donderdag 15 december 2005

Outkast: Progressief én succesvol

Toen OutKast in 1993 debuteerde, was het duo hooguit een interessante novelty act. Wie had toen gedacht dat in een genre waarin carrières doorgaans kort duren, het hiphop-duo uit Atlanta zou uitgroeien tot een van de commercieel én artistiek succesvolste hiphopgroepen ooit?


Tri-Cities High School in East Point, Atlanta, is de plaats waar André “Dre” Benjamin en Antwan “Big Boi” Patton elkaar eind jaren tachtig ontmoeten. Ze battlen elkaar regelmatig en besluiten uiteindelijk een duo te vormen onder de noemer 2 Shades Deep. De naam wordt echter al gauw veranderd in OutKast. Indertijd was New York het epicentrum van de hiphop en kon alleen Los Angeles aanspraak maken op de troon. Rappers uit het Zuiden werden amper serieus genomen.

Southernplayalisticadillacmuzik
Dre en Big Boi zijn amper meerderjarig en van de middelbare school af als ze in 1992 een contract tekenen bij het LaFace label van L.A. Reid en Kenneth “Babyface” Edmonds. OutKasts eerste blootstelling aan de buitenwereld is een couplet op een remix van Ain’t 2 Proud 2 Beg van R&B-trio TLC. In 1993 debuteert OutKast met de single Player’s Ball, dat meteen een hit wordt en zelfs de eerste plaats in de Billboard rap chart haalt.



In 1994 volgt het album Southernplayalisticadillacmuzik, dat sterk geënt is op G-funk, de relaxte, op de P-funk van George Clinton geïnspireerde hiphop van Dr. Dre en die op dat moment de heersende sound van de populaire hiphop is. OutKast voegt er live-instrumentatie en een zuidelijk, bluesy geluid aan toe. Inhoudelijk zijn Dre en Big Boi gepreoccupeerd met de typische liefhebberijen van adolescente mannen: mooie auto’s, vrouwen, zuipen en blowen. Hoewel ze de kanttekening maken dat feestvieren nooit voor de belangrijke zaken in het leven mag komen. Southernplayalisticadillacmuzik, geproduceerd door het lokale producersteam Organized Noize, is een sterk album dat platina gaat en OutKast in 1995 ook een prijs oplevert voor beste nieuwkomer van het gerenommeerde hiphoptijdschrift The Source. OutKast maakt een opvallende entree, maar sterke debuten en korte carrières zijn intrinsiek aan hiphop en bieden geen garantie voor de toekomst.



ATLiens
OutKast zet een flinke stap vooruit met ATLiens, dat in 1996 verschijnt. Dre en Big Boi zijn volwassener geworden. Dre heeft bijvoorbeeld een ascetische levensstijl aangenomen en is vegetariër geworden, en hij toont zich ook in zijn teksten een serieuzer, geconcentreerder persoon. “No drugs or alcohol/So I can get the signal clear” Dergelijke bekeringen zijn meestal funest voor een artiest, maar het legt OutKast geen windeieren. ATLiens is eigenzinniger, experimenteler en breder, maar tegelijk strakker en minimalistischer dan zijn voorganger. Dre en Big Boi's raps worden complexer en tongbrekender. Dre heeft een fascinatie voor het buitenaardse en tijdreizen ontwikkeld en begint zich steeds extravaganter te kleden, wat sommigen doen twijfelen aan geestelijke gezondheid – hij zou door drugs de weg kwijt zijn – en zijn seksuele geaardheid. “Iedereen wil een ‘thug’ (gangster) zijn. Mensen durven niet origineel te zijn”, klaagde Dre in 1998 in een interview met The Source.

Naast de muziek begint Dre ook professioneel te schilderen en hij krijgt een relatie met nu soul zangeres Erykah Badu, met wie hij een zoon, Seven, krijgt. ATLiens is een nieuw commercieel succes voor OutKast; van het album gaan 1,5 miljoen exemplaren over de toonbank en gaat twee keer platina. De eerste door OutKast zelf geproduceerde single Elevators (Me and You) wordt de eerste top 20 hit van de groep. Voor veel fans van het eerste uur was ATLiens te ver van hun bed, maar OutKast krijgt wel erkenning in aan de oost- en de westkust, waar doorgaans op rappers uit het Zuiden wordt neergekeken.



Aquemini
Als in 1998 het derde album Aquemini uitkomt, is duidelijk dat OutKast een van de belangrijkste hiphopgroepen is. Was ATLiens al een stap vooruit, Aquemini was een heuse Grote Sprong Voorwaarts. De productie is grotendeels in handen van Dre en Big Boi zelf en de invloed van Organized Noize heeft plaatsgenomen op de achterbank. Aquemini is organischer en muzikaler dan ATLiens. Dre en Big Boi hebben hun spervuurraps verder ontwikkeld tot een duizelingwekkende snelheid en strakheid. Critici en fans bejubelen Aquemini om zijn vooruitstrevendheid. Aquemini is wellicht een van de beste hiphopalbums aller tijden. The Source kent Aquemini 5 mics toe, een eervolle beoordeling waarmee het blad zeer zuinig is. Spin Magazine plaatst Aquemini op nummer 35 in de lijst van negentig belangrijkste platen van de jaren negentig. De plaat wordt twee keer platina.



Rosa Parks
Maar niet iedereen is even tevreden. Burgerrechtenactiviste Rosa Parks, die in oktober van dit jaar overleed, klaagt OutKast aan omdat haar naam zonder haar toestemming is gebruikt voor de naar haar vernoemde single, die overigens inhoudelijk niet over Parks gaat. OutKast spreken tegen dat ze Parks te schande wilden maken en wijzen op haar grote betekenis voor de zwarte gemeenschap. Diverse rechters wijzen Parks’ klacht af, maar in 2003 bepaalt het Hooggerechtshof dat de zaak voortgezet mag worden. Een jaar later trekt de familie van Parks haar handen van de rechtszaak af, omdat ze vrezen dat de vertegenwoordigers van Parks de rechtszaak voeren uit eigen financieel gewin en niet namens de demente Parks zelf. In april 2005 wordt de zaak geschikt en stemt OutKast ermee in om een tribute aan Parks op te nemen.


Stankonia
Het artistieke succes van Stankonia wordt doorgetrokken op Stankonia, dat in het najaar van 2000 verschijnt. Opnieuw bewijst OutKast een van de progressiefste hiphopgroepen te zijn. De bluesy, zuidelijke ‘down home’ sound is enigszins verlaten voor een strakker, elektronischer doch funky geluid (“Stankonia, the place from which all funky things come”). Aquemini was misschien OutKasts meesterwerk, maar Stankonia staat minstens op gelijke hoogte. Stankonia overstijgt zijn voorgangers qua succes, omdat de hit Ms. Jackson hun internationale doorbraak is en ook So Fresh, So Clean wordt een hit. Vier keer platina is uiteindelijk de opbrengst. Ms. Jackson is waarschijnlijk bedoeld voor de moeder van Erykah Badu, omdat Dre – die inmiddels zijn naam in Andre 3000 heeft veranderd – de relatie met de zangeres heeft afgebroken. Dre ontkent overigens dat het nummer specifiek over de breuk gaat. In juni 2001 doet OutKast Nederland aan en treedt op Pinkpop op. Stankonia levert OutKast 2 Grammy awards op, voor beste album en beste single (Ms. Jackson).



Ook de compilatie Big Boi and Dre Present...OutKast die eind 2001 verschijnt, bezorgt OutKast een Grammy, voor het nummer The Whole World, één van de drie extra tracks die voor de compilatie zijn opgenomen. Op de hielen van Stankonia volgt bovendien Even in Darkness van de Dungeon Family, een supergroep van OutKast en bevriende artiesten als Goodie Mob. Het is een prima album, maar haalt het niet bij het OutKast-materiaal. Onder de noemer Earthtone III produceren OutKast en Mr. DJ artiesten op hun eigen Aquemini-label (tegenwoordig Purple Ribbon Ent.). Verder richten Dre en Big Boi in 2001 de OutKast Clothing Company op.



Speakerboxxx/The Love Below
Daarnaast beginnen Big Boi en Dre afzonderlijk albums op te nemen. Dat voedt het gerucht dat het duo op het punt staat hun gescheiden wegen te gaan. Dre en Big Boi spreken dat tegen; OutKast is per definitie de som van twee autonome entiteiten. Dat was ook de betekenis van de titel Aquemini, een amalgama van hun sterrenbeelden Waterman en Tweelingen: “Ik blow, hij niet. Ik ga naar stripclubs, hij niet meer”, zei Big Boi in The Source. “Het is individualisme en daar draait het om in OutKast.”



De twee soloalbums worden dan ook gebundeld uitgebracht in september 2003: Speakerboxxx/The Love Below. Big Boi’s Speakerboxxx is in wezen een voortzetting van het oude OutKast-werk, maar de muziek is wel harder en meer ‘street’. Maar Speakerboxxx is allerminst een stagnatie; het is een stap verder gaan door een stap terug te doen.

Dre’s The Love Below is het tegenovergestelde. Hij laat hiphop zo goed als los en het album is een eclectisch project waarin hij funkt als Prince en Rick James en croont als Frank Sinatra. Het knappe is bovendien dat The Love Below nooit hoogdravend wordt. De recensenten komen superlatieven tekort. Vooral The Love Below wordt de hemel in geprezen, waardoor Speakerboxxx onterecht overschaduwd wordt.


Speakerboxxx/The Love Below is verreweg OutKasts grootste succes. De dubbelaar debuteert op nummer 1 in de Billboard album top 200. Er worden 5 miljoen exemplaren verkocht, maar omdat Speakerboxxx/The Love Below als aparte albums worden gerekend zijn de officiële verkoopcijfers 10 miljoen, wat het dubbelalbum de diamanten status oplevert. De singles Move van Speakerboxxx en Hey Ya! van The Love Below worden beide hits, de laatste scoort vooral in Nederland. Wesley Clark, presidentskandidaat voor de Democraten, verwijst zelfs in een campagnefilmpje naar OutKast in een poging de jeugd voor zich te winnen. In 2004 krijgt OutKast opnieuw een Grammy toegekend voor het beste album. Bij de uitreiking treedt OutKast op met George Clinton. De show komt hen op een klacht van het Native American Cultural Center te staan, omdat tijdens het optreden van Dre dansers met verentooien om een teepee dansen. De zender CBS, die de show uitzond, biedt zijn excuses aan.



Idlewild
OutKast waagt zich nu aan een film. Idlewild gaat op 6 januari in première. De soundtrack wordt begin december uitgebracht. Opnieuw verrast OutKast het publiek. Op The Love Below was het hiphopgehalte al fors gereduceerd, op Idlewild zou OutKast rap als geheel hebben verlaten. De film speelt zich af in de Deep South tijdens de economische crisis van de jaren dertig. André 3000 speelt een muzikant en Big Boi als boef. “Omdat het zich in de jaren dertig afspeelt, wilden we geen synthesizers gebruiken”, zei Big Boi tegen het Amerikaanse muziekblad Rolling Stone. Big Boi omschrijft de eerste single Idlewild Blues als een ‘juke-joint jam’ en André 3000 zou klinken als Cab Calloway.
Ook staat nog een nieuw album in de steigers, The Hard Ten, dat voor eind 2006 gepland staat. Ook zou Big Boi aan een nieuwe soloplaat werken, waarvoor al 14 nummers af zijn.

Ruim een decennium na hun debuut is OutKast een van de succesvolste en progressiefste (hiphop)-groepen. Dre en Big Boi hebben het zeldzame vermogen zich te blijven ontwikkelen en vernieuwen, en bezitten bovendien het unieke talent om hun experimenteerdrift te verkopen aan een groot publiek. Hun grootste bijdrage is echter dat ze definitief hebben duidelijk gemaakt dat hiphop wel degelijk volwaardige muziek is en veel meer heeft te bieden dan seks, geweld en gevloek. Laat OutKast de sleutel zijn tot een schatkist vol juwelen.

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

donderdag 1 december 2005

Bush trippelt op zijn tenen uit Irak

Ronkende retoriek weer van Bush. In zijn toespraak van woensdagavond weigerde de Amerikaanse president zich te committeren aan een tijdschema voor de terugtrekking uit Irak. Maar achter de schermen wordt wel degelijk gewerkt aan een exit-strategie.

Bij elke uitspraak van een politicus dient men zich af te vragen of er electorale belangen meespelen. Bij Bush is dat zeker het geval, al zal het Witte Huis dat natuurlijk niet toegeven. De bodem onder zijn populariteit is weggeslagen door de uitzichtloze situatie in Irak, de allesbehalve vlekkeloze reactie op de orkaan Katrina en de alsmaar stijgende brandstofprijzen. Over een jaar staan de verkiezingen voor het Congres voor de deur, en het ziet er momenteel ongunstig uit voor de Republikeinen.

Achterdeur
De 35 pagina’s tellende ‘Nationale strategie voor overwinning in Irak’ moet de kritiek doen verstommen dat president Bush geen Irak-plan heeft. De druk op Bush om de 155.000 Amerikaanse manschappen uit Irak terug te trekken groeit. Maar ‘war president’ Bush heeft zichzelf altijd geprofileerd als een sterke leider die zich niet uit het veld laat slaan of zich laat leiden door opiniepeilingen, en volhardt in zijn standpunt dat zijn leger op volle kracht in Irak blijft tot de klus geklaard is. Of in zijn eigen bewoordingen: hij neemt niet genoegen met minder dan de ‘totale overwinning’.

Geen ‘cut and run’ dus, maar intussen broedt het Witte Huis wel op een plan om op hun tenen uit Irak te sluipen via de achterdeur. Minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice zei recentelijk dat ‘Amerikaanse strijdkrachten in deze aantallen niet veel langer moeten blijven’.

Van groot belang daarbij is het verloop van de Iraakse parlementsverkiezingen op 15 december. Als die succesvol zijn en de soennieten meedoen, kan er een begin gemaakt worden met een geleidelijke troepenreductie.

Doofpot
Voor het Witte Huis is het van cruciaal belang dat de Republikeinen hun meerderheid behouden in de Senaat en het Huis van Afgevaardigden, omdat de doofpot over hoe de Verenigde Staten in Irak is beland, opengaat als de Democraten het voor het zeggen krijgen. Dat zal resulteren in onderzoekscommissies, hoorzittingen en dagvaardingen voor leden van de regering.

De Democraten hebben al diverse pogingen ondernomen om boven tafel te krijgen wat de regering heeft uitgespookt met de inlichtingen over de vermeende massavernietigingswapens van Irak. De Republikeinen hebben dat tot dusver gedwarsboomd.

Verstandig
De vraag of een spoedige terugtrekking uit Irak verstandig is, is moeilijk te beantwoorden. Voorstanders, waaronder de Democratische Afgevaardigde en havik John Murtha, menen dat de Amerikaanse aanwezigheid in Irak de wederopbouw eerder in de weg staat dan bevordert.

Het geweld houdt aan vanwege de haat jegens de Amerikaanse troepen. Als ze weg zijn, zal de situatie in Irak normaliseren, is de redenering. Inderdaad, de opstandelingen genereren hun steun uit de woede van het Iraakse volk over de Amerikaanse bezetting, dus die basis valt weg. Bovendien zijn er signalen dat sommige verzetsgroepen de wapens willen inruilen voor de politiek.

Ook voor het gehele Midden-Oosten zou de terugtrekking positieve gevolgen hebben. De Arabische landen zijn weliswaar blij dat Saddam Hussein verdreven is, maar zijn evengoed tegen de Amerikaanse bezetting van Irak. Veel terreuraanslagen in de regio, zoals vorige maand in Jordanië, hangen mogelijk daarmee samen. Daarnaast kunnen de teruggetrokken militairen elders in de wereld ingezet worden voor terreurbestrijding.

Destabilisatie
Tegenstanders waarschuwen dat terugtrekking het land verder zal destabiliseren. De CIA vreest dat de verschillende bevolkingsgroepen elkaar al zo naar het leven staan, dat het mogelijk te laat is om het uiteenvallen van Irak nog te voorkomen. Het Iraakse leger en de politie zijn momenteel niet in staat om de veiligheid te handhaven, door gebrek aan mankracht en niveau.

Bovendien zijn de Iraakse veiligheidsmachten geïnfiltreerd door sjiitische en Koerdische milities, die vergeldingsacties uitvoeren tegen soennieten, door wie ze tijdens Saddams bewind onderdrukt werden. Vorige maand werden 173 overwegend soennitische gevangenen gevonden in een gevangenis van het ministerie van Binnenlandse Zaken, een sjiitisch bolwerk. De gevangenen waren ondervoed en sommigen hadden sporen van martelingen op hun lichaam.

Los daarvan hebben de Amerikanen de morele plicht om het land op te bouwen dat ze 2,5 jaar geleden annexeerden. Oud-minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell noemde dat de ‘Pottery Barn Rule’ (regel van de pottenbakkerij): als je iets breekt, moet je dokken.


Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.

woensdag 23 november 2005

Nederlandse rap geen voorbode van oproer

Jarenlang wezen Franse rappers op onvrede onder de kansarme allochtone jeugd in de verpauperde voorsteden. Enkele weken geleden kwam de onrust tot uitbarsting. Er is vrees dat in achterstandswijken in Nederland de bom eveneens zal barsten. Want ook hier reppen rappers al geruime tijd van discriminatie.

Dat rappers in hun muziek uiten wat hen bezighoudt is niet nieuw. Rap kan teruggevoerd worden naar de Afrikaanse griots (volksvertellers), die in ritmische vorm verhalen overdroegen. Ook de moderne rap heeft een rijke geschiedenis aan maatschappijkritiek. Zo was The Message van Grandmaster Flash & The Furious Five (1982) een van de eerste commerciële hits van hiphop. Public Enemy predikte een radicaal zwart bewustzijn en geldt nog altijd als de grootste hiphopgroep aller tijden. Frontman Chuck D noemde hiphop ‘het zwarte CNN’, in de zin dat rappers de stem zijn van een monddode, achtergestelde – zwarte – bevolkingsgroep, voor wie de gevestigde media geen aandacht hebben. In dat licht moet ook gangsta rap worden gezien, dat in eerste instantie een rauw verslag van het gewelddadige bestaan in de Amerikaanse getto’s was. Oorspronkelijk heette gangsta rap dan ook reality rap.

Kutmarokkanen
Tegenwoordig is gangsta rap uitgehold tot een commercieel uiterst succesvolle formule en zijn het vooral mooie vrouwen en bling die de mainstream hiphop domineren. Als maatschappijkritisch medium heeft hiphop echter nog niet afgedaan. In Nederland halen rappers er zelfs de top-40 mee. In het najaar van 2002, toen criminele Marokkaanse jongeren de krantenkoppen domineerden, brak de Almeerder Raymzter – zoon van een Marokkaanse vader en een Nederlandse moeder – door met Kutmarokkanen?!, naar de roemruchte uitspraak van toenmalige Amsterdamse wethouder Rob Oudkerk.

“Ze willen ons zwart maken als ze over ons praten
We hebben ze niks gedaan en alsnog willen ze ons haten
Ze willen ons zwart maken als ze over ons praten
Tijd dat dit verandert heb je dat niet in de gaten”

Raymzter noemt enkele praktische vooroordelen waarmee Marokkaanse jongeren dagelijks te maken hebben: “Dit klinkt misschien eenvoudig maar ze kijken me aan alsof ik vloog in de Twin Towers.” En: “Shit als dit kan mijn dag bederven, als ik langs een vrouw loop en ik zie haar d'r tas verbergen.”

Geweigerd
Nog succesvoller is Ali B, die het refrein van Kutmarokkanen?! schreef. In Geweigerd.nl verhaalt hij over discotheken die geen Marokkanen binnen willen laten.

“Ik ben een goeie jongen wil voor iedereen het beste
Maar toch ben ik de dupe omdat anderen het verpesten
Ik vraag me zelf af of ik eruit zie als een slechte
Ben gekomen om te dansen niet gekomen om te vechten”

Grimmiger van toon is de Tuindorp Hustler Click (THC), een groep uit Amsterdam-Noord die regelmatig verhaalt over het harde straatleven. Sociale uitsluiting van allochtone jongeren is het thema van Wil je weten hoe het voelt: “Wil je weten hoe het voelt om altijd anders te zijn, wil je weten hoe het voelt om buitenlander te zijn?”

“Onze jonge generatie is zwaar in de meerderheid”, rapt RBDjan. “Ze leren strijd, ze leren schijt hebben aan de maatschappij, want wat de fuck doet de maatschappij voor mij.”

Rocks hekelt de voortdurende negatieve berichtgeving over allochtone jongeren: “Allochtoon ik hoor het woord te vaak, en het stoort me vaak.” En: “God het spijt me, in me hart ben ik zuiver, maar ze sluiten me buiten. Wordt niet geluisterd dus ik voel me al anders. Ben een Amsterdamse, Nederlandse, buitenlander.”

Kans
The Anonymous Mis, frontman van de Rotterdamse hiphop-reggae-groep Postmen levert niet alleen kritiek maar biedt ook een oplossing. Hij richtte Social Life op, een organisatie die probeert straatjongeren op het rechte pad te krijgen met onder meer muziekworkshops. Mis ziet hiphop als een kans voor kansarme jongeren om aan hun uitzichtloze bestaan te ontsnappen.

“Hiphop is een manier om onze eigen banen te creëren, het is een tool om aan mensen te laten zien dat je op je eigen voorwaarden je plek in deze samenleving kan veroveren”, zegt Mis in Van Brooklyn naar Breukelen, een boek over Nederlandse hiphop. “Juist voor jongens die vast zitten is dat een belangrijke boodschap, om ze te laten nadenken over wat ze zelf willen gaan doen als ze vrijkomen. Mijn boodschap is geen andere dan die van de eerste de beste maatschappelijk werker. Maar van mijn pikken ze het, want ze weten waar ik vandaan kom, ze kunnen zich identificeren met mij.”

Discriminatie, armoede en sociale uitsluiting zijn onderwerpen die zijn weerklank vinden in de Nederlandse hiphop, maar tot harde taal komt het nauwelijks. Uitwassen als DHC, de rappers die Tweede-Kamerlid Ayaan Hirsi Ali in een van hun nummers zouden hebben bedreigd, rekent Saul van Stapele, hiphopjournalist en schrijver van Van Brooklyn naar Breukelen, niet tot Nederlandse hiphop omdat dit een geïsoleerd geval is. “Die hebben geen impact gehad op de scene.” Veel hiphoppers namen de groep niet serieus vanwege het amateuristische en infantiele niveau. Daar komt bij dat stoer doen en grootspraak intrinsiek aan hiphop zijn.

Positief over multiculturele samenleving
Van Stapele merkt op dat Nederlandse rappers over het algemeen positief zijn over de multiculturele samenleving, in tegenstelling tot het heersende, negatieve sentiment in de maatschappij van de laatste jaren. “Ze zijn er trots op deel uit te maken van een multiculturele samenleving. Ze groeien in de grote stad in die realiteit op. Hiphop verschaft hen ook een gezamenlijke identiteit, want het biedt plaats aan alle kleuren van de regenboog. Hiphop is ook een alternatief voor de dominante media, een soort zwarte CNN. De gevestigde media schetsen voortdurend een negatief beeld, hiphop is veel hoopvoller en positiever.”

Rappers laten wel hun licht schijnen over maatschappelijke kwesties, maar hiphop is geen politiek, stelt Van Stapele. “Er zijn wel rappers die graag een politiek statement leveren, maar je hebt ook rappers die alleen de straat kennen en rappen over wat ze om zich heen zien, of rappers die alleen over feesten rappen. Dat is allemaal hiphop. Ik denk wel dat rappers het maatschappelijke debat kunnen beïnvloeden.”


Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.

Oorlogsfotograaf wint vertrouwen verzet Irak

Een islamschool in de sjiitische sloppenwijk Sadr City in Bagdad. Geknield op kleurig gestreepte vloerkleden dekt een jongetje een vriendje toe met een Iraakse vlag. Tegenover hem staat een jongetje met een dolk, en naast hem ligt nog een knaapje. Jonge martelaars.

De leerlingen van de madrassa spelen een gevecht na tussen het Mahdi Leger van de Iraakse sjiitische geestelijke Moqtada al-Sadr en het Amerikaanse leger.

Het incident wordt gemythologiseerd en wordt het zaadje voor de diepgewortelde haat tegen de Amerikaanse bezetter, stelt fotograaf Thorne Anderson. Het tafereel is een van de foto’s in het boek Unembedded, dat Anderson samenstelde met drie andere fotojournalisten (Ghaith Abdul-Ahad, Kael Alford en Rita Leistner) die onafhankelijk werkten in Irak.

De titel slaat op een typische term uit de Irak-oorlog, toen voor het eerst journalisten mee mochten met het leger (embedded). Dat levert echter een scheef beeld op, omdat het Amerikaanse leger bepaalt wat de journalist wel en niet mag zien. Unembedded wil juist een onafhankelijk en ongecensureerd inzicht geven in Irak, vanuit het oogpunt van de Iraakse bevolking.

Anderson geeft een voorbeeld: tijdens de oorlog repten de Amerikaanse regering en de media van ‘chirurgische bombardementen’, waarmee doelwitten met precisie uitgeschakeld konden worden en onnodige schade en onschuldige slachtoffers tot een minimum werden beperkt.

“Dat klinkt alsof het heel gecontroleerd en ‘clean’ is”, zegt Anderson in zijn kantoor in het veilige Amsterdam-West. “Maar dat is het niet. Een bombardement is onvoorstelbaar gewelddadig. Het niet een humane manier van mensen doden. Mensen vergeten dat wel eens, en we willen dat laten zien.”

We zien verwoeste gebouwen, bebloede burgerslachtoffers die op straat liggen, kinderen die toekijken hoe hun ouders sterven op een brancard, verscheurde moeders die het stoffelijk overschot van hun kinderen in hun armen houden. Maar ook de vrolijke momenten uit het zware bestaan in een oorlogsgebied: een bruiloft, een kermis, zwemmende kinderen. Mensen proberen er het beste van te maken.

Geen politiek statement
De oorlog in Irak is met afstand de grootste internationale controverse sinds de Koude Oorlog. Een boek over Irak is daardoor bijna automatisch een politiek pamflet. Maar dat is in eerste instantie niet de intentie, verklaart Anderson.

“We proberen een zo genuanceerd mogelijk beeld van Irak te geven. We willen de complexiteit van Irak te tonen. Het is deel van een politieke dialoog. Het is de wens van de Amerikaanse regering om de informatie te controleren. Het boek heet Unembedded, omdat de verslaggeving in de Amerikaanse media, vooral televisie, en in het bijzonder de populairste zender Fox News, sterk beïnvloed wordt door officiële informatie. Die komt van journalisten die samenwerken met het Amerikaanse leger. Niet dat ze hun werk slecht doen, maar het is een beperkt perspectief. Als je echt wil weten wat er in Irak gebeurt, moet je de andere zienswijzen ook kennen. Dat proberen we met het boek te doen. Vanwege het politieke klimaat in de VS, is dat een politiek statement.”

Opstandelingen
Wat Unembedded bijzonder maakt, is dat het boek ook het Iraakse verzet van binnenuit laat zien, een wereld die voor westerlingen zo goed als ontoegankelijk is, laat staan dat ze het kunnen navertellen. Anderson wist het vertrouwen te winnen van Mahdi Leger, de verzetsbeweging van de sjiitische geestelijke Moqtada al-Sadr.

“Om dat te kunnen doen, moet je iemand kennen in het Mahdi leger die je bescherming biedt, die garant voor je staat, zodat als je in dreigende situatie terechtkomt, dan heb je een insider nodig die zegt: hij is okay, hij is een journalist, hij is geen soldaat, geen spion, geen politicus, hij is alleen hier om een verhaal te maken en ik sta voor hem in. Als hij een insider is, biedt dat je bescherming.”

Najaf
Door zijn goede contacten met het Mahdi Leger bracht Anderson drie dagen door in de Imam Ali tempel in Najaf, tijdens een grootschalig Amerikaans offensief tegen het sjiitische verzet in augustus 2004. In de tempel ligt het lichaam van Imam Ali, de grondlegger van de sjiitische islam, en is een van de belangrijkste heiligdommen in de sjiitische wereld. Tijdens het Amerikaanse offensief was de Imam Ali tempel een toevluchtsoord voor de opstandelingen. Volgens het Amerikaanse leger gebruikte het Mahdi Leger echter als aanvalsbasis.

“Het bleek dat de tempel helemaal niet als basis voor aanvallen werd gebruikt”, stelt Anderson. “Er bevonden zich helemaal geen wapens in de tempel. Er waren pelgrims voor morele steun, uit solidariteit met de strijders. Er waren wel veel strijders in de tempel, maar ze mochten niet hun wapens mee naar binnen nemen.”

“Ik herinner me dat een strijder die gewond was geraakt bij een gevecht, door zijn makkers naar binnen werd gebracht naar een provisorisch hospitaal in een van de kantoortjes in de tempel. Ze kwamen net uit een gevecht dus droegen nog hun kalasjnikovs over hun schouders, ze hadden granaten aan hun riem. Ze mochten hun gewonde kameraad naar binnen brengen maar kregen meteen het bevel om zich eerst buiten te ontwapenen voordat ze weer naar binnen mochten.”

Veilige haven
“De sfeer in de tempel was heel vreemd. De tempel is heel mooi, prachtige architectuur. Ze hadden stroomgenerators, dus er was licht. Van binnen is alles bekleed met goud, dat fonkelt. De gevechten in Najaf waren ongelofelijk intens, de Amerikanen gooiden 500 pond zware bommen, heel dicht bij de tempel, binnen 100 meter. Je kon de inslagen voelen, de muren schudden, soms lieten er stenen los. Er vlogen granaatscherven over de buitenmuren van de tempel naar binnen en landden op de binnenplaats. Dagelijks raakten mensen gewond. Ondanks het voortdurende geweld, was het binnen de tempel een veilige haven. Er was een sterke onderlinge kameraadschap, ook tussen de strijders en burgers. Ze deelden samen voedsel, baden samen. Heel warm. In de tempel was geen voedsel, dus we moesten de stad in om te eten. En ik wilde natuurlijk ook zien wat er buiten gebeurde. Als er relatief rustige momenten waren ging ik naar buiten, om te kijken wat de strijders deden.”

Geen kogelwerend vest
Voor iemand die in oorlogssituaties heeft gewerkt, spreekt Anderson met opvallende afstandelijkheid over zijn ervaringen. Hij toont zich een koelbloedige professional.

“Ik heb niet zoveel belangstelling om middenin de gevechten te zitten, ik ben meer geïnteresseerd in wie de strijders zijn. Ik probeer vuurgevechten te vermijden, maar het is onvermijdelijk. Ik draag zelf nooit een wapen, ook geen kogelwerend vest. Mijn primaire bescherming zijn de mensen. Dat is verreweg de meest betrouwbare bescherming. Als ik in zo’n situatie een kogelwerend vest zou dragen, schept dat een barrière tussen mij en de mensen en het neemt de gelijkheid weg. Dat vergroot niet mijn veiligheid, maar brengt me juist in gevaar. Het ondermijnt mijn relatie met de mensen en het vertrouwen.”

Als Amerikaanse fotojournalist tussen anti-Amerikaanse strijders, is het voor te stellen dat je last krijgt van gewetenswroeging. Anderson had er geen problemen mee. “Nooit, geen seconde. Ik vind dat ik een dienst bewijs aan de Verenigde Staten. Er vindt een enorme verschuiving van het Amerikaanse buitenlandbeleid plaats in Irak. Amerikanen moeten begrijpen hoe dat eruit ziet, vanuit alle gezichtspunten, en zeker niet alleen vanuit de zienswijze van de Amerikaanse regering.”


Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl

zaterdag 12 november 2005

Rappers waarschuwden voor rellen

Het is onwaarschijnlijk dat de Franse president Chirac, premier De Villepin en minister van Binnenlandse Zaken Sarkozy liefhebbers van hiphop zijn. Toch doen ze er wellicht goed aan zich in het genre te verdiepen, want Franse rappers waarschuwen al jaren voor onrust onder de kansarme allochtone jeugd.
Veel Franse rappers voelen zich door hun platencontract uitverkoren, en zien hun muziek als een platform om het op te nemen voor hun monddode achterban. De teksten van populaire groepen als Suprême NTM, 113, MC Solaar, IAM en Fonky Family staan vol verwijzingen naar politiegeweld, drugs, werkloosheid, sociale ongelijkheid en racisme.

Luidspreker
In 1990 waarschuwde NTM al dat de kansarme jeugd in de banlieues, de verpauperde voorsteden, op een dag in revolte zou komen. “Ik ben geen leider, ik ben slechts een luidspreker, van een opstandige generatie, klaar om alles op z’n kop te zetten”, rapt de groep op Le monde de demain (De wereld van morgen). “Mensen keren cruciale problemen de rug toe, naar de sociale problemen die de kinderen verstikken.” NTM (dat staat voor Nique Ta Mère, ofwel neuk je moeder) nam ook het controversiële Nique la police op, alsmede het vreedzame Pose ton gun (leg je wapen neer).
“In hoge gebouwen, onbegrip, groepen van zogenaamd slecht opgevoede kinderen, frictie, spanning, burgerwachten, onzinnige angsten, stomme roddels en mythen”, rapte de uit Marseille afkomstige groep IAM op Demain est loin (Morgen is ver weg) uit 1999. Stadsgenoten Fonky Family riepen op Cherche pas à comprendre (Probeer het niet te begrijpen) in 1999 openlijk op tot een opstand.

Geen opruiing
Dat kan uitgelegd worden al opruiing, maar rappers zijn slechts een spreekbuis van de achtergestelde allochtone jeugd, stelt journalist en schrijver Olivier Cachin, die veel publiceert over Franse hiphop. “Rappers leveren commentaar, soms ook ideeën, of vertalen woede of een gevoel van onrecht”, zei Cachin tegen het Franse persbureau AFP. “Veel mensen denken dat rappers de nieuwe politici zijn, maar dat is niet hun functie.”
Niettemin riep een van de populairste rappers in Frankrijk, Disiz La Peste, deze week op tot een einde aan het geweld. “We berokkenen schade aan ons zelf, want het vindt plaats in onze eigen wijken.”
De gebeurtenissen van de afgelopen weken doen sterk denken aan de film La Haine (De haat) uit 1995, over 3 vrienden – een jood, een Afrikaan en een Arabier – uit een Parijse banlieue. Mathieu Kassovitz’ film handelt over hoe het dagelijkse leven in de deprimerende flatwijken de jongeren naar de kop stijgt, met als katalysator een Arabische vriend die in een politiecel sterft. De gewelddadige ontknoping is de hele film onvermijdelijk: “Ken je dat verhaal van die man die van een wolkenkrabber valt? Tijdens zijn val zegt hij bij iedere verdieping: tot dusver gaat alles goed, tot dusver gaat alles goed, tot dusver gaat alles goed. Het gaat er niet om hoe je valt. Het gaat erom hoe je landt”, peinst een van de hoofdpersonen.

La Haine, doorspekt met een flinke dosis hiphop, geeft zo’n realistisch inzicht in het leven in een banlieue, dat het Franse kabinet destijds een speciale voorstelling hield. Wellicht schallen dezer dagen de 'boom bap beats' door de gangen van het Elysée.

Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.

dinsdag 1 november 2005

‘Het is wij tegen de staat’

Voor de vijfde achtereenvolgende nacht zijn jongeren in de Parijse achterstandswijk Clichy-sous-Bois slaags geraakt met de politie. Planet belde met Saskia Dekkers, correspondente in Frankrijk voor het NOS Journaal.

Gaat de politie in de immigrantenwijken regelmatig haar boekje te buiten en komt corruptie veel voor? 
“Mensen hebben het niet voor niets cynisch over arrestanten die ‘uitglijden’ in politiecellen. Ik was laatst op een etentje en toen grapte iemand dat de vloer zo glad is in de politiebureaus. Of de politie mensen mishandelt en wat er op de politiebureaus gebeurt, is moeilijk te bewijzen. Je hoort wel dergelijke geluiden.Het is ook bekend dat de politie niet iedereen gelijk behandelt, dat jongeren met een Arabisch uiterlijk sneller worden aangehouden. Vrienden van mij die ook in een ‘banlieue’ wonen en van Marokkaanse afkomst zijn overkomt het regelmatig. Als je drie keer op een dag door de politie wordt gestopt en om je papieren wordt gevraagd, gaat dat irriteren.

Frankrijk kampt met een groot probleem, namelijk de gettovorming in de voorsteden. Er wordt veel gediscrimineerd, mensen met een Arabische naam vinden moeilijk een woning en een baan. Met als gevolg dat je in troosteloze wijken een concentratie van mensen zonder werk krijgt, getto’s dus. Dat leidt tot veel frustratie bij jongeren.
Ik heb vrienden van Arabische komaf die in het theater werken en bijbaantjes zoeken, zij merken dat ze bij sollicitaties worden afgewezen alleen al op basis van hun naam en adres. Terwijl Fransen wel werk vinden.
De politie is natuurlijk fel in dat soort wijken, dus de jongeren keren zich nu tegen alles dat een uniform draagt. Daar heerst nu het sentiment van ‘wij tegen de staat’.”


Wat doet de Franse regering om de situatie in de achterstandswijken te verbeteren? 
“In 2007 zijn er presidentsverkiezingen, en je ziet dat de minister van Binnenlandse Zaken Nicolas Sarkozy – die verantwoordelijk is voor de politie en openbare orde – de ontwikkelingen gebruikt om campagne te voeren. Sarkozy beloofde ‘tolérance zéro’ tegen de criminaliteit in de wijken. Dat lijkt effectbejag. Zelfs in de regering wordt dat zo ervaren. De minister van Integratie Azouz Begag, zelf van Algerijnse origine, heeft gezegd dat zulke ferme taal niet werkt en wil zelf in de wijken gaan kijken. Hij bepleit geen harde woorden, maar juist voor toenadering tot de jongeren, bijvoorbeeld via wijkagenten.”

Ziet u Sarkozy’s uitlatingen als een provocatie? 
“Voor de mensen in de wijk is het een provocatie. In de pers wordt het meer gezien als een verkiezingscampagne.”

Verwacht u dat de rellen zich uitbreiden naar andere voorsteden? 
“Het heeft zich al uitgebreid. De eerste nacht kregen de jongeren in Clichy-sous-Bois al hulp van bendes uit nabij gelegen wijken. De afgelopen nacht was er ook in andere voorsteden onrust. De rellen zijn voor iedereen te zien op televisie, dus ook jongeren in andere achterstandswijken zien dat. Het is moeilijk te voorspellen hoe de situatie zich in de komende weken ontwikkelt, maar het is niet ondenkbaar dat het nog een paar weken onrustig blijft.”

Denkt u dat de Franse regering en samenleving is wakkergeschud en dat er nu echt iets gaat veranderen? 
“Het onderwerp komt alsmaar terug, het is er niet opeens. Dat weet iedereen ook. In de presidentsverkiezingen van 2002 was het ook een belangrijk onderwerp in de campagnes. Maar achteraf vroegen de media zich af of ze het onderwerp niet te veel hadden uitvergroot en aandacht hadden gegeven. Bij de komende presidentsverkiezingen zal het ook wel weer spelen, maar die zijn pas over anderhalf jaar, dus dat is nog ver weg. Of de regering nu maatregelen gaat nemen, weet ik niet. Het zal wel moeten als het de komende weken onrustig blijft.” 

Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.

‘Het is wij tegen de staat’

Voor de vijfde achtereenvolgende nacht zijn jongeren in de Parijse achterstandswijk Clichy-sous-Bois slaags geraakt met de politie. Planet belde met Saskia Dekkers, correspondente in Frankrijk voor het NOS Journaal.

Gaat de politie in de immigrantenwijken regelmatig haar boekje te buiten en komt corruptie veel voor?
“Mensen hebben het niet voor niets cynisch over arrestanten die ‘uitglijden’ in politiecellen. Ik was laatst op een etentje en toen grapte iemand dat de vloer zo glad is in de politiebureaus. Of de politie mensen mishandelt en wat er op de politiebureaus gebeurt, is moeilijk te bewijzen. Je hoort wel dergelijke geluiden.

Het is ook bekend dat de politie niet iedereen gelijk behandelt, dat jongeren met een Arabisch uiterlijk sneller worden aangehouden. Vrienden van mij die ook in een ‘banlieue’ wonen en van Marokkaanse afkomst zijn overkomt het regelmatig. Als je drie keer op een dag door de politie wordt gestopt en om je papieren wordt gevraagd, gaat dat irriteren.

Frankrijk kampt met een groot probleem, namelijk de gettovorming in de voorsteden. Er wordt veel gediscrimineerd, mensen met een Arabische naam vinden moeilijk een woning en een baan. Met als gevolg dat je in troosteloze wijken een concentratie van mensen zonder werk krijgt, getto’s dus. Dat leidt tot veel frustratie bij jongeren.

Ik heb vrienden van Arabische komaf die in het theater werken en bijbaantjes zoeken, zij merken dat ze bij sollicitaties worden afgewezen alleen al op basis van hun naam en adres. Terwijl Fransen wel werk vinden.

De politie is natuurlijk fel in dat soort wijken, dus de jongeren keren zich nu tegen alles dat een uniform draagt. Daar heerst nu het sentiment van ‘wij tegen de staat’.”

Wat doet de Franse regering om de situatie in de achterstandswijken te verbeteren?
“In 2007 zijn er presidentsverkiezingen, en je ziet dat de minister van Binnenlandse Zaken Nicolas Sarkozy – die verantwoordelijk is voor de politie en openbare orde – de ontwikkelingen gebruikt om campagne te voeren. Sarkozy beloofde ‘tolérance zéro’ tegen de criminaliteit in de wijken. Dat lijkt effectbejag. Zelfs in de regering wordt dat zo ervaren. De minister van Integratie Azouz Begag, zelf van Algerijnse origine, heeft gezegd dat zulke ferme taal niet werkt en wil zelf in de wijken gaan kijken. Hij bepleit geen harde woorden, maar juist voor toenadering tot de jongeren, bijvoorbeeld via wijkagenten.”

Ziet u Sarkozy’s uitlatingen als een provocatie?
“Voor de mensen in de wijk is het een provocatie. In de pers wordt het meer gezien als een verkiezingscampagne.”

Verwacht u dat de rellen zich uitbreiden naar andere voorsteden?
“Het heeft zich al uitgebreid. De eerste nacht kregen de jongeren in Clichy-sous-Bois al hulp van bendes uit nabij gelegen wijken. De afgelopen nacht was er ook in andere voorsteden onrust. De rellen zijn voor iedereen te zien op televisie, dus ook jongeren in andere achterstandswijken zien dat. Het is moeilijk te voorspellen hoe de situatie zich in de komende weken ontwikkelt, maar het is niet ondenkbaar dat het nog een paar weken onrustig blijft.”

Denkt u dat de Franse regering en samenleving is wakkergeschud en dat er nu echt iets gaat veranderen?
“Het onderwerp komt alsmaar terug, het is er niet opeens. Dat weet iedereen ook. In de presidentsverkiezingen van 2002 was het ook een belangrijk onderwerp in de campagnes. Maar achteraf vroegen de media zich af of ze het onderwerp niet te veel hadden uitvergroot en aandacht hadden gegeven. Bij de komende presidentsverkiezingen zal het ook wel weer spelen, maar die zijn pas over anderhalf jaar, dus dat is nog ver weg. Of de regering nu maatregelen gaat nemen, weet ik niet. Het zal wel moeten als het de komende weken onrustig blijft.”


Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.

zaterdag 15 oktober 2005

Public Enemy: Too Black, Too Strong

Public Enemy is de grootste hiphopgroep aller tijden. It Takes a Nation of Millions to Hold Us Back is de beste hiphopplaat aller tijden. Zelfs een van de meesterwerken van de popmuziek. Vijftien jaar na hun piek is PE nog niet van de troon gestoten.
En dat voor een formatie die bijna van de rest van de wereld was onthouden. In eerste instantie was Public Enemy geen ‘band’ en had de groep niet de ambitie om überhaupt een plaat te maken. Ook politiek stond nauwelijks op de agenda.
De geschiedenis van Public Enemy begint aan de Adelphi universiteit in Long Island, waar Carlton Ridenhour, beter bekend als Chuck D, begin jaren tachtig voor grafisch ontwerper studeert. Chuck en Hank Boxley, beter bekend als Hank Shocklee, presenteren een toonaangevend hiphopprogramma op het collegeradiostation WBAU en als het collectief Spectrum City organiseren ze lokale feesten. WBAU wordt de thuisbasis voor het toekomstige Public Enemy. Eric ‘Vietnam’ Sadler is een lokale muzikant waarmee Chuck en Shocklee promo’s voor hun programma maken. Keith Shocklee, Hanks broer, voegt zich eveneens bij het gezelschap. Schoolgenoot en klassiek pianist William Drayton (hij beheerst zelfs 17 instrumenten), toen nog MC DJ Flavor en tegenwoordig beter bekend als Flavor Flav, hing geregeld rond in de studio. In het lokale feestcircuit wordt contact gelegd met de DJ Norman Rogers alias DJ Mellow D en beter bekend als Terminator X. De beveiliging van de feesten die Chuck en Shocklee organiseren komt in handen van Richard Griffin en zijn organisatie de Unity Force, later omgedoopt in The Security of the First World (S1W).
Public Enemy No. 1
Eind 1984 knutselt Chuck D de track Public Enemy No.1 in elkaar aan de hand van een sample van Blow Your Head van Fred Wesley and the J.B.’s en rapt eroverheen met zijn kenmerkende krachtige stem. Chuck draait Public Enemy No. 1 regelmatig in zijn radioprogramma en de rauwe, dreigende track wordt opgemerkt door Rick Rubin, een van de oprichters van Def Jam Recordings, het label dat dankzij Run-DMC en L.L. Cool J was uitgegroeid tot het mekka van de hiphop. Rubin is direct onder de indruk van Chuck D en wil hem een platencontract aanbieden. Chuck D is midden twintig en vindt zichzelf echter te oud om een plaat te maken omdat de meeste rappers bijna tien jaar jonger zijn. Bovendien ambieerde hij een carrière in radio of de journalistiek. Rubin blijft echter een half jaar lang dagelijks bellen en uiteindelijk gaat Chuck overstag. Het is echter niet alleen Chuck D die uiteindelijk een contract tekende bij Def Jam. Hij komt met heel leger naar het label; samen met Hank en Keith Shocklee, Eric ‘Vietnam’ Sadler (nu de Bomb Squad), WBAU-baas Bill Stephney, Flavor Flav, Terminator X, Professor Griff en de S1W’s gaat Chuck met Rubin in zee. De naam is Public Enemy en dat is meteen de eerste statement van de groep: zwarten zijn staatsvijanden.
Yo! Bum Rush the Show
In maart 1987 komt het debuutalbum Yo! Bum Rush the Show uit. Het geluid van hiphop is de laatste jaren ingrijpend veranderd. De funky disco sound en zorgeloze raps van de old skool hebben plaatsgemaakt voor de harde, uitgeklede beats van L.L. Cool J en de met loeiende rockgitaren gelardeerde tracks van Run-DMC. Boogie Down Productions en Schoolly D rappen over het gewelddadige straatleven en Eric B & Rakim vernieuwen het hiphopgeluid met James Brown-samples en complexe rijmschema’s.
Niettemin is het publiek totaal niet voorbereid op Public Enemy. DJ’s draaien de instrumentale versies van de nummers, omdat ze Chuck D geen goede rapper vinden.
De verkoopcijfers vallen tegen. Op Rebel Without a Pause refereert Chuck D aan de koele ontvangst van de groep: “They praised the music - this time they play the lyrics/Some say no to the album, the show” en “Radio - suckers never play me/On the mix they just OK me”.
Midden jaren tachtig overspoelt crack de zwarte getto’s van Amerika. Gecombineerd met het voor de minima desastreuze beleid van de conservatieve president Ronald Reagan, is de zwarte gemeenschap uit het lood geslagen en heeft volgens Chuck D nieuwe leiders nodig. Chuck D is in 1960 geboren in een intellectueel nest en groeide op in de tijd van de zwarte emancipatiestrijd. Het stoort Chuck dat jonge zwarten in de jaren tachtig niet meer weten wie Malcolm X en Martin Luther King waren. Als muziekliefhebber was Chuck D bovendien opgegroeid met Marvin Gaye, Curtis Mayfield en James Brown, die hun muziek gebruikten als politieke spreekbuis. Al deze factoren inspireren Chuck D tot de missie van Public Enemy.
It Takes a Nation of Millions to Hold Us Back
Is Public Enemy in 1987 nog een vreemde eend in de bijt, het jaar erop verhangt de groep de bordjes voorgoed met It Takes a Nation of Millions to Hold Us Back. Geïnspireerd op het politieke engagement en de sonische innovatie van Marvin Gaye’s klassieker What’s Going On, combineert Public Enemy controversiële politieke teksten en een uniek, krachtig geluid en complexe productie tot een meesterwerk en een instant classic. It Takes a Nation… slaat in als een bom tot ver buiten de hiphopscene. Tot dan werd hiphop afgedaan als een ‘fad’ en zelfs muzikale degeneratie. Public Enemy rekent met die opvatting af en bewijst dat hiphop wel degelijk muzikaal uitdagend en inhoudelijk intelligent kan zijn. Met name in de rock valt PE in goede aarde. De invloed van Public Enemy, en met name de stem van Chuck D, is terug te horen in vele bands. Madonna samplet PE en Duran Duran covert 911 is a Joke.
It Takes a Nation... verandert ook de hiphop ingrijpend. Het tempo van de beats gaat omhoog, het noisy-geluid wordt op grote schaal overgenomen en hiphop wordt politieker. Groepen als Boogie Down Productions (geleid door KRS-One), X-Clan Poor Righteous Teachers en de Jungle Brothers gebruiken hun muziek als pamflet voor een nieuw zwart bewustzijn en afrocentrisme. Chuck D en KRS-One geven lezingen op universiteiten. 1988 Is ook het jaar dat gangsta rap wordt geboren; op Straight Outta Compton verhaalt N.W.A. zonder een blad voor de mond te nemen over het criminele en gewelddadige leven in de getto’s van Los Angeles. In tegenstelling tot generaties zwarte entertainers weigeren rappers te grijnzen om de gunst van het blanke publiek te krijgen. Ze zijn geen Oom Tom meer en pikken het niet langer gekoeioneerd te worden en noemen zichzelf Public Enemy en Niggaz With Attitude en schreeuwen: “Fuck Tha Police!” De slavernij is definitief afschaft en zwarte emancipatie komt voortaan met een 9mm.
Blank Amerika, in het neoconservatieve tijdperk van de presidenten Reagan en Bush, schrikt zich een hoedje. Hier is een zwarte groep gekleed in legeruniformen en met subversieve ideeën en die het radicale – en in hun ogen antiblanke en antisemitische – gedachtegoed van de zwarte islamitische leider Louis Farrakhan uitdragen. Chuck D verklaart dat hiphop ‘de zwarte CNN’ is, omdat de muziek de spreekbuis is van de monddode, in de steek gelaten zwarte jeugd in de getto’s, terwijl de reguliere – blanke – media dat verzuimen. Tegelijk hekelt Chuck D zwarte radiostations omdat ze in zijn ogen te laf zijn om hiphop te draaien. Chuck D gooit verder olie op het vuur door tegen blanke heilige huisjes te schoppen: “Elvis was a hero to most/But he never meant shit to me you see/Straight up racist that sucker was simple and plain/Mother fuck him and John Wayne”, rapt hij op de single Fight The Power van de soundtrack van Spike Lee’s racismedrama Do The Right Thing (1989). De rapper verwijt blanken de zwarte cultuur te stelen, te verwateren en vervolgens te presenteren als een blanke uitvinding. That spells trouble...
De problemen blijven inderdaad niet uit. Het door Chuck D zelf ontworpen Public Enemy-logo wordt akelig realistisch als de groep doodsbedreigingen krijgt. De media, politiek en veiligheidsdiensten volgen met argusogen Public Enemy. De teksten en uitlatingen van de groep worden geanalyseerd en bekritiseerd. In 1990 stuurt de FBI een rapport naar het Amerikaanse Congres getiteld “Rap Music and its Effects on National Security”, waarin Public Enemy wordt genoemd.
Professor Griff
De standpunten die Public Enemy verkondigt kunnen niet altijd door de beugel. Vooral Professor Griff trekt regelmatig fel van leer tegen homo’s en joden. Het gaat uiteindelijk mis als Griff in 1989 in een interview met de conservatieve krant de Washington Times zegt dat ‘joden verantwoordelijk zijn voor het leeuwendeel van het kwaad in de wereld’. De pleuris breekt uit en Chuck D is gedwongen Griff uit de groep te zetten, ook al meent hij dat de krant Griffs citaat uit zijn verband heeft getrokken. Griff stapt over naar het label van Luke Skyywalker (2 Live Crew), maar zijn solowerk is weinig memorabel.
Door alle heisa loopt Public Enemy’s derde album Fear of a Black Planet vertraging op. In maart 1990 komt het album dan eindelijk uit. Op Welcome to the Terrordome en Anti-Nigger Machine behandelt Chuck D de recente perikelen: “Crucifixion ain't no fiction/So called chosen frozen/Apology made to who ever pleases/Still they got me like Jesus” en “Once they never gave a fuck about what I said/Now they listen and they want my head”.
Fear… bevat ook een cameo van rapper Ice Cube, die uit N.W.A. was gestapt en zijn solodebuut AmeriKKKa’s Most Wanted door de Bomb Squad liet produceren. Op zijn album maken ook Chuck D en Flavor Flav hun opwachting.
Waar Public Enemy door de media van antiblank racisme wordt beticht, zet de groep op haar volgende album, Apocalypse 91... The Enemy Strikes Black, een opvallende stap: ze coveren zichzelf met de blanke rockband Anthrax op Bring the Noise. Het is duidelijk een poging hun blanke publiek te consolideren. Het album, het eerste zonder de Bomb Squad, verschijnt in het najaar van 1991 en wordt goed ontvangen. Terminator X brengt in het voorjaar van 1991 zijn eerste, overigens sterke soloalbum uit: Terminator X in the Valley of the Jeep Beets. Ook lanceert Public Enemy een nieuwe telg: Sista Souljah moet de zwarte vrouw aanspreken.
Dal
De groep is op zijn hoogtepunt en na pieken komen dalen. Greatest Misses, een compilatie van zes remixen, zes nieuwe track en een live-opname, wordt slecht ontvangen. Binnen de groep zijn er problemen ontstaan. Flavor Flav kampt met een cocaïneverslaving en brengt korte tijd in de cel door wegens mishandeling van zijn vriendin.
Het grootste probleem van Public Enemy is echter dat de tijden ingrijpend zijn veranderd. Het politieke tijdperk in hiphop is voorbij. De gangsta rap van de Amerikaanse westkust domineert de hitlijsten. In New York gaat hiphop terug naar zijn roots en richt zich op techniek en esthetiek. Opeens is Public Enemy passé. In de jaren negentig levert de groep een reeks albums af die op momenten na het oude niveau niet halen. Chuck D maakt een matig soloalbum en publiceert zijn boek Fight the Power, waarin hij schrijft over Public Enemy, evenals de zwarte emancipatiestrijd.
In de jaren negentig ontwikkelt Chuck D ook grote belangstelling voor het internet. Hij werpt zich op als voorvechter van het gratis downloaden van muziek. Dat leidt tot een scheiding met Def Jam, die niets voelt voor Chucks plannen om het nieuwe album van Public Enemy op internet aan te bieden.
Tegenwoordig is Public Enemy meer een los project dan een band. De leden ontplooien uiteenlopende activiteiten. Chuck D is presentator van het politieke praatprogramma On The Real op Air America Radio en columnist voor diverse media. Ook geeft hij nog altijd lezingen op universiteiten. Professor Griff bracht in 2001 zijn vijfde soloplaat uit en leidt de metalrapband 7th Octave. Flavor Flav heeft een reality-programma op VH1 met actrice Brigitte Nielsen en Terminator X heeft een struisvogelfokkerij in North Carolina. Voor begin 2006 staat een nieuw album gepland: Rebirth of a Nation, op het Guerrilla Funk-label van de gelijkgestemde rapper Paris.
Een comeback van Public Enemy zit er waarschijnlijk niet in. Mainstream hiphop is vandaag de dag gepreoccupeerd met seks en ‘bling’ en de invloed van de groep (en zielsverwanten) is nog maar marginaal. Er is echter nog steeds geen rapper of groep opgestaan die Public Enemy naar de kroon steekt met dezelfde briljante combinatie van muzikale en inhoudelijke visie, intellectualiteit en conceptualisatie, en daarmee tot ver buiten de hiphop hoog in aanzien staat. Vijftien jaar na hun piek is Public Enemy nog steeds de grootste hiphopgroep aller tijden.

Selectieve discografie

Yo! Bum Rush The Show (Def Jam 1987)
Public Enemy’s debuut is nog steeds een onderschat album. Het wordt beschouwd als een demo, waarschijnlijk omdat Public Enemy nog niet politiek is maar een soort hardcore b-boy lifestyle etaleert. Het is frappant om Chuck D te horen rappen over zijn auto: “Cruising down the boulevard/I’m treated like some super star.” Het is vooral de presentatie van PE die politiek lijkt. Op de hoes oogt de groep als een militie die zich onder het licht van een peertje voorbereidt op een coup. Het album klinkt even woedend als de felle politiek geëngageerde muziek waarmee PE een jaar later beroemd en berucht mee zou worden. Yo! Bum Rush the Show heeft de tand des tijds uitstekend doorstaan en kan zich anno 2005 nog meten met de avant-gardistische hiphop uit de Def Jux-stal. De productie, bestaande uit uitgeklede, ijskoude mokerbeats en de industrial, found sound-samples, klinkt nog steeds vernieuwend.
It Takes a Nation of Millions to Hold Us Back (Def Jam 1988)
Op It Takes a Nation… heeft Public Enemy in feite zijn identiteit gevonden. Het geluid van de Bomb Squad was uitgekristalliseerd tot een ware Apocalyps, een nagenoeg oneindig gelaagde georganiseerde chaos van samples en noise. Het album heeft de energie van een turbine, de woede van een punkband uit Oost-Berlijn, de stroomlijning en trefzekerheid van een kogel uit een Tsjechisch sportgeweer en de romantiek van een Noord-Koreaanse militaire parade. It Takes a Nation… dendert uit de speakers als de atoombom op Hiroshima. Het is verbluffend hoe de Bomb Squad organische samples van James Brown en Kool and the Gang weet om te vormen tot een soort sirenes. De scratches van Terminator X – zogeheten transformer-scratches, waarbij het geluid wordt onderbroken wat een vervormend effect geeft – waren indertijd revolutionair. Chuck D neemt een breed scala aan onderwerpen op zijn vork, van racistisch gemotiveerde rechtszaken tegen rappers vanwege het samplen (Caught, Can We Get A Witness?), dienstweigering omdat Amerika zwarten in de steek laat maar wel gebruikt voor het leger (Black Steel in the Hour of Chaos) en hersenloze televisie (She Watch Channel Zero?!). De grootste prestatie van It Takes a Nation... is misschien wel dat het album niet bezwijkt onder zijn eigen gewicht. De factor Flavor Flav is een meesterzet in het Public Enemy-schaakspel; hij is de ‘comic relief’ die het verteerbaar maakt zonder dat het geheel aan kracht inboet. It Takes a Nation is één van de beste en belangrijkste platen van hiphop en popmuziek in het algemeen.
Fear of a Black Planet (Def Jam 1990)
It Takes a Nation… wordt algemeen beschouwd als Public Enemy’s beste album, maar misschien is Fear of a Black Planet dat juist. Op alle fronten demonstreert de groep gegroeid te zijn. Flavor Flav blijkt meer te zijn dan alleen een clown en op 911 is a Joke opent hij de aanval op de hulpdiensten die in de getto’s steevast te laat komen. Vergezeld door Ice Cube en Big Daddy Kane richt Chuck D zijn pijlen op Hollywood, die zwarten voorstelt als dommeriken die altijd de klappen opvangen en nooit als advocaten (Burn Hollywood Burn). Ook bekritiseert hij zwarten die uit financieel en sociaal gewin trouwen met blanken (Pollywanacraka). PE begeeft zich op glad ijs door in het dubieuze Meet the G that Killed Me openlijk blijk te geven van homofobie. Chuck D stelt homo’s op één lijn met drugsverslaafden en verwijt hen verantwoordelijk te zijn voor de verspreiding van AIDS. De stijl van de Bomb Squad is op Fear... verder uitgekristalliseerd. De producties zijn nog even complex, maar het geluid is organischer, funkier, ruimtelijker en gevarieerder. Zo is Welcome to the Terrordome snoeihard en compromisloos, terwijl Pollywanacraka een rustige track is waarop Chuck D bijna onherkenbaar ontspannen rapt. Het heeft album een uitgekiende sequens die de luisteraar al bij de eerste gitaarsample in het album zuigt en meeneemt op een reis door Public Enemy’s gedachtewereld en tot de laatste woorden (het open einde “the future of Public Enemy got a...”) aan de speaker gekluisterd houdt. Van alle Public Enemy albums heeft Fear... de tand des tijds het beste doorstaan en het album is na vijftien jaar nog geen spatje gedateerd. Onlangs werd het album opgenomen in de Library of Congress.
Apocalypse 91… The Enemy Strikes Black (Def Jam 1991)
Het laatste klassieke en memorabele album van Public Enemy is al een kleine stap terug. De Bomb Squad is gereduceerd tot executive producer en de productie is in handen van hun protégés de Imperial Grand Ministers of Funk. De productie is dan ook lang niet zo ingenieus meer en klinkt meer als een imitatie van de Bomb Squad-formule. Niettemin bevat Apocalypse 91 meer dan genoeg meesterlijke tracks. De single Shut ‘Em Down is ijzersterk, en By The Time I Get to Arizona is een van de hoogtepunten uit Public Enemy’s oeuvre. Inhoudelijk is Chuck D nog even scherp. Op Arizona... hekelt hij de zuidelijke staat vanwege zijn weigering Martin Luther King Day in te voeren als feestdag en 1 Millions Bottlebags, een aanval op de drankindustrie. De remake van Bring the Noise met Anthrax is tamelijk overbodig. Al met al is Apocalypse een prima album, maar onevenwichtig en een eerste signaal dat Public Enemy over zijn hoogtepunt heen is.
It Takes a Nation – The First London Invasion Tour 1987
Oudere Nederlandse hiphopfans zullen het zich nog goed herinneren; in het najaar van 1987 reisde de Def Jam Tour door Europa en deed ook de Jaap Edenhal in Amsterdam aan. De tournee bood de top van de hiphop: Run-DMC, Beastie Boys, L.L. Cool J, Eric B & Rakim en natuurlijk Public Enemy. Het VPRO-programma Firma Onrust maakte opnames, maar die liggen ergens in het omroeparchief. Gelukkig is het legendarische concert dat PE destijds in Londen gaf nu op dvd verkrijgbaar. Fragmenten van het optreden zijn al bekend van It Takes a Nation of Millions to Hold Us Back. De beeldkwaliteit laat te wensen over, maar het stoort niet. Het concert is een brok energie. De show wordt afgewisseld met interviewfragmenten en unieke beelden achter de schermen. Dat levert hilarische momenten op, zoals Flavor Flavs ontmoeting met een oude Britse dame, Flavor Flav die jus d’orange over Chuck D morst en Flavor Flav die kibbelt met Terminator X. Verder bevat de dvd interessant audiocommentaar van Chuck D die anekdotes over de toer vertelt, zoals over de grenscontrole in Oost-Duitsland toen Public Enemy in Berlijn ging optreden. Want vergis je niet; toen stond de Berlijnse muur er nog, waren Reagan en Thatcher aan de macht, en zat Nelson Mandela in de gevangenis.

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

dinsdag 4 oktober 2005

Iran wil werelddominantie

Maandenlang ruziën de Europese Unie en de Verenigde Staten met Iran over het atoomprogramma van dat land. De kwestie gaat echter veel verder dan kernenergie en -wapens. Iran wil niets minder dan dominantie over de regio en de wereld.

Iran als kernmacht is de nachtmerrie van het Westen.
Het moslimfundamentalistische land is al ruim een kwart eeuw de aartsvijand van de Verenigde Staten, en werd door president Bush gerekend tot de ‘as van het kwaad’. De vrees is dat in het zwartste doemscenario, Iran met een kernbom de wereld kan gijzelen, of dat de atoomtechnologie in handen komt van terroristen.

Geheimzinnig
Iran probeert de internationale gemeenschap gerust te stellen door te zeggen dat het atoomprogramma voor uitsluitend vreedzame doeleinden bestemd is, namelijk de opwekking van energie. Echter, voor een land met een zuiver geweten is Iran erg terughoudend wat betreft transparantie van zijn nucleaire activiteiten. De samenwerking met het Internationale Atoomenergieagentschap (IAEA) is schoorvoetend en wisselvallig; inspecteurs mochten reactors bezoeken, maar delen van de administratie waren ‘zoek’. Sommige documenten mochten wel door de inspecteurs wel ingezien maar niet meegenomen worden. Uit de informatie die Iran wel vrijgaf, bleek hoeveel het land had achtergehouden.

Geen hard bewijs
Maar hard bewijs dat Iran inderdaad aan kernwapens werkt, is er niet. Amerikaanse regeringsexperts moesten in augustus toegeven dat de uraniumsporen die twee jaar geleden in een Iraanse reactor gevonden werden, afkomstig waren van besmette Pakistaanse apparatuur en geen bewijs waren voor een clandestien kernwapenprogramma.
De kwestie is echter veel groter dan kernwapens. Irans overkoepelende ambitie is om de regio te domineren en te vormen naar zijn eigen inzicht. Dat streven botst direct met de VS, die ook het Midden-Oosten willen hervormen naar hun eigen smaak.

Meerdere supermachten
Iran schuift zijn aspiraties niet onder stoelen of banken. Generaal Yahya Safavi, opperbevelhebber van de Revolutionaire Garde, verklaarde deze zomer in een toespraak voor hoge marineofficieren dat de missie van Teheran was om ‘een multipolaire wereld’ te scheppen waarin ‘Iran een leidende rol speelt’. Met andere woorden: als het aan Iran ligt zijn de VS niet langer de enige wereldmacht.

President Mahmoud Ahmadinejad deed daar een schepje bovenop. Het ultieme doel van het buitenlandbeleid van Iran is niets minder dan ‘een regering voor de hele wereld’ onder leiding van de Mahdi, het sjiitische equivalent van de christelijke Messias. De Mahdi verschijnt aan het einde der tijden en zal dan de ongelovigen vernietigen en een islamitisch rijk stichten waar moslims in vrede kunnen leven. Ahmadinejads doctrine komt neer op de export van een radicale islam. De VS vertonen hun laatste stuiptrekkingen, ze zijn een ‘ofuli’, de macht van de zonsondergang, terwijl Iran de ‘toluee’, de zonsopgang van de islamitische republiek, vormt. Overheersing van het Midden-Oosten is in de ogen van Ahmadinejad het ‘onbetwistbare recht van de Iraanse natie’.

Opgezwollen retoriek lijkt het, maar het is Ahmadinejad bittere ernst. En de tekenen zijn gunstig voor Iran. Van oudsher speelt Iran een leidende rol in de geschiedenis van de islam. Iran is één van slechts twee moslimlanden die nooit door Westerse mogendheden gekoloniseerd zijn (de andere is Turkije, maar dat land trekt in de ogen van de moslimwereld te veel naar het Westen toe). Het land heeft een centrale ligging in de ‘islamitische boog’ die zich van de Atlantische Oceaan tot de Grote Oceaan uitstrekt. Iran beschikt over veel olie die snel in waarde stijgt.

Groeiende invloed
Ironisch genoeg profiteert Iran van de door de VS geïnitieerde ‘war on terror’. In twee buurlanden zijn voor Iran vijandige regimes verwijderd; Saddam Hussein in Irak en de Taliban in Afghanistan. Iran speelt handig in op de ontstane machtsvacua. De invloed van Iran in Irak, waar tweederde van de bevolking ook sjiitisch is, is aanzienlijk. In het zuiden van Irak zitten sjiitische bondgenoten van Iran in stadsbesturen en veiligheidsdiensten. Het stikt er bovendien van door Iran getrainde en gefinancierde milities. Ook in het soennitische centrale deel van Irak en het Koerdische noorden laat Iran zich gelden, zij het minder opvallend. Na de terugtrekking van Syrië uit Libanon afgelopen voorjaar, is Iran de grootste buitenlandse invloed geworden in de vorm van Hezbollah.

Amerika kan niets doen
Voor de VS lijkt Iran niet bang te zijn. Tijdens de islamitische revolutie van 1979 sprak Ayatollah Khomeini al de beruchte woorden: “Amerika kan niets doen!” En het was waar. In november 1979 gijzelden studenten medewerkers van de Amerikaanse ambassade in Teheran en hielden hen bijna anderhalf jaar vast. De VS stonden machteloos. De boodschap van Iran was duidelijk.

Welvaart
Economische sancties knepen Iran af, maar tegenwoordig vaart het land wel door olieopbrengsten, die goed zijn voor 200 miljoen dollar per dag. Iran heeft nu een begrotingsoverschot van 25 miljard dollar. Hoe meer internationale onrust over het Iraanse atoomprogramma en een eventuele aanval, hoe groter de zorg over de wereldwijde olievoorziening, hoe hoger de olieprijs en de inkomsten van Iran. Door deze rijkdom kan Iran het zich veroorloven om zijn middelvinger op te steken naar Amerika en Europa.
Wel vreest Iran voor zijn nationale veiligheid als er een regionale wapenwedloop ontstaat. Turkije en Saudi-Arabië hebben te kennen gegeven ook het bezit van kernwapens na te streven als Iran een atoombom heeft. Die oorlogsdreiging heeft economische onzekerheid tot gevolg, waardoor miljarden dollars naar het buitenland wegvloeien.

Iran is onstuitbaar. Stopzetting van het atoomprogramma zal Iran er niet van weerhouden zijn invloed in de gedestabiliseerde regio verder uit te breiden. De IAEA kan de kwestie doorverwijzen naar de VN-Veiligheidsraad, maar Iran heeft al sancties doorstaan en die maken geen indruk meer. Bovendien heeft Iran met zijn oliebronnen een sterke troef in handen. President Ahmadinejad dreigde zaterdag nog met het dichtdraaien van de oliekraan. Voor een Amerikaanse aanval hoeft Iran niet te vrezen, de VS hebben hun handen al vol aan buurland Irak. De vrees is dat Iran met een kernbom de wereld kan gijzelen, maar in feite doet het land dat nu al.

Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.

zaterdag 24 september 2005

Vroeger, toen hip-hop nog leuk was

Nu zelfs je oma het modewoord urban in de mond neemt, kan het geen kwaad om eens terug te blikken naar de begindagen van hip-hop, toen het nog een straatcultuur was en MTV nog niet eens bestond.

12 November 1974 noemt Afrika Bambaataa als de officiële geboortedatum van hip-hop. Waar hij deze accuratesse op baseert is onduidelijk, maar het is wel in deze tijd dat DJ Kool Herc met zijn mobiele soundsystem spontane feesten hield in de parken in de New Yorkse achterbuurt South Bronx en hip-hop uitvond.

“Hip-hop was set out in the dark, they used to do it out in the park”, rapte MC Shan in The Bridge, een ode aan de subcultuur in 1987. Voor het gemak deed Shan aan geschiedvervalsing en gaf hij zijn wijk Queensbridge in de borough Queens de credit van het uitvinden van hip-hop. Het kwam hem op een fikse uitbrander van Bronxite KRS-One te staan (de legendarische beef tussen KRS’ Boogie Down Productions en Shans Juice Crew). In zijn antwoord South Bronx (1987) gaf KRS verder inzicht in hoe die eerste feesten zich voltrokken: “Power from the street light made the place dark.”

Het was in deze periode dat Jamel Shabazz door New York pendelde met zijn Canon AE-1 camera en de opkomende straatcultuur vereeuwigde. Deze zomer verscheen zijn tweede boek A Time Before Crack, waarin tientallen van zijn foto’s, gemaakt tussen 1975 en 1984, verzameld werden. We zien tieners gekleed in old skool Adidas-trainingspakken, Lee-spijkerbroeken, leren jassen met bontkraag, met aan hun voeten Puma-gympen met dikke, gekleurde veters en op hun hoofd een Kangol-zonnehoed. Ze kijken in de camera van achter hun gigantische Cazal-brillen en poseren met hun ghettoblasters. Veel bravoure, maar geen ‘thugs’.

Iets uit niets
Shabazz is niet de enige fotograaf die de jonge jaren van hip-hop vastlegde op de gevoelige plaat. Vorig jaar verscheen Hip-Hop Files - Photographs 1979-1984 van Martha Cooper. In 1985 verwierf Cooper al in beperkte kring, maar wel wereldwijd, faam met haar boek Subway Art en de documentaire Style Wars. Beide werken gelden als ijkpunten. Hier is het allemaal begonnen. De kanslozen uit de ‘Boogie Down Bronx’ creëren met niets, vanuit het niets, iets. Graffiti is slechts één van de creatieve uitingen die vrijkomen uit de armoede. Samen met breakdance, DJ-ing, en het rappen vormt graffiti uiteindelijk de basis voor een vorm van zelfexpressie die niets kost, uit alle hoeken en gaten inspiratie put en dit herschikt en omvormt tot een nieuw geheel: hip-hop.

Crack
Shabazz en Cooper tonen hip-hop in zijn jeugd, nog vol onschuld. Die onschuld is tevens de scherpe afbakening van A Time Before Crack. In 1985 overspoelde crack de zwarte getto’s van Amerika. De goedkope, synthetische cocaïne trof de toch al arme en schier leefbare binnensteden ‘harder dan een vuistslag van Mike Tyson’, schrijft kunstenaar/schrijver/fotograaf James “Koe” Rodriguez in het slotwoord van A Time Before Crack. De onbedorven kinderen op Shabazz’ foto’s transformeerden in meedogenloze criminelen en graatmagere, tandenloze straathoertjes die bevielen van verslaafde baby’s die ze vervolgens verkochten voor een nieuwe fix. Bijna van de ene op andere dag waren de tijden voorgoed veranderd. Jonge zwarten spraken elkaar niet meer aan met ‘brother’ maar met ‘nigga’. Hele wijken veranderden in platgebrande oorlogsgebieden, compleet met het geweld dat normaal is in de Gazastrook maar ongehoord voor het machtigste land ter wereld dat mensen op de maan zet. De verwoesting documenteerde Shabazz in zijn debuut Back in the Days (2001).

Gangsta rap
Niet toevallig verandert midden jaren tachtig ook het geluid van hip-hop. De zorgeloze discosound van de Sugarhill Gang moest plaatsmaken voor de snoeiharde mokerbeats van L.L. Cool J en de loeiende gitaarriffs van Run-DMC. Niet langer rapten de MC’s over hun unieke talent om elk feest te laten slagen. In de South Bronx rapte de toen nog dakloze KRS-One over crack en drugsdealers, vanuit Philadelphia verhaalde Schoolly D over zijn bende de Park Side Killers en cocaïne en in Los Angeles vertelde Ice-T over bendeoorlogen tussen de Bloods en Crips. Gangsta rap was geboren.

Liefdevol en rauw
A Time Before Crack en Hip Hop Files zijn terugblikken op een tijdsperiode die bepalend was voor de cultuur, maar kan net zo goed worden gezien als een steunbetuiging aan alle kansarme citykids waar ook ter wereld. Ook zonder Hummer en je bek vol bling bling kun je plezier maken en respect afdwingen: voor een ‘turtle’ heb je aan een kartonnen doos voldoende en een mooie piece maak je met ‘geleende’ spuitbussen. De foto’s van Shabazz en Cooper zijn liefdevol en rauw tegelijk. Liefdevol omdat het de jeugd laat zien zoals ze is. Puur en zonder bijbedoeling. Rauw omdat het straatjeugd is. Niet iedereen zal het waarderen wanneer hij niet naar buiten kan kijken doordat de metroramen door liefdevolle jeugd volgespoten zijn. De energie spat van alle foto’s af. New York City-stylee op zijn best. We zien foto’s van breakers op kartonnen dozen, schrijvers rennend over metrowagons en vrolijke gezichten op de befaamde blockparties.

De onbedorvenheid van hip-hop zoals die naar voren komt in het werk van Shabazz en Cooper, wekt nostalgische gevoelens op. Nu hip-hop is geannexeerd door MTV en winstbeluste platenmaatschappijen die de muziek uithollen met kant en klare formules van seks, geweld en bling, is het nuttig om te zien hoe rijk de hip-hop-cultuur in werkelijkheid is. Vergis je niet, hip-hop is meer dan alleen rap, voor jong zwart Amerika is het alles dat ze kennen en hebben, de dagelijkse realiteit, de lucht die ze inademen. Ooit begon hip-hop met kansarme jongeren die middels een do-it-yourself-attitude hun leven zin wilden geven en hun eigen plaats in deze verdorven wereld probeerden te verwerven. Of, om het aloude graffiti-credo te gebruiken: Make your mark on society, not in society!

Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl. Co-auteur: Mayko Bakker

vrijdag 9 september 2005

Seventies-seks met `Frank & Eva'

De seksuele revolutie volgens Pim en Wim.

De jaren zeventig, veel mensen denken er met warme nostalgie aan terug. De jaren zeventig was het tijdperk van de seksuele revolutie. De jaren zeventig waren ook het tijdperk van Pim en Wim, ofwel de filmmakers Pim de la Parra en Wim Verstappen, die met Blue Movie en Frank en Eva een eigen kleine revolutie ontketenden.

Een schokgolf ging door Nederland toen in 1971 Blue Movie uitkwam. Hugo Metsers speelt zedendelinquent Michael, die na zijn gevangenisstraf in een flat in de Bijlmer komt te wonen. Terwijl hij achter tralies zat is de seksuele moraal in de samenleving ingrijpend veranderd. Iedereen doet het nu met iedereen. Michael gaat met iedere vrouw in het gebouw naar bed en uiteindelijk groeit het appartementencomplex uit tot één grote seksindustrie.

Blauwdruk
Door de expliciet in beeld gebrachte seks (zelfs met de blik van tegenwoordig gaat het nog ver) werd Blue Movie in een mum van tijd beroemd en berucht. De film trok zo'n 2,5 miljoen bezoekers en staat daarmee nog steeds in de top 3 van de succesvolste Nederlandse films. De filmkeuring werd om zeep geholpen. Retrospectief bezien is Blue Movie wellicht de blauwdruk voor de Nederlandse film, die door de jaren heen een reputatie verwierf door zijn hoge seksgehalte. Zeker is dat de eigenzinnige en uitgesproken Pim en Wim in de jaren zeventig de voorhoede van de Nederlandse cinema vormden.

Seks bracht geld in het laatje, dus Blue Movie kreeg een vervolg met VD, Frank en Eva en Alicia. In Frank en Eva is de hoofdrol opnieuw weggelegd voor Hugo Metsers. De welgeschapen Frank is niet in de wieg gelegd voor trouw en gaat met elke vrouw naar bed die hij kan krijgen. Verder wordt Frank elke avond dronken in het café van Lex Goudsmit en uit hij de leegte van zijn bestaan in nepzelfmoorden. Eva is inmiddels zwanger van Frank en wil vastigheid. Dat levert natuurlijk problemen op.

Frank en Eva staat bol van de seks, die evenals in Blue Movie confronterend in beeld wordt gebracht. Zo naait Frank Eva 'helemaal kapot' tot ze 'niet meer kan lopen', vingert Frank een dame in het café en neukt hij Sylvia Kristel 'full frontal' onder de douche. Functioneel naakt is het allerminst, de onanie van Pim en Wim druipt ervan af. Overigens kwamen ze daar ook eerlijk voor uit, Verstappen verklaarde dat hij hield 'van de geur van seks op de set'.

Vrije seks bestaat niet
Maar zowel Blue Movie als Frank en Eva zijn meer dan een reeks seksscènes waar een verhaaltje omheen is verzonnen. Pim en Wim onderkennen het plezier van vrije seks en brengen er zelfs een ode aan, maar ze maken duidelijk dat het plezier slechts oppervlakkig is. Het rondneuken heeft uiteindelijk voor alle betrokkenen desastreuze gevolgen. Vrije seks bestaat niet omdat seks niet vrijblijvend is. Als het op liefde, menselijk contact en verantwoordelijkheid aankomt, falen Hugo Metsers' personages in zowel Blue Movie als Frank en Eva: als Michael de vrouw van zijn dromen (Carrie Tefsen) heeft is hij impotent en Frank kan zich niet binden aan Eva maar hij kan ook niet zonder haar. En verwijst de naam van het bedrijf VD uit de gelijknamige film niet naar 'venereal disease', het Engelse woord voor geslachtsziekte?

Frank en Eva heeft niet de onbekommerde lach-of-ik-schiet-lol van de Tiroler sekskluchten. De ondertoon is zwaar en de film handelt over de morbide schaduwzijde die seks kan hebben. Niettemin doet Frank en Eva terugverlangen naar de jaren zeventig, een periode lang vóór de normen en waarden-discussie van premier Balkenende, toen dit soort films nog gemaakt konden worden. Lang leve het Sodom en Gomorra!


Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl

maandag 15 augustus 2005

Miles Davis’ eerste kwintet - Vijftig jaar 'Round About Midnight


Miles Davis was als herboren toen hij terugkeerde in New York in het voorjaar van 1954. Tijdens een eenzame opsluiting op de boerderij van zijn vader in Illinois was hij op eigen kracht van zijn heroïneverslaving afgekomen. Miles borrelde over van de energie en nieuwe ideeën.

Lees ook:


Davis was door zijn heroïneverslaving zo goed als afgeschreven. Hij wist dat hij het onderste uit de kan moest halen om het publiek weer voor zich te winnen. Waar Miles in het verleden door zijn drugsgebruik er met de pet naar gooide, had zijn spel een nieuwe intensiteit, passie en technische kwaliteit. Hij werkte hard aan zijn geluid en omringde zich met topmuzikanten als saxofonist Sonny Rollins, bassist Percy Heath en drummer Art Blakey. In 1954 nam Davis met wisselende bezettingen enkele sterke albums op voor Blue Note en Prestige, waaronder het meesterwerk Walkin’. Intussen bracht Capitol eindelijk Birth of the Cool uit, het historische cool jazz album dat Davis in 1949 en 1950 opnam met zijn nonet. Miles was op de terugweg naar de top en dat had het publiek in de gaten.

Newport
Miles consolideerde zijn comeback in juli 1955 op het Newport Jazz Festival. Op het laatste moment werd hij toegevoegd aan de All Star-band met onder meer Zoot Sims, Gerry Mulligan, Percy Heath, Connie Kay en Thelonius Monk. De combinatie van Miles met Monk was opmerkelijk; de twee hadden op kerstavond in de legendarische Rudy Van Gelder studio slaande ruzie gekregen. Niettemin vestigde Davis voorgoed zijn naam met een compositie van nota bene Monk: ‘Round About Midnight. Miles speelde zijn solo met gedempte trompet, wat zijn geluid zou gaan karakteriseren. De passie die Miles in solo legde deed het publiek aan de grond genageld staan. Hier werd geschiedenis geschreven.

“Iedereen ging uit z’n dak. Ik kreeg een staande ovatie. Iedereen keek me aan alsof ik een koning was”, schreef Davis in 1989 in zijn autobiografie. “Alle muzikanten daar behandelden me als een god, en dat allemaal om een solo die me lang geleden zo veel moeite had gekost om onder de knie te krijgen.”
Nu was Davis klaar om een eigen band te vormen. Als eerste rekruteerde hij drummer Philly Joe Jones, pianist Red Garland en bassist Paul Chambers. Nu zocht Miles nog een saxofonist naast hem. Sonny Rollins genoot zijn voorkeur, maar Rollins weigerde en liet zich opnemen om van de heroïne af te kicken.


Miles speelt 'Round Midnight met zijn tweede grote kwintet in Berlijn in 1967

John Coltrane
Philly stelde voor om de jonge, onbekende John Coltrane te vragen. Davis reageerde echter sceptisch. Hij herinnerde zich nog dat Coltrane het een paar jaar eerder aflegde tegen Sonny Rollins. Maar Davis zat omhoog en had snel een saxofonist nodig voor een engagement in Baltimore, en had door Rollins’ afwezigheid geen keuze. Philly belde Coltrane, die zijn vaste aanstelling bij toetsenist Jimmy Smith in Philadelphia vaarwel wuifde en zich maar wat graag bij het Miles Davis Quintet voegde, omdat hij bij Davis de kans kreeg zich te ontwikkelen. Het was in deze tijd dat Miles voor het eerst zijn reputatie vestigde dat hij een goede neus voor nieuw talent had. Paradoxaal genoeg kreeg hij tegelijk kritiek dat hij werkte met onbekende, beginnende muzikanten in plaats van ‘all stars’.

Het kwintet werd al snel een sensatie in de jazzscene. Jazzliefhebbers en hipsters dromden om Miles Davis en zijn nieuwe band te horen. In het publiek bevonden zich niemand minder dan Frank Sinatra, Tony Bennett, Ava Gardner, Elizabeth Taylor, Marlon Brando en James Dean.

Ongelofelijk
Davis was in zijn nopjes. Het kwintet speelde ‘sneller dan ik kon geloven, de muziek die we speelden was ongelofelijk”, schreef de trompettist in zijn autobiografie. “Het was zo bad dat me de rillingen langs het lijf liepen, en bij het publiek ook. Man, de shit die we in korte tijd speelden was beangstigend, zo beangstigend dat ik mezelf moest knijpen om te zien of ik er wel echt bij was.”

Het Miles Davis Kwintet keerde de jazz binnenstebuiten. Miles’ vloeiende, ronde toon (vaak met demper) was een breuk met de heersende conventies. De trompettist was sterk beïnvloed door de pianist Ahmad Jamal, wiens lichte en harmonieuze spel de tenen van de jazzpuristen deed krommen. Zij schreven de pianist af als een ordinaire cocktailbarpingelaar, maar Davis bewonderde echter Jamals raffinement, understatement, beheersing en gebruik van ruimte. Hij instrueerde zijn pianist Red Garland dan ook om in de stijl van Jamal te spelen.

Ook de ritmesectie van het kwintet viel op, die functioneerde als een strakke eenheid terwijl ze individueel en autonoom musiceerden. Bassist Paul Chambers ontplooide technieken in zijn spel die nooit eerder in de jazz waren toegepast, zoals het gebruik van de strijkstok. Drummer Philly Joe Jones zou met zijn ‘Philly lick’, een rimshot op de vierde tel, nog generaties na hem beïnvloeden.

De grootste ster van het firmament was John Coltrane. Hij was vrijwel onbekend, maar maakte razendsnel naam. Zijn introspectieve spel had geen precedent of referentiepunt. Coltranes geluid contrasteerde bovendien mooi met Miles’ coole toon, en stuwde Miles’ spel tot grote hoogten. Het was even wennen, maar Coltranes stijl sloeg in als een bom en het was duidelijk dat men hier te maken had met een grootheid.

Columbia
Newport had Miles’ carrière in de lift gebracht. Een van de getuigen van Miles’ historische solo op ‘Round About Midnight was George Avakian, de jazzproducer van Columbia. Hij frequenteerde in het najaar van 1955 ook de Café Bohemia in Greenwich Village, een hippe club waar het kwintet een vast engagement had. Columbia wilde zijn magere jazzstal uitbreiden en Miles Davis was de man die ze zochten. Voor jazzmuzikanten was een contract met Columbia een droom; kleine jazzlabeltjes als Blue Note en Prestige konden hun artiesten niet veel geld bieden en Columbia kon dat wel. Bovendien vond Davis dat Prestige hem onderbetaalde. Van Columbia kreeg hij een voorschot van 4000 dollar, plus een jaarsalaris van 300.000 dollar. Dat is vet voor artiesten maar – nog steeds - ongekend voor jazzmuzikanten.

Davis wilde maar wat graag in zee met Columbia. Maar hij zat nog vast aan zijn contract met Prestige. Labelbaas Bob Weinstock wilde zijn paradepaard niet kwijt, en Avakian wilde de rijzende ster graag onder zijn vleugels nemen. Daar moest dus een fikse afkoopsom uitonderhandeld worden. Na maandenlang getouwtrek was de uitkomst dat Davis genoeg materiaal voor vier albums voor Prestige zou opnemen.
In twee marathonsessies werden Steamin’, Workin’, Cookin’ en Relaxin’ opgenomen. Het materiaal was gevarieerd; het kwintet speelde populaire stukken als If I Were A Bell (uit de musical Guys and Dolls), maar ook pure jazzcomposities als Oleo van Sonny Rollins. Wat er op papier uitziet als een haastklus, klonk in werkelijkheid allerminst als een contractuele verplichting. Het vierluik behoort nog altijd tot de beste platen van Miles en de jazz als geheel.

In oktober 1956 dook het kwintet voor het eerst de Columbia-studio in voor de opnames van ‘Round About Midnight. De titel is niet toevallig gekozen; waarschijnlijk wilden Davis en Columbia het momentum van Newport maximaal uitbuiten. Het ingetogen, gevoelige openingsnummer ‘Round Midnight, waarin Miles’ trompet lijkt te fluisteren, is ‘vintage’ Miles. Het album was een stap vooruit voor het kwintet wat betreft verfijning van hun composities. De band was door maandenlang optreden volledig op elkaar ingespeeld.

Flamboyant
In deze tijd begon Miles Davis zich steeds meer te profileren als een flamboyante persona. Op de hoes van ‘Round About Midnight schijnt een rode spotlight op de trompettist, die peinzend en strak in het pak gestoken poseert met een hippe zonnebril en zijn trompet. De boodschap is duidelijk: Miles is een en al klasse. Als geen ander besefte Davis dat muziek en talent alleen geen platen verkoopt, imago is minstens zo belangrijk. Om zijn dandyimago te versterken gebruikte Miles zijn ruime voorschot van Columbia om dure kleren en een witte Mercedes Benz te kopen.

“Ik kleedde me weer heel goed: pakken van Brooks Brothers en op maat gemaakte Italiaanse pakken”, schreef Miles in zijn autobiografie. “Ik herinner me dat ik er op een avond zo gelikt uit zag dat ik mezelf in de spiegel stond te bewonderen. Harold Lovett [Davis’ manager] was erbij. Ik moest die avond optreden en hij ging mee. Dus ik zei tegen hem: ‘Man, I’m cleaner than a motherfucker in this blue suit.’ Hij knikte en ik voelde me zo goed dat ik de deur uit ging zonder trompet. Met opgeheven hoofd liep ik de deur uit en Harold riep: ‘Hé Miles, denk je dat ze je clean in de Bohemia willen zien zonder trompet?’ Man, wat moest ik lachen.”

Davis ontwikkelde zich tot een keiharde onderhandelaar die hoge gages uit optredens sleepte en eisen durfde te stellen aan zijn klanten. Davis’ hautaine gedrag leidde ook tot irritaties. Vooral zijn gewoonte om met zijn rug naar het publiek te spelen of van het podium te lopen tijdens solo’s van zijn bandleden, viel niet in goede aarde. Miles wuifde de kritiek weg door te zeggen dat hij geen entertainer was maar een simpelweg een trompettist, en dat hij de aandacht van het publiek voor de solo’s van zijn bandleden niet wilde afleiden met zijn aanwezigheid.

Een onbedoelde factor in Miles’ image was zijn stem. De trompettist moest begin 1956 een gezwel aan zijn strottenhoofd operatief laten verwijderen. De artsen adviseerden Davis zijn stem enkele weken niet te verheffen, maar het noodlot wilde dat hij ruzie kreeg met iemand uit de muziekindustrie en hem uitkafferde. De rest van zijn leven had Miles zijn legendarische schorre stem.

Scheuren
Binnen het kwintet begonnen zich de eerste scheuren te vertonen. Miles was clean, maar de rest van de band ging zich te buiten aan drank en drugs. Dat drukte op de prestaties van het kwintet. Leden kwamen te laat of helemaal niet opdagen voor optredens, of hun spel was ondermaats. Uiteraard irriteerde dat Davis. In oktober 1956 kwam het tot een uitbarsting. John Coltrane kwam voor de zoveelste keer te laat voor een concert in het Café Bohemia en op het podium stond hij te knikkebollen van de heroïne. Miles kon zich niet beheersen en in de kleedkamer gaf hij Coltrane een klap in zijn gezicht en sloeg hem in zijn maag. Thelonius Monk was hiervan getuige en zag zijn kans schoon om de inmiddels gevierde saxofonist een plaats in zijn band aan te bieden.

Davis vervulde zijn verplichtingen aan Café Bohemia door Coltrane te vervangen door Sonny Rollins, die inmiddels uit de afkickkliniek was. In het najaar van 1956 ontbond hij het kwintet tijdelijk, ook omdat hij deel uitmaakte van een Europese tournee van prominente jazzmusici. Na zijn terugkeer in de VS aan het eind van het jaar herenigde Davis het kwintet. De oude problemen speelden echter al gauw weer op en in april 1957 ontsloeg Miles John Coltrane en Philly Joe Jones definitief. Sonny Rollins volgde Coltrane op. Philly werd vervangen door Art Taylor. Miles’ eerste grote kwintet was niet meer. De band werd een jaar later wel herenigd als sextet met saxofonist Julian ‘Cannonball’ Adderley erbij en nam het klassieke Milestones op. Maar Miles was, zoals altijd, alweer verder aan het kijken.

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.