA-techniek kon hij de oerwezens weer tot leven wekken. Zo krijgen de carrières van Cher en Tom Jones om de zoveel tijd weer een nieuwe opleving. Het is fantastisch, maar eigenlijk alleen voor de (bankrekeningen van de) betrokkenen. Voor de rest van de wereld is deze zielige vertoning vooral een bron van ergernis, medelijden of leedvermaak.
In het geval van Tom Jones vonden zijn managers dat het weer de hoogste tijd was voor de zoveelste verjongingskuur. En zo werd de voormalige bouwvakker weer eens met elektroschokken gereanimeerd en in een studio gedropt met een jonge producer die momenteel hot is: Wyclef Jean.
De chemie tussen deze twee genieën was ongekend. Tom Jones was er zo lyrisch over dat hij spontaan in hiphop-slang begon te praten. Schijnbaar was de magie van hun werkrelatie zo fenomenaal dat deze niet op een geluidsdrager te vatten was; Mr. Jones is namelijk een wanproduct van de bovenste plank.
Wyclef weet weer eens zijn toebedeelde status van meesterproducer geheel niet waar te maken, en levert Jones een basis van goedkope, weke elektronische beats met kitscherige synthaccenten. De demo van een driestuiver Casio-keyboard levert beter werk af.
Intussen is het evident dat Jones verdwaald, ja zelfs gedesoriënteerd is. Hij weet nog net het ritme bij te houden, maar zingt houterig en vlak. Jones probeert er maar het beste van te maken, en omdat hij zich in het gezelschap van Afro-Amerikanen bevindt, gooit hij er maar wat Ebonics doorheen.
Mr. Jones bereikt een hilarisch dieptepunt op de cover van Leadbelly's klassieker Black Betty. Jones zingt als een speelgoedrobot waarvan de batterijen op beginnen te raken. De luisteraar weet niet meer of hij moet lachen of huilen.
Mr. Jones is een volstrekt overbodig product van een wanhopige artiest, die niet meer weet waar hij mee bezig is. Deze man moet tegen zichzelf in bescherming genomen worden.

Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.

donderdag 29 augustus 2002

Southern African Wildlife College

Zuid-Afrika bezit een rijke natuur en het land is daar ook trots op. Maar de natuur wordt bedreigd door milieuvervuiling en de jacht. Om dat in te dammen zijn goed opgeleide natuurparkbeheerders nodig. In Zuid Afrika, tussen Hoedspruit en Klaserie en nabij het Kruger Nationaal Park, zetelt het Southern African Wildlife College, een instituut waar rangers worden bijgeschoold tot 'protected area managers'.

Verslaggever Peter Schong woont voor Planet Internet de VN top in Johannesburg bij. Natuurbeheer is een belangrijk thema. Het Wereld Natuur Fonds toont met het Southern African Wildlife College hoe Zuid-Afrika daaraan werkt.

Een betere plaats om als ranger de praktijk te leren lijkt er niet te zijn. Na bij Nelspruit de snelweg te hebben verlaten rijd je vervolgens ruim honderd kilometer door typisch Zuid-Afrikaanse plattelandsdorpen, waar de mensen in kleine betonnen huisjes wonen en kinderen en koeien over de weg lopen. Na Klaserie sla je opeens rechtsaf, en rijdt dan tien kilometer door een dor savannegebied. Tussen de poort en het Wildlife College wordt de bezoeker op een minisafari getrakteerd. Zebra's en impala's die rustig op de grindweg rondscharrelden, rennen verschrikt voor de auto uit. Uitstappen is streng verboden, het is goed mogelijk dat er in het gele gras een leeuw op de loer ligt.Het terrein van het Wildlife College is dan ook omheind met een elektrisch hek. Maar dat houdt niet alle gevaarlijke dieren buiten; slangen en schorpioenen komen nog door de mazen binnen. Egyptische cobra's, zwarte mamba's, rotspythons boomagama's en pofadders zijn al diverse keren op de campus aangetroffen. Het is dus uitkijken waar je loopt en je moet altijd je schoenen uitschudden voordat je ze aantrekt.

Behoud van natuurerfenis
In 1993 kwam de Southern African Nature Foundation (SANF) op het idee om een wildlife college te stichten, om Zuid-Afrikanen op te leiden om hun erfenis van de natuur te managen. Het Wereld Natuur Fonds schonk een deel van het Kempiana landgoed om het Wildlife College op te bouwen. De Duitse regering financierde de eerste fase van de bouw. Ook Nederland droeg zijn steentje bij. Het WNF staat het Wildlife College gedurende vijftien jaar financieel bij door de oprichting van het South Africa Conservation Education Trust. Maar op termijn moet de school zelf rond kunnen komen. In 1995 en 1996 werd de school gebouwd, en in 1997 gingen de eerste cursussen van start.

Het Wildlife College ziet scholing als sleutel tot de rehabilitatie en het behoud van de natuurgebieden. De leerlingen worden opgeleid tot 'protected area managers', die het natuurtoerisme in goede banen moeten leiden, en tegelijk natuurgebieden moeten beschermen. Behalve in de nodige kennis over de natuur, worden de studenten ook in managementtaken onderwezen, zoals bijvoorbeeld het beheer van financiën en personeelszaken.

Carrièrekansen voor rangers
De opleiding is bestemd voor bestaande rangers die al in dienst zijn van natuurbehoudorganisaties. De studenten komen behalve uit Zuid-Afrika, ook uit landen als Mozambique, Zambia en Namibië. Dit jaar volgen bijna vijftig studenten een opleiding. Het Wildlife College is bedoeld als aanvulling op de praktijkervaring die de rangers al hebben. Bovendien moet de opleiding hun carrièkansen vergroten. Veel rangers maken na het volgen van een cursus aan het Wildlife College promotie en stromen door naar leidinggevende functies.

Het Wildlife College biedt twee langere opleidingen, de certificate en de diploma course, die elk een jaar duren. De certificate course is vooral inleidend van aard, de diploma course is voor gevorderden en bevat ook een managementelement. De cursussen van het College zijn praktijkgericht, en zijn ontwikkeld in samenwerking met natuurbehoudgroepen, alsmede universiteiten. Momenteel wordt gewerkt aan in lijn krijgen van de opleidingen met de Zuid-Afrikaanse onderwijsstandaard. Het Wildlife College beschikt niet over een vaste lerarenstaf, maar werkt met deskundige gastsprekers uit de praktijk, die voor de diverse modules worden ingehuurd. Het College biedt behalve de eenjarige opleidingen ook korte, op maat gesneden cursussen.

Erop uit
Het is maandagmorgen en enkele studenten in de diplomaklas moeten presentaties geven over de milieuproblemen in hun land. Vervolgens worden de bedreigingen in een bredere context geplaatst. Het milieu in Afrika wordt namelijk niet alleen bedreigd door bijvoorbeeld de industrie, de oorzaken hebben een groter verband. Het hangt samen met sociale problemen als werkloosheid, armoede en zelfs ziekten als AIDS.

Verder leren de studenten hoe ze als ranger in een natuurpark het publiek attent kunnen maken op het belang van milieubescherming. De studenten moeten hun doelgroepen identificeren, en de boodschap daarop afstemmen. Zo leren de studenten bijvoorbeeld dat schoolkinderen die een natuurpark bezoeken, het beste iets leren door middel van een activiteit. Om een goed idee te krijgen van hoe natuurparken hun publiek informeren, zal de volgende dag een bezoek aan het nabij gelegen Kruger Nationaal Park gebracht worden.

De volgende morgen vroeg, om half 8, verlaat de bus met de diplomaklas de campus op weg naar het Krugerpark. Bij de poort stappen de studenten uit om rond te kijken naar de informering van het publiek. Zo bestuderen de studenten een toerbus met luidsprekers, een uithangbord met de diverse excursies, en beschrijvingen van de dieren in het park.

Het was eigenlijk een eenvoudige opdracht. De studenten maakten enkele notities en amper tien minuten later zitten ze weer in de bus om de rest van de dag op safari te gaan. De snikhete bus voert de studenten door het dorre savannegebied, vol adembenemende ontmoetingen met de dieren.

Twee olifanten lopen op de weg voor de langzaam naderende bus uit. Ze voelen zich opgejaagd en wijken af het veld naast de weg op. Daar zetten ze hun tocht voort, af en toe wat bladeren van de bomen trekkend met hun slurf. Elders loopt een kudde olifanten over een drooggevallen rivierbedding, op zoek naar water. In de verte is te zien hoe een kudde olifanten over een helling richting een rivier loopt. De bus snelt naar de plek op de weg waar de kudde naar verwachting zal oversteken. De dieren hadden de bus echter al opgemerkt en hebben hun route verlegd. Later op de dag steekt een hele kudde olifanten de weg over vlak achter de bus. Ze hebben een jonkie met een gebroken achterpoot bij zich. De moeder briest naar de bus om deze op afstand te houden.

De volgende dag vindt er een excursie plaats naar Blyde River Canyon, een schitterend natuurpark bestaande uit imposante, kleurrijke rotspartijen die een groot stuwmeer omringen. De ranger vertelt de studenten hoe hij zijn publiek informeert over het belang van natuurbehoud. Niet door middel van dia- en filmvoorstellingen en lezingen, maar met activiteiten als rafting en abseilen. Vandaag gaat de diplomaklas echter niet raften, hoewel dat wel tijdens een eerdere excursie is gedaan. Met een schitterend uitzicht op het vredige meer, dat echter wel wordt bevolkt door nijlpaarden en krokodillen, brainstormen de groepjes over hun ranglijst van doelgroepen. De lunch wordt genuttigd bij een paradijselijke waterval, waarna de studenten hun doelgroepgerichte presentaties oefenen voor een beoordeling door hun klasgenoten.

Het Southern African Wildlife College lijkt een droomopleiding, als je allemaal oogstrelende landschappen mag bezoeken. Maar het is ook hard werken. Voor de examens zijn geen herkansingen mogelijk, onvoldoendes moeten met andere onderdelen gecompenseerd worden. De studenten zijn dan ook uiterst gemotiveerd, daaraan kunnen hun zuipende en studiefinancieringverzwelgende Nederlandse collega's nog een voorbeeld nemen. Maar bovenal heeft de natuur deze goed opgeleide en breed onderlegde rangers hard nodig.


Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl

maandag 1 juli 2002

Meshell Ndegeocello is vrij als een vogel

De commerciële zon heeft nooit zo op Meshell Ndegeocello geschenen. Slechts de happy few konden het complexe en eigenzinnige werk van de bassiste en vocaliste waarderen. De artistieke en kritische zon bescheen haar echter wel fel. Ndegeocello bouwde een indrukwekkend sessie-CV op en door haar vroege experimenten met funk, jazz, soul en hiphop wordt ze gezien als een pionier van de Nu Soul en voorloper van artiesten als Erykah Badu en D’Angelo.

Ndegeocello (Swahili voor ‘vrij als een vogel’) ziet zichzelf echter niet als pionier. “We proberen allemaal te zijn als Curtis Mayfield, Chaka Khan of Roberta Flack. Er is niets nieuws onder de zon. Dat staat ook in de Bijbel”, zegt Ndegeocello bescheiden door de telefoon. Deze no-nonsense-houding klinkt ook door in Ndegeocello’s muziek. Ze laat zich door niemand iets wijsmaken, getuige haar scherpe observaties in haar teksten. Maar ook qua muzikale strategie volgt ze haar eigen weg.

Na eind jaren tachtig meegedraaid te hebben in de go-go scene van Washington D.C., waar Ndegeocello speelde met prominente bands als Little Bennie & The Masters en Rare Essence, tekende ze begin jaren negentig bij Madonna’s Maverick-label. Naar eigen zeggen vanwege de creatieve vrijheid die het label haar bood. In 1993 verscheen Ndegeocello’s debuutalbum Plantation Lullabies, een grensverleggende plaat waarin Ndegeocello funk, soul jazz en een dosis hiphop vermengde. Het album werd goed ontvangen en werd zelfs voor vier Grammy Awards genomineerd. Maar de verkoopcijfers waren matig, evenals die van de opvolgers Peace Beyond Passion (1996) en Bitter (1999).

Maar waar het grote publiek het liet afweten, kon Ndegeocello zich wel verheugen op lof van critici en collega-muzikanten. In 1995 werd ze met de Orville H. Gibson Guitar Award beloond als beste bassist, en verscheen ze als eerste vrouwelijke bassiste op de cover van het tijdschrift Bass Player. Daarnaast werd Ndegeocello een veelgevraagd sessiemuzikante, en speelde ze baspartijen in voor een indrukwekkende keur aan artiesten. Inmiddels mag ze Prince, Alanis Morissette, Mick Jagger, Madonna, de Black Rock Coalition en Lenny Kravitz op haar curriculum vitae vermelden.

Desondanks is Ndegeocello allerminst zelfvoldaan over haar prestaties, en voelt zich dan ook niet miskend. “Als ik naar erkenning zocht zou ik depressief worden. Ik wil genoeg krijgen om mijn muziek te kunnen blijven spelen. En of ik genoeg erkenning krijg is niet aan mij om te beoordelen. Zo narcistisch ben ik niet. Op sommige dagen denk ik: ‘moet ik ermee stoppen?’ Vandaag denk ik dat ik moet stoppen en een kunstopleiding gaan volgen. En sommige dagen voel ik me goed, en dan besef ik dat ik alles heb wat mijn hartje begeert, namelijk dat ik gewoon mijn muziek kan spelen.”

Haar sessiewerk ziet Ndegeocello vooral als leerzame ervaringen. “Het is alleen iets waarvan ik de rekeningen betaal”, grapt ze. “Nee, ik vind het heerlijk. Je kunt rondhangen met grote muzikanten, dat is een geschenk. En ik leer er veel van.”

Maar erkenning van het grote publiek is vooralsnog uitgebleven. Waarom dat is, ‘moet je maar aan de popcultuur vragen’. “Ik zie er niet uit als Janet Jackson, ik zing geen makkelijk in het gehoor liggende popliedjes.” Niet dat het Ndegeocello een worst zal wezen. “Het is jammer dat het publiek zo dom is. Toen ik opgroeide luisterde ik naar van alles; Miles Davis, Pat Metheny, Jaco Pastorius, Joni Mitchell. Tegenwoordig moet je onnozel en onwetend zijn en twee akkoorden spelen zodat iedereen kan begrijpen wat je doet. En dat ga ik gewoon niet doen.”

Ndegeocello vindt dat muziek de laatste decennia conservatiever is geworden. “Absoluut. Maar ik probeer de mensen uit te zoeken die nog steeds muziek willen horen.” In de jaren zeventig leek ook het publiek in zijn muzieksmaak stukken progressiever, gezien bijvoorbeeld het commerciële succes dat iemand als David Bowie met behoorlijk complexe en donkere muziek genoot. Maar Ndegeocello gelooft niet dat het publiek conservatiever is geworden. “Mensen als Dave Matthews en veel andere acts doen het heel goed, en er zijn nog veel mensen op de wereld die muziek willen horen.”

Ndegeocello maakt zich geen zorgen dat deze groep kleiner wordt. “Er is gewoon een groep die nog moet ontdekken dat er ook nog iets anders is”, zegt ze, verwijzend naar het MTV-publiek.

“De industrie market muziek voor een kleine demografische groep, alleen jonge mensen van 14 tot 21 jaar oud. Daarom luisteren veel mensen buiten die leeftijdsgroep naar oudere muziek. Maar als de platenmaatschappijen de mensen voor vol gaan aanzien en niet alleen voor tussen de 14 en 21, dan zou de wereld er anders uitzien. En de kunst lijdt eronder. Ik bedoel, die mensen die naar muziek luisteren zijn er wel, ze kijken alleen geen tv. Ik kijk geen tv. Ik lees, ik zoek andere dingen, ik ga op zoek naar mijn eigen informatie. Ik zoek naar denkende mensen, geen geprogrammeerde mensen.”

“Mensen maken tegenwoordig alleen nog maar platen om het geld. Noem bijvoorbeeld de laatste klassieke plaat die je hebt gehoord. Die je een jaar geleden hebt gekocht en waar je nog steeds naar luistert en die je altijd op kan zetten. Iets wat vorig jaar uitkwam en klassiek was? Luister naar wat je zegt, je luistert naar oudere muziek. Wat heb je nou recentelijk gekocht dat je echt aanspreekt? Dat anders is, niet klinkt als wat dan ook?”

Maar over naar Ndegeocello’s gloednieuwe album, Cookie: The Anthropological Mixtape, wederom een complex, gesofisticeerd hoogstandje waarin hiphop, go-go, funk, soul, spoken word, jazz en rock samen worden gesmolten. Maar in tegenstelling tot veel van haar crossover-collega’s, omzeilt Ndegeocello moeiteloos de valkuilen die het fuseren van genres met zich meebrengt. Nergens plakt ze gemakzuchtig clichés aan elkaar.

Cookie klinkt alsof Ndegeocello ‘There’s a Riot Goin’ On’ van Sly & The Family Stone door een tijdmachine heeft gehaald en een technologische behandeling heeft gegeven. De sound is geavanceerd, intricate en uiterst gelaagd. De muziek is tot in detail uitgewerkt. Zo zitten er minutieuze veranderingen in de ritmiek die pas bij een secure beluistering van de muzikale opbouw opvallen. Ondanks de complexiteit en rijkdom klinkt Cookie opmerkelijk rauw en ruimtelijk.

Cookie is een briljant album dat ontegenzeggelijk een van de beste van het jaar is. Ndegeocello komt dicht in de buurt van muzikale perfectie die sinds ‘Gaucho’ van Steely Dan zelden aan de dag is gelegd. Het risico van perfectie is dat de muziek glad, klinisch en dus gevoelloos wordt, maar evenals Walter Becker en Donald Fagen weet Ndegeocello zich hiervoor te behoeden. Dat bewijst de hand van een ware meesteres.

Wel vraagt de titel om nadere uitleg. “Het album zou eerst Cookie Goldberg heten. Het is net als dat nummer van Stevie Wonder, “He’s Misstra Know-It-All”. Dat gaat over een gozer die een sell-out is, hij doet alles voor geld. Cookie is daarvan de moderne versie. The Anthropological Mixtape gaat over antropologie en sociologie. Ik praat over dit tijdperk. Ik wilde dat het mixtape werd die de geest van onze tijd omschreef. En de mixtape slaat ook op hoe ik aan mijn muziek kwam toen ik jong was.”

En ook hier komt Ndegeocello’s skepsis over de popmuziek om de hoek kijken. “De radio draaide alleen de top 100. En er was altijd underground-muziek die je nog niet had gehoord, en wel superfunky was, maar niet op de radio gedraaid werd. En ik wilde ook zo’n plaat maken. Ik word weinig op de radio gedraaid, maar veel mensen verspreiden mijn muziek via mixtapes.”

Ndegeocello deinst er niet voor terug haar muziek te voorzien van scherpe politieke stellingnames. Zo levert ze op het openingsnummer van Cookie, “Dead Nigga Blvd.”, kritiek op haar zwarte medemens: “So tell me are you free?/ While we campaign for every Dead Nigga Blvd./ So young motherfuckers can drive down it in your fancy cars/ Free/ You try to hold on to some Africa of the past/ One must remember it’s other Africans that helped enslave your ass.” Ook krijgt de manier waarop zwarten worden afgeschilderd in hiphop-videoclips ervan langs: “You sell your soul like you sell a piece of ass/ Slave to the dead white leaders on paper and welfare cases/ Rapists and hoes/ All reinforced your tv show/ Exotic and beautiful videos.” Ndegeocello ziet muziek dan ook als een medium. “Kijk naar Bob Dylan, Richie Havens, Jimi Hendrix, Stevie Wonder, Bob Marley. En ik wil praten over de geest van mijn tijd. Waar ik doorheen ga.”

En daar komt meteen ook Ndegeocello’s frustratie over de muziekindustrie om de hoek kijken. “Het is voor mij moeilijk om te slagen in een business waarin je moet zingen over een bepaald iets, er op een bepaalde manier moet uitzien, om in de doelgroep te passen. Mijn plaat plaatst vraagtekens bij al deze generalisaties, want het zijn tenslotte maar generalisaties. Toen ik Bitter maakte, moest ik van een blanke horen dat ik geen zwarte muziek maakte. En ik heb dan zoiets van: ik luister naar allerlei soorten muziek, jazz, punk, van alles. Het is triest dat omdat ik zwart ben, ik ook maar één soort muziek mag maken.”

Niettemin heeft Cookie een funkier, meer op hiphop georienteerd geluid dan zijn voorganger. “Ik heb Cookie zeker funkier gemaakt, want ik had zoiets van: OK, ik kan een funkplaat maken en nog steeds hetzelfde zeggen, het blijft nog steeds interssant. Ik hou van funk, maar ik wilde iets maken dat anders was, funky maar anders.”

Het mag inmiddels duidelijk zijn dat Ndegeocello leeft voor (haar muziek). Met groot enthousiasme vertelt ze over haar idolen, muzikanten als Miles Davis (“ik wil mijn ‘Big Fun’ maken”) en Prince (“hij is de killin’est gitarist, fuck Eric Clapton”). “Dat kun je nog steeds opzetten en een ervaring hebben. Zo probeer ik het te maken, dat je iets nieuws hoort. Dat qua structuur anders is. Daarom probeer ik een publiek te vinden waarvoor ik kan spelen. Al speel ik voor maar 500 mensen, als ik mijn muziek maar kan spelen. Als ik een miljoen platen verkocht zou ik doodgaan. Ik wil niet als Britney Spears zijn.”

Het is deze houding ten opzichte van haar vak en kunst die Ndegeocello niet vastketent aan enige verplichting. Ze hoeft zich door niemand te laten vertellen hoe haar muziek moet klinken, waar haar teksten over moeten gaan, of hoe ze eruit moet zien. Ndegeocello doet haar naam eer aan: ze is vrij als een vogel.

Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.

woensdag 12 juni 2002

Meshell Ndegéocello - Cookie: The Anthropological Mixtape

Voor de aanzienlijke invloed die haar muziek heeft, is Meshell Ndegéocello (Swahili voor 'vrij als een vogel') een relatief onbekende naam. Haar sound heeft de weg gebaand voor bekendere artiesten als Erykah Badu, D'Angelo, Jill Scott en Bilal. Begin jaren '90 greep Ndegéocello al terug naar de zwarte muziek uit de zeventiger jaren, en gaf deze een actuele facelift.Haar muzikale activiteiten gaan terug naar de jaren '80, toen Ndegéocello rondhing in de toen bloeiende go-go scene in Washington D.C. Ze speelde met prominente bands uit het genre als Little Bennie and the Masters en Rare Essence.Ndegéocello is een gevierd bassist, en won in 1996 de Best Bass Player Award bij de Orville H. Gibson Guitar Awards. Derhalve speelde Ndegéocello bij niet de minste personen; Prince, Mick Jagger, Madonna, Lenny Kravitz, om over Lenny White, The Black Rock Coalition en Alanis Morisette nog maar niet te zwijgen. Ndegéocello tekende een contract bij Maverick, naar eigen zeggen vanwege de creatieve en artistieke vrijheid die het label haar bood.En daar maakt Ndegéocello gretig gebruik van. Haar albums (Plantation Lullabies uit 1993, Peace Beyond Passion uit 1996 en Bitter uit 1999) werden steevast goed ontvangen door de critici.
Bij het beluisteren van 'Cookie: The Anthropological Mixtape' is al gauw duidelijk waarom. Ndegéocello's muziek is veelzijdig, sophisticated, intelligent en eigenzinnig. Moeiteloos smelt ze hiphop, go-go, funk, soul, spoken word, jazz en rock samen. Ndegéocello omzeilt moeiteloos de valkuilen die het fuseren van genres met zich meebrengt. Nergens plakt ze gemakzuchtig clichés aan elkaar.
'Cookie' klinkt alsof Ndegéocello 'There's a Riot Going On' van Sly & The Family Stone door een tijdmachine heeft gehaald en een technologische behandeling heeft gegeven. De sound is geavanceerd, intricate en uiterst gelaagd. De muziek is tot in detail uitgewerkt. Zo zitten er minutieuze veranderingen in de ritmiek die pas bij een secure beluistering van de muzikale opbouw opvallen. Ondanks de complexiteit en rijkdom klinkt Cookie opmerkelijk rauw en ruimtelijk.
Maar ook op het tekstuele vlak toont Ndegéocello zich een intelligent artiest met scherpe sociale commentaren in de traditie van Gil Scott-Heron (wier stem Ndegéocello op het album overigens ook samplet). Zo bekritiseert ze op het tweedelige 'Dead Nigga Blvd.' De futiliteit van het vernoemen van straten naar overleden zwarte activisten, terwijl de leefomstandigheden van veel Afro-Amerikanen niet verbeterd worden. Ook het onderwerp liefde wordt door Ndegéocello behandeld. Op 'Barry Farms' zingt Ndegéocello over een lesbische relatie tussen twee tienermeisjes. Een van hen is echter bang dat het uit komt, en beëindigt de relatie. De ander voelt zich gebruikt. Nimmer wordt Ndegéocello sentimenteel, maar blijft ijzig en cynisch.
'Cookie' is een briljant album dat ontegenzeggelijk een van de beste van het jaar is. Ndegéocello komt dicht in de buurt van muzikale perfectie die sinds 'Gaucho' van Steely Dan zelden aan de dag is gelegd. Het risico van perfectie is dat de muziek glad, klinisch en dus gevoelloos wordt, maar evenals Walter Becker en Donald Fagen weet Ndegéocello zich hiervoor te behoeden. Dat bewijst de hand van een ware meesteres.

Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl

vrijdag 24 mei 2002