Posts tonen met het label jazz. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jazz. Alle posts tonen

dinsdag 26 mei 2026

Miles 100: Op de radio over 'Electric Miles'

Miles Davis in 1987.
(Foto: Wikimedia Commons/Dr Jean Fortunet)

De legendarische trompettist Miles Davis (†1991) zou vandaag, 26 mei 2026, zijn 100ste verjaardag hebben gevierd. 

Ik ben deze week te gast in het radioprogramma Jazznotes van Arjan Klaver om te praten over Miles’ omstreden én visionaire elektrische periode vol woeste experimenten met rock en funk in de jaren 70. Want Miles werd geroemd en geprezen als 'De Grote Vernieuwer' en de 'Picasso van de jazz', zijn experimenten met rock en funk gingen veel jazzcats toch te ver. Maar die bleken tot ver buiten de jazz invloedrijk: in de post-punk, noiserock en EDM.

De uitzending is zondagavond 31 mei 20:00 te horen op NH Gooi en dinsdagavond 2 juni en vrijdagavond 5 juni om 22:00 op Eemland1.


Meer lezen over Miles?

donderdag 23 april 2026

Billy Cobham: Less is more

Billy Cobham (Foto: Anton Antonov)

Billy Cobham was in de jaren 70 vermaard om de rollende donder die hij vanaf zijn gigantische drumstel afvuurde op zijn toehoorders. Maar nu hij de 82 jaar bijna aantikt, zegt hij juist te streven naar eenvoud. ‘Ik speel minder noten, maar wel de juiste noten.’

Met zijn gespierde, stuwende spel injecteerde Cobham begin jaren 70 een stevige dosis rockenergie in de jazz. Hij pionierde de fusion met Miles Davis op het baanbrekende Bitches Brew (1970) en Jack Johnson (1971), waarop hij op zijn drumstel een ritme slaat als een dansende bokser in de ring. Cobham vormde met gitarist John McLaughlin het toonaangevende Mahavishnu Orchestra.

Daarna begon Cobham een succesvolle solocarrière. Zijn finest hour is zijn debuutalbum Spectrum uit 1973, met daarop zijn signature song Stratus, een favoriet van Prince waarmee His Royal Badness graag zijn liveshows opende. Samples van Stratus werden dankbaar gebruikt – van Mantronix tot Massive Attack.

Lees het interview bij Jazzism

vrijdag 10 oktober 2025

Gary Bartz: ‘Jazz is een scheldwoord’

Gary Bartz (links) en ik, 8 november 2025.

 

Jazzveteraan - excusez le mot - Gary Bartz speelde met grootheden als Miles Davis, Art Blakey en Charles Mingus. De saxofonist is nog steeds niet kapot te krijgen en vierde onlangs zijn 85ste verjaardag met een nieuw album. In november komt hij voor twee optredens naar Nederland.


Lees ook:


Om met de deur in huis te vallen: Gary Bartz heeft een broertje dood aan jazz. Niet aan de muziek natuurlijk, maar aan het woord. “Jazz is van oorsprong een scheldwoord. Deze grootse muziek verdient het niet om een scheldwoord als naam te hebben”, legt de eigenzinnige muzikant uit, via een videoverbinding vanuit zijn huiskamer in Emeryville bij Oakland, Californië. Met zijn lange krulhaar in een paardenstaart op zijn rug en een donker shirt, kleedt de muzikant zich thuis eenvoudiger dan de picobello pakken die hij op het podium draagt. “Jazz betekende zoveel als ‘pussy’, neuken. Het werd populair in de sekshuizen van New Orleans, dus jazz was bordeelmuziek. ‘Ik ga naar de jazzclub voor jazz’, hield dus in dat je naar de hoeren ging. Het is een negatief woord dat ik niet accepteer, nooit. Het is net zoiets als het woord ‘nigger’. Max Roach ging zelfs met je op de vuist. Ik noem het gewoon muziek.”

Vraag aan professor Bartz dus nooit of hij je wil leren hoe je jazz speelt, als je student bent aan het Oberlin College & Conservatory in Ohio, een van de oudste gemengde universiteiten in de VS met een lange historie van activisme. “Dan zeg ik: ik weet niet wat jazz is, maar ik kan je wel saxofoon leren spelen, en hoe je muziek en solo’s componeert en akkoorden speelt. Jazz is een woord en ik speel geen woorden, ik speel muziek.”

vrijdag 6 december 2024

Miles Davis’ Agharta & Pangaea: Out with a bang

Miles Davis

Gekweld door hevige pijn nam Miles Davis in 1975 op één dag liefst twee live-dubbelalbums met superheavy muziek op. Agharta en Pangaea werden zijn laatste platen van het decennium. Daarna trok hij zich vijf jaar terug als een kluizenaar in een hel van drank en drugs.


Lees ook:

Het is een wonder dat Miles Davis in 1975 nog speelde. De 48-jarige trompettist leed hevige pijn door zijn versleten heup, die regelmatig uit de kom schoot. Miles wist dat hij een operatie nodig had, maar leefde in een staat van ontkenning, en probeerde zijn pijn voor de buitenwereld te verbergen. Pijnstillers en drank hielden hem op de been. Hij was kortademig door knobbels op zijn stembanden, daarom speelde hij minder trompet en meer toetsen. Zijn heupproblemen speelden weer op doordat Miles in 1972 achter het stuur in slaap was gevallen en zijn Lamborghini in de prak had gereden, waarbij hij zijn enkels brak. Daarbij leed Davis ook nog aan sikkelcelanemie.

Miles’ statuur was in ‘75 niet meer wat het geweest was. De ‘Grote Vernieuwer’ werd altijd geprezen als de ‘Picasso van de jazz’, maar schijnbaar moest het niet te gek worden. De jazzcats die de fusion-bigbang Bitches Brew (1970) nog het voordeel van de twijfel gaven, waren na de kakofonische streetfunk van On The Corner (1972) afgehaakt. 

In de prestigieuze lezerspolls van het jazzblad Downbeat moest Miles zijn voormalige bandleden Weather Report, Herbie Hancock en Keith Jarrett voor zich dulden. Bitches Brew werd dan wel een gouden plaat na vier jaar, Hancocks Headhunters haalde die status al binnen enkele maanden. 

Waardeloze herrie

De jazzwereld had Davis afgeschreven. Hij zou artistiek opgebrand zijn en waardeloze herrie maken. Dat Miles niet meer werkte met aanstormende supertalenten van het kaliber John Coltrane of Bill Evans, die daarna ook geen rol van betekenis in de jazz meer speelden, vonden de criticasters veelzeggend. “Niet in de jazz inderdaad, maar bijvoorbeeld gitarist Reggie Lucas heeft Madonna’s eerste lp geproduceerd”, haalt Paul Tingen dat verwijt onderuit. Hij is de auteur van Miles Beyond, het eerste boek waarin Davis’ elektrische periode serieus wordt geanalyseerd. Bassist Michael Henderson kwam uit de band van Stevie Wonder en Pete Cosey speelde als sessiegitarist bij Chess Records met o.a. Muddy Waters en Howlin’ Wolf.

Agharta
Miles’ muziek werd, veelal door jaloerse collega’s, gezien als commerciële uitverkoop voor een jong rock- en funkpubliek. Maar ook voor hen was het te weird. Deze radicale muziek was moeilijk commercieel te noemen. Het paste nergens tussen. Miles Davis gaf zelfs de heaviest heavymetalbands het nakijken. De lange jams waren ongeschikt als radioformat. Het is de meest verafschuwde band van zijn toch al controversiële elektrische periode, tegelijk wordt Agharta gezien als zijn beste werk uit deze tijd. In een hoek waar je het niet direct zoekt spitste men de oren: in de post-punk en noiserock lieten Julian Cope en Sonic Youth zich inspireren door platen als Agharta


Epische prestatie

Getuige de hoeveelheid (radio- en tv-)opnames, was er in Europa en Japan meer waardering voor Davis’ elektrische werk dan in Amerika. De Japanners onthaalden Miles Davis enthousiast toen hij in januari 1975 begon aan zijn drie weken durende tournee. De twee optredens die de band op 1 februari gaf in Osaka werden gedocumenteerd op de albums Agharta (het matineeconcert) en Pangaea (het avondconcert). Het is verbluffend dat Miles, zeker als je zijn gezondheidsproblemen (tot overmaat van ramp kreeg hij ook nog een longontsteking en een bloedende maagzweer) in beschouwing neemt, het voor elkaar kreeg om twee optredens op één dag te geven, met zulke extreme en schijnbaar totaal verschillende muziek. Het is al even curieus dat deze epische prestatie altijd zo onderbelicht is gebleven, maar dat zegt alles over hoe controversieel en ondergewaardeerd Davis’ rockfase is.

vrijdag 19 april 2024

Charles Lloyd: Spiritual Man

Charles Lloyd. (Foto: Dorothy Darr)


Ooit was Charles Lloyd de rockster van de jazz. Tegenwoordig leidt de 86-jarige saxofonist als een soort boeddhistische monnik een teruggetrokken leven op een Californische berg, om zich in alle rust toe te wijden aan zijn muziek.


Lees ook:

Charles Lloyd in concert is een transcendentale ervaring. Op deze vrijdagavond de 24e november 2023 in de hagelwitte Philharmonie Luxembourg, is het alsof Lloyd de muziek onttrekt aan Moeder Aarde, zoals een boom water uit de grond haalt om de bladeren aan zijn takken te laten ontspruiten, zo vloeien de noten door zijn lichaam en handen, en stromen ze uit zijn saxofoon. 

Lloyd is een natuurmens, beaamt hij 2,5 maand later via Zoom vanuit zijn huis buiten Santa Barbara.

“De dieren en de vogels communiceren met mij. Ik woon midden in de natuur, op een berg, met uitzicht op de zee. Er zitten hier veel dieren: herten, wasberen, jaguars. Het is een soort natuurreservaat”, vertelt de muzikant, omringd door schilderijen van zijn vrouw, de kunstenares Dorothy Darr.

“Toen ik nog een jongen was woonde ik bij mijn grootvader op het platteland in Mississippi, zo’n 70 kilometer onder Memphis, waar ik ben opgegroeid”, vervolgt Lloyd. “Hij had een grote boerderij met 600 hectare land waar ik kon rondrennen en spelen. Er waren boomgaarden met fruit. Zo ben ik opgegroeid. Toen werd ik geraakt door muziek en besefte ik dat het mijn roeping was om muzikant te worden.”

Memphis is a powerful place… Phew… Boy, ik word overweldigd door herinneringen”, zegt Lloyd ontroerd. “Sorry, ik dwaal af.”

"Ik ben nog steeds dronken van de muziek"

Lloyd spreekt zoals hij sax en fluit speelt, en misschien ook wel in de natuur bij zijn huis wandelt: abstract en wijdlopig (for lack of a better word, niet oneerbiedig bedoeld). Hij slaat zijpaden in, soms lijkt hij te verdwalen maar hij komt altijd aan op de plaats van bestemming. Soms ben je dan zelf al vergeten welke vraag je ook alweer stelde.

vrijdag 14 oktober 2022

Brian Jackson: eindelijk aan de beurt

Brian Jackson. (Foto: Christopher "Puma" Smith)

Brian Jackson treedt uit de schaduw van zijn voormalige strijdmakker Gil Scott-Heron met een nieuw solo-album.

Lees ook:

  • Gil Scott-Heron: het zwarte geweten

  • Of Brian Jackson vindt dat hij altijd over het hoofd is gezien? “Zeker, Gils schaduw was larger than life. Toen ik jong was, was ik erg verlegen, stil en onopvallend. Ik wilde graag de boodschap dienen. Maar er zijn nog veel meer mensen die hebben bijgedragen, zoals Malcolm Cecil en de leden van de Midnight Band”, reageert Jackson via Facetime vanuit zijn huis in Portland, Oregon, waar de New Yorker tegenwoordig woont.

    Godfather of rap

    This is Brian Jackson, luidt de titel van zijn nieuwe plaat. Alsof hij een introductie behoeft. Als muzikale wederhelft van spoken word dichter en zanger Gil Scott-Heron (1949-2011) schreef Jackson in de jaren 70 muziekgeschiedenis met intelligente protestliederen als The Revolution Will Not Be Televised, een aanklacht tegen consumentisme verpakt in een briljant, geestig en opzwepend spervuur van reclameslogans. De proto-rap wordt gezien als een voorloper van de hip-hop en leverde Gil Scott-Heron de eretitel van ‘godfather of rap’ op. 

    Hoe invloedrijk hun muziek is gebleken verwondert de 69-jarige Jackson nog altijd. “We borduurden voort op onze eigen invloeden. We waren leerlingen. Ons enige doel was om muziek te maken die van hetzelfde kaliber was, als een eerbetoon. Er waren andere artiesten die vóór ons kwamen die wij ook ‘sampelden’: Clark Terry, Oscar Brown Jr., Amiri Baraka, Leroy Jones, The Last Poets, The Watts Prophets. Wij waren slechts een onderdeel van die beweging.”  



    Zijn naam mag dan niet zo zijn blijven hangen in ons collectieve geheugen, This is Brian Jackson maakt duidelijk hoe belangrijk zijn rol was. De muziek klinkt vertrouwd en verwant aan Winter in America en Bridges, de monumentale jazzfunk-albums die hij maakte met Gil Scott-Heron. Niet zo verwonderlijk, verheldert Jackson. “Ik heb twee oude demo’s gebruikt. Het zijn opnames van Gil en mij uit de periode 1976-1979 waar ik aan werkte in de studio downtime. Deze twee demo’s waren nog in de beste staat. De nummers waren zo goed als af, we hebben hier en daar wat extra instrumentatie toegevoegd.”

    Welke nummers oud en nieuw zijn, mogen we van Jackson niet verklappen. “We willen een wedstrijd uitschrijven of mensen het kunnen horen”, lacht hij. 

    vrijdag 17 juni 2022

    Hermeto Pascoal: Universele muziek

    Hermeto Pascoal (midden). (Foto: Gabriel Quintao)

    Hij is zo oud en ziet eruit als Methusalem, maar op zijn 85ste doet Hermeto Pascoal het niet rustiger aan. De Braziliaan tourt nog de hele wereld over en komt ook naar Amsterdam.

    ‘O Bruxo’, de tovenaar, wordt hij eerbiedig genoemd. De bijnaam dankt Hermeto Pascoal (85) niet alleen aan zijn Merlijn-achtige verschijning met een grote baard en lange witte manen. De autodidactische Braziliaanse componist en multi-instrumentalist is misschien een genie, maar zeker een fenomeen. 

    Al in zijn kindertijd manifesteert hij zich als een bijzonder muzikant. Hermeto Pascoal werd geboren op 22 juni 1936 in een muzikale familie, in een snikheet landbouwgebied in het noordoosten van Brazilië, waar de arme bevolking probeert te overleven met tabaksteelt. Het platteland is een inspirerende omgeving voor een muzikaal wonderkind om op te groeien. Hoewel Hermeto als albino met een kwetsbare huid niet goed tegen de blakende Braziliaanse zon kan, was de jongen altijd in de natuur te vinden. Van de takken van de wonderolieboom maakte hij zelf fluitjes. Omdat er geen elektriciteit was, en geen radio, luisterde Hermeto naar de vogels en de kikkers. En zij naar hem.

    In de smederij van zijn grootvader knutselde Hermeto zijn eigen instrumenten in elkaar, gefascineerd door de verschillende toonsoorten die hij kon maken met stukken metaal in allerlei soorten en maten.

    Pascoal kan elk voorwerp omtoveren tot een instrument en maakt muziek met theepotten, knuffelberen en zelfs zijn baard. In de documentaire Sinfonia do Alto Ribeira (1985) staat Pascoal tot zijn borst in een jungle rivier Música da Lagoa te spelen, waarbij hij zijn dwarsfluit onder water steekt om de noten om te buigen. Voor Hermeto hoeft zijn band niet louter uit mensen te bestaan, ook met dieren kan hij muziek maken. Op zijn composities zijn varkens en kikkers te horen, of hij speelt fluit met de vogels in de dierentuin. 



    vrijdag 8 april 2022

    On The Corner: de meest gehate jazzplaat aller tijden wordt 50


    On The Corner (1972) van Miles Davis wordt de meest gehate jazzplaat aller tijden genoemd. Een halve eeuw later is het album toch een invloedrijk werk gebleken. ‘Moet ik wachten tot je wél zover bent, motherfucker?’


    Lees ook:

    Miles Davis zat niet goed in zijn vel in 1972. Het stuklopen van zijn relatie met Marguerite Eskridge, ongeveer gelijktijdig met de geboorte van hun zoon Erin, was een mokerslag. De belastingdienst deed moeilijk. Davis’ gezondheid begon hem in de steek te laten. Miles moest met lede ogen toezien hoe zijn voormalige bandleden, met wie hij aan de wieg stond van de fusion met het baanbrekende album Bitches Brew (1970), hem in verkoopcijfers waren voorbij gestreefd. 

    Davis was niet te spreken over de richting die fusion op ging: te veel virtuositeit, te weinig gevoel. Maar hij had de bruggen naar de jazz achter zich verbrand. 

    "Ik wil een zwarte horen zeggen:‘ik hou van Miles Davis'" 

    Het was een tijd van Black Power, en het zat Davis niet lekker dat hij nauwelijks speelde voor mensen met zijn eigen huidskleur. Miles, nu halverwege de veertig, constateerde dat de zwarte jeugd niet meer naar jazz of naar hem luisterde, maar naar James Brown en Sly and the Family Stone. Tijd voor een koerswijziging. ‘Ik speel niet voor blanken, man’, zei Davis tegen Melody Maker. ‘Ik wil een zwarte horen zeggen: ‘ik hou van Miles Davis.’’

    vrijdag 8 oktober 2021

    Jaco Pastorius: basrevolutionair

    Jaco Pastorius met zijn tweede vrouw Ingrid in de kleedkamer tijdens een Japanse tournee in 1980. (Foto: archief Peter Erskine)

    Jaco Pastorius’ big bang op de bas galmt bijna 35 jaar na zijn dood nog altijd na. Op 1 december zou hij 70 jaar zijn geworden. Vrienden en kenners aan het woord over een muzikaal fenomeen.

    “My name is John Francis Pastorius III, and I’m the greatest bass player in the world.”

    “Get the fuck out of here!”

    Zo verliep de eerste kennismaking tussen Jaco Pastorius en Joe Zawinul. Het was het najaar van 1974, backstage na een concert van Zawinuls fusiongroep Weather Report in Miami. 

    In zijn thuisstaat Florida wist men al wat voor vlees ze in de kuip hadden, maar daarbuiten was Jaco nog onbekend. Zawinul kon niet bevroeden dat deze opschepperige ‘beach bum’ niet blufte, en twee jaar later met zijn verbluffende titelloze debuutalbum, zijn sfeerbepalende spel op Joni Mitchells Hejira én als bassist van zijn eigen Weather Report een schokgolf door de muziekwereld zou laten gaan die vergelijkbaar was met de tsunami van 2004. 

    Jaco trok met een nijptang de frets uit de hals en herschreef de natuurwetten van wat mogelijk was op een (fretloze) basgitaar. Er is elektrische bas vóór en bas na Jaco Pastorius. De bas was niet meer slechts onderdeel van de ritmesectie in de achtergrond, maar kleurde de muziek. Jaco’s uit duizenden herkenbare sonore, soepele bas klonk als de paringsdans van baltsende bultruggen in de diepzee waar de laatste lichtstralen door de duisternis priemen. Met zijn flamboyante verschijning en spectaculaire stage show werd Jaco de rockster van de jazz en katapulteerde hij Weather Report van de jazzclubs naar de stadions.

    Tekening die Jaco Pastorius maakte van Joe Zawinul in 1978. (archief Peter Erskine)

    “I’m the greatest bass player in the world”; het werd Jaco’s opkomst én zijn ondergang, zijn zegen en zijn vloek. De druk om die legende sessie na sessie, concert na concert waar te maken werd ondraaglijk. Met het succes kwamen de drank, drugs en psychische problemen, die leidden tot stukgelopen huwelijken. Het werd een vicieuze cirkel van geestelijke wanhoop. De geheelonthouder Jaco in Florida veranderde in de junk en alcoholist Jaco in New York. Zijn excentrieke gedragingen werden bizar wangedrag. Jaco begon optredens te saboteren, soms zo erg dat de politie traangas moest gebruiken om de woedende menigte uiteen te drijven. Zijn misdragingen werden zo ernstig dat de hoge bazen Jaco de toegang tot het kantoor van Warner Bros. verboden. Hij mocht zijn eigen kinderen niet meer zien, waardoor Jaco nog dieper in de fles dook. Hij raakte aan lager wal en zelfs dakloos, moest starnakel dronken zijn kostje bij elkaar schrapen als straatmuzikant.

    Het kon niet anders dan dat het tragisch zou aflopen. Op een kwade dag liep Jaco tegen de vuisten aan van een nachtclubuitsmijter met een zwarte band in vechtsport. Hij werd in coma geslagen en stierf tien dagen later, op 21 september 1987, slechts 35 jaar jong. Precies de leeftijd die hij zelf had voorspeld.

    vrijdag 10 augustus 2018

    Gevonden voorwerpen: John Coltrane

    John Coltrane op Schiphol in oktober 1963. (Foto: Hugo van Gelderen/Anefo)

    John Coltrane was astronomisch productief tijdens zijn korte maar orkaankrachtige carrière. Zelfs een halve eeuw na zijn dood duikt er nog onbekend werk op.

    Op 6 maart 1963 dook Coltrane met zijn ‘classic quartet’ (met drummer Elvin Jones, pianist McCoy Tyner en bassist Jimmy Garrison) de fameuze Rudy Van Gelder Studio in New Jersey in. De opnames belandden bij platenlabel Impulse op de plank, en werden later wegens ruimtegebrek vernietigd. Ware het niet dat Coltrane altijd een kopie mee naar huis nam. De band lag vervolgens meer dan veertig jaar op zolder te verstoffen. In 2005 zou de opname onder de hamer gaan, maar Impulse greep in en kocht de tape van de erven-Coltrane.

    Nog eens dertien jaar later kan ook de rest van de wereld de sessie beluisteren op Both Directions At Once: The Lost Album. Een mooie aanleiding om eens over John Coltrane (1926-1967) te praten met jazzsaxofonisten Hans Dulfer en Yuri Honing en jazzkenner Hans Mantel.

    Het verloren album

    Yuri Honing:Both Directions At Once is een heel goede plaat. Het kwartet is mijns inziens Coltrane’s beste tijd, hij zit tussen zijn emplooi bij Miles Davis en zijn vrije periode. Het zijn de laatste jaren dat hij nog binnen de harmonieën speelt. Daarna ging hij vrij spelen en daar is hij nooit goed in geworden. Coltrane was gewoon een harmonische speler.”

    Hans Mantel: “Het is geen plaat die ze voor de markt gemaakt hebben. De richting en het conceptuele is niet zo duidelijk.  Ik heb het idee dat Coltrane de studio indook om voor de bibliotheek wat op te nemen, om het later terug te luisteren of om te kijken hoe een idee werkt. Daarom staan er meerdere versies van Impressions op. Hij is aan het zoeken, moet dat op tenor of sopraan? Het geeft een inkijkje in hoe creatieve muzikanten dingen doen. Coltrane zoekt naar wat hij kon doen om nog een hit als My Favorite Things te krijgen. Vandaar dat ze Nature Boy spelen, al trekken ze die helemaal uit zijn voegen.  Impressions was een vorm waarop hij zijn ding goed kon doen, bij liveconcerten speelde hij dat twintig minuten lang. Op een plaat krijg je dat niet goed voor elkaar, niemand gaat een hele kant naar Impressions luisteren. Dan moet je een vorm vinden waarin je het kort en krachtig kan zeggen, maar die combinatie van kort en krachtig kom je bij Coltrane weinig tegen, hij wilde het graag compleet vertellen. Ze zochten een vorm om dat op een plaataantrekkelijke manier zo veel mogelijk te exploreren zonder dat het twintig minuten ging duren.”



    Hans Dulfer: “Ik hoor een goede opname en alles van Coltrane uit die tijd is prachtig, gigantisch, fantastisch. Je hoort dat hij met nieuwe dingen bezig is. Het is een puike sessie. Hij speelt  nummers van zeven of negen minuten, wat al heel lang is voor een lp. Maar ik heb een opname van Nature Boy uit 1965 die wel 25 minuten duurt.  Hij was de boel aan het verlengen, maar op plaat kon dat niet. Dus wat hij in de studio deed was een bijgepunte versie van wat er in werkelijkheid gebeurde. Het is geen perfecte weergave van wie hij was. De historische waarde van dit album vind ik dus niet zo groot. Ik ben tegen de manier waarop het gebracht wordt, dat het de ontbrekende schakel zou zijn. Dit is een hype. Ik hoor een fantastische opname van Coltrane, maar het is niet van uiterst belang. ”

    Mantel: “Dat je Coltrane hier op een kruispunt van zijn carrière zou horen, vind ik een veel te romantische kijk. Waarom mensen dat zeggen, is omdat we weten dat hij daarna heel andere dingen is gaan doen. Ik vraag me af of mensen dat ook hadden gezegd als we dat niet hadden geweten. Het is aan de muziek niet zo erg te horen. Het is vooral een logische stap. Maar de historische waarde is buitengewoon, elke plaat van Coltrane moeten we uitgebreid bestuderen.”



    vrijdag 13 april 2018

    Chet Baker: universele kracht

    Chet Baker in België, 1983. (Foto: Michiel Hendryckx)

    In een zwoele voorjaarsnacht maakte een val uit een hoofdstedelijk hotelkamerraam dertig jaar geleden een einde aan het leven van Chet Baker. Heaven herdenkt de jazztrompettist  met zijn voormalige bassist Hein van de Geyn, zijn biograaf Jeroen de Valk en jazzkenner Hans Mantel.

    Laten we het niet alleen over zijn drugsgebruik hebben, benadrukken de geïnterviewden voor dit artikel. Sigmund Freud was ook aan de drugs en die ging de geschiedenis in als de grondlegger van de psychoanalyse, niet als junk. Dus waarom moeten we het bij Chet Baker altijd over de drugs hebben?

    Natuurlijk is zijn astronomische drugsgebruik niet los te zien van de muzikant. Het  maakte zowel deel uit van zijn aantrekkingskracht, als dat het zijn leven en loopbaan overschaduwde. Hij bracht zelfs een jaar achter de tralies door in Italië. Chet leidde een nomadisch bestaan, leefde van fix naar fix en van optreden naar optreden, nam met allerhande muzikanten die hij onderweg tegenkwam platen op. Een enorm oeuvre maar van wisselende kwaliteit. Chets carrière was een eindeloze reeks comebacks. Tot zijn ontzielde lichaam in de nacht van 12 op 13 mei 1988 voor de deur van Hotel Prins Hendrik in Amsterdam werd aangetroffen. Een tragisch einde aan het al even dramatische leven van een van de grootste jazztrompettisten die heeft bestaan.

    Zijn carrière was een eindeloze reeks comebacks

    Begin jaren ’50 maakte Chet Baker (1929) aan de Amerikaanse westkust school met een nieuw geluid.  In de tijd van de notenfietserij van de bebop maakte Chet snel naam met  zijn unieke fluwelen sound en sobere, bezielde solo’s. Hij kon best zijn spierballen laten zien, getuige zijn samenwerkingen met Charlie Parker en Gerry Mulligan, maar de krachtpatserij van de bebop was aan Chet niet besteed:  “Het lijkt wel alsof mensen maar in drie dingen geïnteresseerd zijn: hoe snel, hoe hoog en hoe hard je kunt spelen.” De cool jazz maakte opgang en met zijn ingetogen spel was Chet Baker het boegbeeld. Chet was bovendien een verdienstelijk zanger en sprak zo een publiek buiten de jazz aan. Zijn wilde levensstijl en zijn looks maakten van Chet de James Dean van de jazz. Hollywood lonkte, maar Chet koos voor de muziek.

    Genie

    Hans Mantel: “Chet Baker was buitengewoon muzikaal, buitengewoon talentvol en een zeer spectaculaire, grote lyricus en jazzmuzikant. Hij was geen systeemspeler, zoals John Coltrane een methode had uitgezocht op basis waarvan hij improviseerde. Alles ging op zijn oren en gevoel. Dat geeft een soort eerlijkheid en een soort direct vanuit het hart naar buiten zonder dat het eerst langs het hoofd gaat. Dat overrompelt en is van een ontroerende schoonheid.”

    Jeroen de Valk: “Chet raakte je hoofd en je hart. Je hoofd omdat hij zo avontuurlijk speelde, zijn solo’s waren nooit hetzelfde. Chet raakte je hart omdat er zo veel melodie was en vanwege de toon. Als hij in goed vorm was, was het allemaal zo raak. En dan tilde hij de hele band op.”

    Hein van de Geyn: “Ik heb meegemaakt dat Chet iets helemaal fout speelde, maar zo sterk speelde dat het leek of de ritmesectie fout zat. Zijn logische kracht om een idee weg te zetten was zo sterk. Dat karakteriseert Chet Baker. Zijn streetwise musical truth is stronger than any fucking thing else.”

    Hans Mantel: “Chet Baker klonk alleen maar als Chet Baker. Er is aan zijn spel niet te horen wie hem beïnvloed heeft. Je kunt aan Freddie Hubbard goed horen dat hij uit Dizzy Gillespie komt en aan Woody Shaw kun je horen dat hij uit Hubbard komt. Chet Baker is wat dat betreft uniek. Er zullen wel voorbeelden zijn geweest, maar die zijn niet onversneden in zijn spel gekomen. ”

    Hein van de Geyn: “Chets  genialiteit was een combinatie van een groot natuurtalent en een sterke persoonlijkheid. Hij had enorme bezieling en was eager om het succesvol te laten zijn, ondanks het feit dat hij zich enorm verloor in zijn levensstijl. Ik kom regelmatig mensen tegen met zulk talent, maar de meesten komen er niet omdat ze niet die eagerness hebben om door te douwen. Ze blijven aan de bar zitten van een jazzclub  en doen niks met hun talent.”


    Chet in Laren, 1975

    dinsdag 18 oktober 2016

    Eric Ineke: Eerbetoon aan Dexter Gordon


    Veertig jaar nadat hij met de meester zelf speelde, vond Eric Ineke (69) het tijd voor een ode aan jazzsaxofonist Dexter Gordon (1923-1990). Morgenavond brengt de drummer met zijn kwintet stukken van Gordon ten gehore in de Observant in Amersfoort, op slechts een paar straten van de plek waar de grootheid in 1963 zelf speelde.

    Lees ook:



    Een eerbetoon lijkt nodig, want het jazzicoon ontbreekt nog wel­eens in de lijstjes met de allergrootste jazzmuzikanten. ,,Hij is zeker niet in de vergetelheid geraakt, muzikanten als Dexter Gordon blijven altijd'', werpt Ineke, zelf een van Neerlands meest vooraanstaande jazzslagwerkers, tegen. ,,Misschien is hij in de VS wel een beetje uit het zicht geraakt, omdat hij in de jaren zestig naar Europa verhuisde. In Europa is hij altijd in the picture gebleven. Door de film 'Round Midnight (1986), waarin hij de hoofdrol speelde (goed voor een Oscarnominatie), is hij ook in Amerika in ere hersteld.''

    Onderschat
    Gordons verdiensten moeten volgens Ineke niet worden onderschat. ,,Dexter ontwikkelde de taal van de bebop naar de tenorsax. Hij was een van de eersten die bebop op de tenorsax speelden. Charlie Parker was de grondlegger van de bebop, maar hij speelde alt en Dexter tenor.''

    'Dexter ontwikkelde de taal van de bebop naar de tenorsax'

    Bij zijn studenten aan het Koninklijke Conservatorium Den Haag ziet hij nog altijd het belang van Dexter Gordon. ,,Ik ken heel veel jonge jazzmuzikanten die nog steeds naar hem luisteren. Dexter was ook van grote invloed op John Coltrane, in zijn oude opnames hoor je dat duidelijk.''

    De flamboyante jazztrompettist Miles Davis schreef in zijn autobiografie dat Dexter Gordon hem leerde dat het belangrijk was om goed gekleed te gaan. Herman Leonards foto van Dexter Gordon in de Royal Roost in 1948, waarop hij een sigaret rookt met zijn sax op schoot en de rook boven zijn hoofd kringelt, is misschien wel de meest iconische jazzfoto ooit gemaakt.

    Ineke bracht onlangs de cd Dexternity uit met stukken van Dexter Gordon. In de jaren 70 was hij diens vaste drummer tijdens de Europese tournees van de saxofonist, die toen in Kopenhagen woonde. Volgende maand verschijnt de lp Fried Bananas, een oude opname van de VPRO van een optreden van Gordon uit 1972 in Heemskerk met Ineke op drums en diens partner in crime Rein de Graaff op piano.

    Timing
    Ineke leerde veel van Gordon. ,,Hij had een bijzondere timing, hij speelde altijd achter de beat. Ik moest daar in het begin wel aan wennen. Ik had eerder met Hank Mobley gespeeld, die had het een klein beetje, maar Dexter speelde wel heel lui. Als drummer moet je daar niet in meegaan, anders krijg je geen magie. Je moet boven op de beat zitten, stuwend spelen, los maar toch strak.''

    De illustere Gordon was als persoon heel toegankelijk, herinnert Ineke zich. ,,Zoals hij in de film 'Round Midnight was, was hij in het echt ook. De manier waarop hij liep en praatte. Dat relaxte uitte zich ook in zijn spel, dat spelen achter de beat, de laidback time. Dexter gedroeg zich niet als een star, dat had hij helemaal niet nodig, want hij was een grote personality.'' Letterlijk, want Dexter Gordon was 1 meter 98 en dat leverde hem de bijnaam Long Tall Dexter op.

    'Dexter hoefde zich niet als een star te gedragen, want hij was een grote personality'

    Warme herinneringen koestert Ineke aan Gordon. ,,In Wuppertal begeleidden we een zangeres. Ze zong een ballad en ik wilde het klein houden, dus ik had mijn brushes niet helemaal uitgeschoven. Op een gegeven moment boog Dexter zich naar me toe en hield zijn hand aan zijn oor en zei: 'Hey Ineke, open up those motherfuckers!'

    In 1983 speelde Gordon met zijn band op North Sea Jazz, en ik speelde met mijn groep in een andere zaal. Ik wilde Dexter nog snel gedag zeggen, voordat ik op moest. Ik rende naar de Jan Steenzaal - het festival was toen nog in het Congresgebouw in Den Haag. Er was een lange gang van de artiestenbar naar de uitgang waar de artiesten naar hun hotel konden gaan. Ik rende door die lange gang en kon nog net zien dat Dexter aan het andere eind de deur uit ging. Ik riep hem en hij draaide zich om en schreeuwde terug: 'Ineke! S.O.S.! Same Old Shit!' Na al die jaren was er nog niks veranderd.''



    Dexter Gordon ~ Night In Tunisia [1964] door madafonka2

    Twee jazzreuzen in Amersfoort

    Twee jazzgiganten speelden op 10 november 1963 in bardancing In den Poortwal in Amersfoort: Dexter Gordon en Rahsaan Roland Kirk. Het optreden was georganiseerd en werd gefilmd door de AVRO (zie video hierboven). 

    Om de intieme sfeer van een jazzclub te creëren en vanwege de nabijheid van Hilversum, had regisseur Theo Ordeman - die een jaar eerder tv-geschiedenis schreef met Open het Dorp - zijn oog laten vallen op de Poortwal, een van de eerste bar-dancings in de regio. Gordon speelde een vlammende versie van de standard A Night in Tunisia. 


    ,,Dexter is in grote vorm'', oordeelt saxofonist en vriend Hans Dulfer. ,,Als ik de opnames terugzie, ben ik zeer onder de indruk van de muziek'', zegt Daniel Humair, de Zwitserse drummer die Gordon en Kirk in de Poortwal begeleidde. Het optreden is verschenen in de dvd-serie Jazz Icons en wordt in de pauze van het concert van Eric Ineke Jazz­Xpress vertoond. 


    De 'godfather van de Britse blues' John Mayall speelde ook ooit in de Poortwal, maar van oude glorie is niets meer over. Eigenaren Ties en Greetje van Ram­selaar, toen ook uitbaters van De Grote Slok, zijn al jaren dood. Het pand aan de Achter de Arnhemse Poortwal, waar als laatste café het Doktertje in zat, werd in 2001 gesloten. Het maakt een vervallen indruk.

    In den Poortwal: vergane glorie.


    Dit artikel verscheen eerder in AD Amersfoortse Courant.

    woensdag 3 augustus 2016

    Bob James: verguisd en vereerd

    Met Bob James in de North Sea Jazz Club, 9 augustus 2016.

    In jazzkringen geniet Bob James een omstreden reputatie, maar in de hiphopwereld geldt hij als een ware held. Een exclusief interview met The Godfather Of Smooth Jazz: “Is de muziek van Mozart soms niet gladjes?”

    “Rappers zien me als legende. Soms staan ze versteld dat ik nog leef. In hun optiek stammen mijn platen uit de prehistorie”, weet Bob James, de blanke toetsenist, componist en arrangeur, die door zijn voorkomen van een universitair docent een onwaarschijnlijke hiphop-held is. “Omgekeerd heb ik geen hoge pet op van hiphop. Ik hoor zelden iets dat ik echt goed vind. Ik houd van alles dat creatief en fris is, maar hiphop vind ik doorgaans simplistisch en saai. Ik kan het niet uitstaan als iets zich eindeloos herhaalt zonder ontwikkeling en raffinement.”

    Kerstkind Robert McElhiney James (76)  zag in eerste instantie een toekomst als studiomuzikant voor zich. Begin jaren zeventig werkte hij als arrangeur voor CTI, het label van Creed Taylor dat met George Benson, Grover Washington, Jr. en Deodato aan de wieg stond van de souljazz en jazzfunk. “Creed was zo aardig mij een soloplaat te laten maken. Ik greep die gelegenheid aan om allerlei dingen uit te proberen, in de hoop zo meer arrangeerklussen binnen te halen. Het commerciële succes van One,dankzij de cover van Roberta Flacks hit Feel Like Makin' Love, veranderde op slag mijn leven. Ik had echt nooit gerekend op een solocarrière.”



    Hiphop
    De funky grooves van One uit 1974 en opvolger Two van een jaar later bleken zo’n decennium na dato een uitstekende basis voor rap te vormen. Zo werd Take Me To The Mardi Gras vaste prik op de vroege hiphopfeesten in de Bronx en behoort Nautilus tot de meest gesamplede stukken aller tijden. “Eerlijk gezegd heb ik niet veel aandacht besteed aan het opnemen van Nautilus. We spreken nu van lang voor het cd-tijdperk. De beste stukken zette je aan de buitenkant van de lp, want daar had je beste geluidskwaliteit vanwege de bredere groef. Het laatste nummer op de B-kant was bijgevolg meestal een albumvullertje. Niet dat ik Nautilus een wegwerpnummer vond, hoor, daarvoor was de groove toch te lekker.”

    Het eenvoudige, repeterende thema leende zich bij uitstek voor een loop, zodat Nautilus zijn weg vond naar de basiscollectie van talloze rapproducers. “Het is een aanstekelijke groove, ja”, beaamt James. “Ik kwam de studio binnen met niets meer dan dat baslijntje en dat pianomotiefje, de rest hebben we ter plekke geïmproviseerd. Later heb ik er nog een strijkersarrangement bij geschreven. De Oberheim synthesizer in het intro deed Creed denken aan het geluid van een onderzeeër, vandaar de titel Nautilus.”



    vrijdag 15 april 2016

    Miles Davis: Altijd alles anders

    Miles Davis tijdens zijn laatste concert in Nederland op het North Sea Jazz Festival in juli 1991, twee maanden voor zijn dood. Foto: Peter Buitelaar/Wikimedia Commons

    “Ik moet veranderen, het is een vloek.” Deze uitspraak van Miles Davis definieert zijn muzikantschap. Meerdere keren veranderde hij de koers van de jazz: de notenspierballerij van de bebop beantwoordde de trompettist met de ontspannenheid van de cool. Met Kind of Blue zette hij de toon voor de modale jazz, om vervolgens zelfs een brug te slaan naar de popmuziek.

    Lees ook:



    Regels waren aan Miles Davis niet besteed. Hij stopte met zijn studie aan het prestigieuze conservatorium Juilliard: daar leerden ze je te spelen zoals het hoort, dodelijk voor muziek. In de jazzclubs van Harlem, daar leerde je pas echt muziek spelen. “Wees niet bang om fouten te maken, die bestaan namelijk niet.” Hij had een neus voor jong talent als John Coltrane en Herbie Hancock, die later zelf toonaangevend werden. Zijn belangrijkste les? “Speel niet wat er staat, speel wat er niet staat.”

    'Speel niet wat er staat,             speel wat er niet staat'

    90 jaar zou hij op 26 mei zijn geworden. En dit jaar is het ook 25 jaar geleden dat de iconische trompettist overleed, op 28 september 1991. Er wordt weleens beweerd dat de ontwikkeling van de jazz stopte toen Miles Davis stierf. Wat is een kwart eeuw na zijn dood nog zijn betekenis? Heaven vroeg het aan vier prominenten uit de Nederlandse jazzwereld: connaisseur en contrabassist Hans Mantel (57), saxofonist Hans Dulfer (75) en trompettisten Eric Vloeimans (53) en Saskia Laroo (56).

    Zijn mooiste album

    Mantel: “Als ik één plaat zou selecteren, zou ik vijftien andere moeten deselecteren. In de periode van het eerste tot en met het tweede grote kwintet hoor je het vieren van creatieve vrijheid en het constant willen verzetten van de bakens. Bij het eerste kwintet is Miles heel duidelijk de baas, die de jonge John Coltrane de ruimte geeft. Dat is spectaculair. Later bij het tweede kwintet, met Wayne Shorter, Herbie Hancock, Tony Williams en Ron Carter, zijn alle vijf de jongens hard bezig. Dat is een ander soort energie. Ook die Draufgängigkeit, dat zoeken naar nieuwe dingen vind ik geweldig. Ik onderscheid meerdere sterke kwintetten: zoals de tussengroep met George Coleman, Ron Carter, Frank Butler en Victor Feldman op Seven Steps To Heaven (1963). Verder werd bij de samenwerkingen met Gil Evans, bijvoorbeeld op Sketches Of Spain (1960), 2 + 2 niet 4, maar 7.”

    Dulfer:On The Corner (1972), We Want Miles (1982) en You’re Under Arrest (1985). Zijn opvatting van spelen is de beste manier om jazz te spelen: niet repeteren, maar gewoon meteen opnemen.”

    Laroo:Ascenseur Pour L’Échafaud (1958). Vanwege de fantastische, melancholische sfeer. Het was een van de eerste platen die ik van hem hoorde. Ik had hem te leen en gaf hem nooit meer terug. Op een gegeven moment kreeg ik hem toen maar cadeau.”

    Vloeimans: “Heb ik niet. Stom, hè? Als ik een favoriete plaat zou opnoemen, zou ik de rest tekort doen. Die man heeft zó veel gedaan en zó veel stromingen beïnvloed.”


    Ascenseur pour l'Échafaud

    Zijn sterkste kant

    Mantel: “Miles heeft de loop van de muziek twee of drie keer eigenhandig veranderd. Het duurde even voor hij besefte dat hij niet het soort trompettist was dat met vuurwerk én heel hoog, snel en hard kon spelen. Hij realiseerde zich dat hij het anders moest aanpakken dan anderen. Miles deed iets heel slims wat hij bij oude meesters gezien had: als de muziek om je heen verandert en moderner wordt, dan omring je je met mensen die daar iets mee te maken hadden. In zijn eerste kwintet had je een ijl trompetje met niet te veel noten, en daar zette je als contrast zo’n tenor als Coltrane naast. En al die ritmesecties waren altijd ontzettend goed georganiseerd, zo soepel en zo licht spelend.”

    Dulfer: “Miles had altijd geweldige muzikanten om hem heen, maar die wel heel goed op hem letten. Ik heb zag hem ooit op North Sea Jazz. Zijn tenorsaxofonist speelde fantastische solo’s en Miles liep een beetje op het podium heen en weer. Hij deed af en toe met zijn handen iets op de keyboards en eens in de zoveel tijd zette hij zijn trompet aan zijn mond, richtte die naar de grond en speelde wat. Maar de meeste mensen zagen niet dat hij met de ene hand trompet speelde en met de andere hand achter zijn rug een klein beweginkje deed, en dan startte een van de muzikanten een waanzinnige riff. Zij letten de hele tijd goed op hem.”

    Laroo: “Je moet als bandleider muzikanten om je heen verzamelen die jou intuïtief aanvoelen en meteen doen wat jij wil. Zonder je slaaf te zijn, maar met een eigen persoonlijke inbreng, zonder dat ze elkaar in de weg zitten. Dat deed Miles heel goed. Hij dirigeerde.”


    North Sea Jazz 1985

    Zijn  belangrijkste les

    Mantel: “Als je simpel speelt is dat altijd goed, maar dan wordt het wel des te meer zaak dat het swingt. Miles maakte ook veel gebruik van stilte en ruimte. Geen tweeduizend noten van één eurocent, maar één noot van twintig euro. En altijd voor contrast zorgen.”

    Dulfer: “Ik probeerde ook een beetje luxer voor te komen dan ik ben. Ik ben niet zo’n goede saxofonist, maar hoor heel goed als er iets nieuws aankomt en kan dat dan snel oppakken. En daar méér mee kan doen dan de mensen die met het origineel kwamen. ”

    Laroo: “Zijn klank heb ik me eigen gemaakt toen ik zestien was. Een vriend van mijn vader gaf me een cassettebandje met verschillende jazztrompettisten. Daar stond ook het nummer Someday My Prince Will Come op. Dat ging ik proberen na te spelen, want het klonk zo makkelijk en zo mooi. Ik ben zijn solo’s gaan uitschrijven en noot voor noot gaan naspelen. En wat zo raar was: als Miles een noot speelde was die mooi, terwijl het bij mij een gewone noot bleef. Ik ben dat gaan analyseren door goed naar zijn frasering en timing te luisteren. Heel leerzaam.”

    Vloeimans: “Ik was niet goed genoeg als trompettist, dus ik werd niet veel gevraagd toen ik van het conservatorium kwam. Ik wist niet welke kant ik op moest. Doordat Miles zijn eigen sferen creëerde, bedacht ik dat ik dat zelf ook moest gaan doen. Vanaf dat moment ging het bergopwaarts met mij. Miles is ook een voorbeeld voor mijn band Gatecrash. Hoe vermeng je diverse vormen met elkaar? Miles was op het eind eigenlijk geen jazzmuzikant meer, hij maakte universele muziek. Als je alleen maar één bepaalde muzieksoort speelt, moet je je aan de regeltjes van die soort houden. Dat is toch helemaal niet interessant, muziek moet je persoonlijk maken. Miles liet ook zien dat het er alleen maar om gaat hoe je het speelt, niet om wat je speelt.”


    Wenen 1973

    maandag 30 maart 2015

    José James: ode aan Billie Holiday


    Op de honderdste verjaardag van de legendarische Billie Holiday brengt José James, ‘een jazzzanger voor de hiphop-generatie’, een ode aan Lady Day met het coveralbum Yesterday I Had The Blues. “Zij is de meest ultieme jazzzangeres aller tijden.”

    Om maar met de hoes te beginnen: we zien jou op de Amsterdamse grachten. Wat is het idee en wat heeft dat met Billie Holiday te maken?
    “Er is eigenlijk geen verband. Ik trad op met het Concertgebouworkest en had fotografe Janette Beckman meegenomen. Zij is bekend van haar foto’s van rock- en hiphopartiesten en maakte foto’s van het orkest. Ik had een dag vrij en wilde de Amsterdamse grachten verkennen, en vroeg haar mee. Toen we de hoes moesten uitkiezen, ging het met om drie dingen. De Nederlanders waren de eersten die mijn muziek omarmden. Daarnaast wilde ik zo’n iconische Blue Note-hoes die verwees naar de bijzondere band die jazz altijd met Europa heeft gehad. Veel jazzmuzikanten, zoals Dexter Gordon, hebben er gewoond en Europa is altijd als een thuis voor jazz geweest. Deze hoesfoto leek me een mooie persoonlijke manier om dat te zeggen.”

    Wilde je zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke versies blijven?
    “Niet echt. Daarom wilde ik pianist Jason Moran erbij hebben, want hij geeft zo’n andere kleur aan de muziek. Hij heeft het eigentijds gemaakt. Tijdens de voorbereidingen heb ik het er met hem over gehad dat ik het wilde laten klinken als iets van dit jaar. Het moest een connectie hebben met de mensen die nu leven.”

    Toch is het je meest traditionele jazzplaat.
    “Absoluut. Sommige mensen vroegen of ik een album met beats wilde maken, maar dat voelde niet aan als een echt eerbetoon. De enige manier om te laten horen welke invloed zij in mijn leven gehad, was om het in een zelfde context te doen, met akoestische instrumenten.”

    Eer je Billie Holiday meer door zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven, of door het juist als vertrekpunt te gebruiken en er je eigen draai aan te geven?
    “Door ervan af te wijken. Het is makkelijker om de verschillen tussen Billie Holiday en mij te horen dan de overeenkomsten.”

    Billie Holiday was een heel intense zangeres. Was het moeilijk om dat te reproduceren?
    “Bij Billie Holiday ging het om emotie. Dat heb ik geprobeerd te vangen. Iedereen brengt zijn eigen geschiedenis en ervaringen in een standard in. Die zijn voor haar anders dan voor mij. De leidraad in haar muziek is haar eerlijkheid, dus ik moest mijn eigen eerlijkheid zien te vinden.”

    zaterdag 11 oktober 2014

    De eeuwige jeugd van Roy Ayers

    Met Roy Ayers in de kleedkamer van de North Sea Jazz Club, 26 augustus 2014.

    De liefhebbers die zich in de Amsterdamse North Sea Jazz Club verzamelen, hadden zijn kleinkinderen kunnen zijn. Met 74 jaar op de teller wordt Roy Ayers weliswaar wat strammer, zodra hij begint te spelen spetteren de noten als vanouds van zijn vibrafoon.

    Hoe kan het dat u nog steeds de jeugd weet aan te spreken?
    “Omdat het groovet. Dat stimuleert en motiveert jongeren. Al zo’n 40, 45 jaar spreek ik consequent  een nieuw publiek aan, met name in Londen.  Daar ben ik dankbaar voor, het is een eer.”

    U bent een van de meest gesamplede artiesten. Weet u nog de eerste keer dat uw muziek werd gebruikt?
    “Mijn zoon en dochter attendeerden me erop dat mijn muziek op de radio gedraaid werd, maar dan uitgevoerd door een andere artiest. Ik vroeg wie het was. Het bleek Mary J. Blige met My Life. Ze was er succesvol mee. En ze heeft iets moois heeft gemaakt met mijn sample. Ik vind het leuk om gesampled te worden. Ik zie het als respect.  Ze laten je weten dat ze van je muziek houden.”

    U ziet samplen niet als diefstal van uw muziek?
    “Nee, ze betalen er keurig voor. En het betaalt goed. Voor sommige samples krijg je meer dan voor anderen. Dat hangt af van de platenfirma. Sommige platenfirma’s betalen helemaal niks.”

    U heeft ook veel samengewerkt met rappers, bijvoorbeeld op het eerste Jazzmatazz-album van Guru. Wat vindt u zo goed aan hiphop?
    “Ze hebben goede beats, want ze samplen mij. Het is heel creatief, ze komen steeds met nieuwe ideeën. Dat is cool.”



    Beschouwt u zichzelf als een legende?
    “Nee. Ik ben gewoon een muzikant. En mijn muziek wordt gewaardeerd. Misschien ben ik een levende legende. Ik doe dit tenslotte al heel lang, ik ben inmiddels over de zeventig.”

    Miles Davis zei ooit: “Een legende is een oude man met een wandelstok die bekend is om wat hij heeft gedaan. Ik doe het nog steeds.”
    “Hahaha! Ik doe het inderdaad nog steeds en ik voel me nog uitstekend.”



    U begon in de jazz, maar stapte later over op jazzfunk en rhythm ’n’ blues. Kreeg u destijds veel kritiek van jazzpuristen?
    “Ja, maar het is allemaal mijn roots. Ik ben opgegroeid met jazz en rhythm ’n’ blues. Lionel Hampton had heel veel invloed op mij. Alles is samengekomen in de evolutie van Roy Ayers. Ik speelde al rhythm ’n’ blues toen ik op de middelbare school zat. Het interessante is dat ik in mijn jeugd graag naar James Brown luisterde, en later op hetzelfde label zat als hij. Het was een opwindende carrière.”

    Wat was uw repliek op al die kritiek?
    “Je moet geld verdienen om de huur te kunnen betalen. Het is net zo zwaar voor mij als voor jou. Of je nou een pop-, rhythm ’n’ blues-, jazzartiest of wat dan ook bent. Are you selling out?, vraag ik dan. Dan geven ze me gelijk. Je moet geld verdienen.”

    dinsdag 17 april 2012

    Ramsey Lewis: 'Geen idee hoe je uitverkoopt'

    Ramsey Lewis nadert langzaamaan de tachtig en brengt zijn tachtigste album uit waarop de jazzpianist zijn oude werk nog eens overdoet. Ramsey Taking Another Look is toch geen afscheid? “Hahaha! Nee hoor, helemaal niet”, stelt de vitaal klinkende Lewis me gerust.

    Ramsey Lewis (Chicago, 1935) begon op zijn vierde met pianospelen en begeleidde luttele jaren later al het kerkkoor waarvan zijn vader dirigent was. Toen hij als prille twintiger met zijn eerste trio debuteerde op de plaat, had hij zijn sporen al verdiend in de jazzscene van Chicago. Aan complexe hardbop waagde hij zich niet, zijn toegankelijke stijl was stevig geworteld in de rhythm & blues. Daarbij mocht hij graag aan de haal gaan met bekende songs en thema’s. Ramsey Lewis was de meester van de cover: die transformeerde hij geheel tot een eigen creatie. Zo scoorde hij in de tweede helft van de jaren zestig grote hits met covers van Dobie Gray's The In Crowd en de McCoys-kraker Hang On Sloopy. In de jaren zeventig legde Lewis zich toe op de toen in zwang zijnde jazzfunk. Herenigd met Maurice White, toen drummer van Earth, Wind & Fire, maakt hij het succesvolle album Sun Goddess. Twee decennia later bleek dat werk onder hiphoppers een dankbare bron voor samples, maar jazzcritici geven er tot op de dag van vandaag niet bepaald hoog van op. “MOR, easy-listening disco music”, moppert The Rough Guide to Jazz, terwijl de gezaghebbende Penguin Guide to Jazz, die toch ‘the first comprehensive, critical listing covering all jazz recordings currently available’ pretendeert te zijn, Lewis kennelijk niet relevant genoeg achtte om hem überhaupt op te nemen.

    Hoe kwam u eigenlijk op het idee voor Taking Another Look?
    “Eind 2010 in Japan suggereerde iemand dat ik weer met een kwintet ging spelen. Vervolgens kwam ik terug in de VS en toen zei iemand anders precies hetzelfde. Na de feestdagen heb ik wat jongens gebeld voor een jamsessie. Alleen om te kijken hoe het voelde, wat er zou gebeuren. We gebruikten nummers van Sun Goddess. We begonnen gewoon te spelen en mijn God dat voelde zó goed. Ik belde mijn vrouw op dat ik over een uur thuis zou zijn. Pas drie uur later kwam ik hijgend binnen. Mijn vrouw vroeg: wat is er aan de hand? Ik had zó veel plezier.”

    Wat voor nieuws heeft u aan de oude nummers toegevoegd?
     “De improvisatie en de ritmes. De tijd verandert de stukken. Charles Heath (drums) en Joshua Ramos (bas) speelden hiphop-patronen. Daardoor speelden wij onze solo’s op een andere manier.”




    Waarom heeft u uw trio van toen (met bassist Cleveland Eaton en percussionist Morris Jennings) niet gebruikt?
    “Cleveland Eaton doceert tegenwoordig in Alabama. En ik heb geen idee waar Morris Jennings tegenwoordig is. Ik weet niet of hij nog steeds in Chicago woont.
    Maar daarnaast wilde ik met een jonge band spelen. Joshua is 28, Charles is 34. Die gasten hebben zo veel energie. Dat heb ik geleerd van Miles Davis en Art Blakey. Toentertijd besefte ik niet waarom zij met jonge muzikanten werkten, zoals Art Blakey met Lee Morgan en Miles Davis met Herbie Hancock en Tony Williams. Maar nu begrijp ik dat dit een heel nuttige dimensie aan de muziek geeft: energie, nieuwsgierigheid, de wil om een stap verder te gaan, frisse ideeën. Ze proberen nieuwe dingen. Ze zitten nog niet vastgeroest. Ze hebben nog niet van: dit werkte goed, laat ik het weer doen. Ze zijn eager.”

    De critici vonden uw werk te commercieel. Wat vindt u van die kritiek?
    “De eerste zestien albums schreven de jazzcritici dat we een goed trio waren, een nieuw geluid hadden, we kregen veel steun. En op het zeventiende album zetten we een nummer, slechts één van de tien, The In Crowd. In eerste instantie vonden de jazzcritici dat prima. Dergelijke nummers hadden we ook op onze eerdere platen gezet. Maar na een maand of drie werden de critici kwaad op ons, omdat de verkoopcijfers richting popcijfers gingen. De plaat ging van de jazzlijsten naar de poplijsten en kwam tussen The Beatles en Elvis Presley te staan. En toen zeiden de critici opeens: he sold out. Welnu, hoe verkoop je uit? Veel van mijn vrienden spelen hardbop, en zij vragen zich dat vaak af. Als je een plaat maakt duim je ervoor dat mensen hem kopen. Soms lukt dat en soms niet. Ik weet niet hoe je moet uitverkopen.”

    woensdag 28 september 2011

    Remembering Miles: de ultieme muzikaliteit

    De trompet die Miles Davis op Bitches Brew zou hebben bespeeld (Hard Rock Cafe, Krakau, mei 2008). Of die claim waar is weet ik niet - Miles had een rode trompet met zijn naam er in gegraveerd.

    Vandaag 20 jaar geleden zag ik op het journaal dat Miles Davis was overleden. Ik was een puber van 14 en vond het musique de papa. "Ach, die ouwe lul", reageerde ik tot woede van mijn broer, een Miles-fan.


    Lees ook:



    Een half jaar later kwam mijn broer thuis met On The Corner. Het klonk in mijn prille oren als een kakofonie, maar die genadeloze, loeiende, overweldigende funk was onweerstaanbaar.

    Voor mij is Miles een muzikant die alles en iedereen overstijgt en overtreft. Het genie der genieën. Kun je nagaan: een gemiddelde revolutionair kan één revolutie op zijn naam schrijven, Miles meerdere. Hij was kampioen in het zichzelf voortdurend opnieuw uitvinden, en daarmee ook de jazz. Miles zocht altijd de grens op en haalde het uiterste uit muziek. Een rijkdom en inventiviteit die zeldzaam is. Miles is de ultieme muzikaliteit. Altijd ambitieus maar nooit pretentieus.

    Vernieuwingen dateren doorgaans, bij Miles niet. Hij was experimenteel zonder te vervallen in overstuurd, richtingloos gejengel. Geen pseudo-hip effectbejag met een bloedserieus gezicht. "If they act too hip, you know they can't play shit", zei Miles daar zelf over.

    Paradoxaal genoeg streefde Miles Davis altijd naar eenvoud. "As complex as people try to make my music out to be, I like it simple." Bij Miles ging het om spontaniteit en het proces. 

    Dat de muziek van Miles Davis 20 jaar na zijn dood nog altijd relevant is, spreekt wel uit het feit dat iedereen Kind of Blue in de kast heeft staan. Maar ook uit bijvoorbeeld het recente revisionisme van zijn verguisde elektrische werk uit de jaren '70. Miles is gek geworden, werd jarenlang gezegd. Nu ziet men het genie in en wordt de invloed op hiphop, dubstep en drum&bass onderkend. Die maffe muziek was zijn tijd ver vooruit en is vandaag de dag nog steeds vooruitstrevend.
    Het is niet uitgesloten dat Miles' jaren '80-platen eenzelfde herwaardering krijgen. Die werden wel eens spottend een Miami Vice-soundtrack genoemd (waarop Miles prompt een rolletje speelde in de populaire politieserie). Maar ook die muziek is bezield en barst van de muzikaliteit. Zelfs een minimalistische, klinische plaat als Tutu heeft wel degelijk een - verfijnde - ziel.

    Over wat er zo fantastisch is aan Miles Davis is alles wel gezegd en geschreven. Maar eigenlijk is Miles met geen pen te beschrijven. Elke poging klinkt flauw en afgezaagd, misschien wel omdat Miles precies het tegenovergestelde was (en ook dat is een cliché). En of hij zich vereerd zou voelen? "I know what I've done for music, but don't call me a legend. Just call me Miles Davis. A legend is an old man with a cane known for what he used to do. I'm still doing it." (...)

    Deze zin uit het gedicht Inamorata, voorgedragen door Conrad Roberts op Live-Evil, treft Miles het beste: "Who is this music that which description may never justify? Can the ocean be described?"



    Omdat Miles' muziek het beter kan zeggen dan ik, een eerbetoon in video's. Ik heb livemateriaal uit zijn elektrische periode uitgekozen (dus jaren '70 en '80), omdat dit mijn eerste kennismaking met Miles was en nog steeds mijn favoriete Miles-periode is.

    Dit artikel verscheen eerder op DePers.nl.

    zaterdag 28 mei 2011

    In memoriam: Gil Scott-Heron


    Een van de belangrijkste en meest ondergewaardeerde figuren uit de muziek is vrijdag heengegaan: Gil Scott-Heron, the godfather of rap. Gil overleed in een New Yorks ziekenhuis nadat hij na terugkeer uit Europa ziek was geworden. Hij werd 62 jaar.

    Lees ook:

    Gil Scott-Herons op percussieritmes voorgedragen gedichten waren van grote invloed op hiphop. Hij verwierf zodoende de eretitel godfather of rap - een titel waar hij overigens weinig om gaf, hij wees (gangsta) rappers op hun verantwoordelijkheid als rolmodel voor hun generatie. Publicist Dorian Lynskey vindt dat de titel hem tekort doet omdat het Gil Scott-Heron degradeert tot een onderdeel van een ander verhaal terwijl zijn eigen betekenis al groot is. Commercieel succes heeft hij nooit echt gekend, daarvoor waren zijn teksten veel te politiek, hij is altijd een cultheld gebleven. Maar nummers als The Revolution Will Not Be Televised, The Bottle, Home Is Where The Hatred Is, Pieces of a ManJohannesburg, Lady Day and John Coltrane en We Almost Lost Detroit zijn klassiekers geworden.

    Gil worstelde jaren met een chronische cokeverslaving en zat meerdere keren achter de tralies. Er waren onregelmatige optredens en nog sporadischer nieuwe platen.
    Vaak heb ik het voorbije decennium gedacht: deze tijd schreeuwt om een Gil Scott-Heron plaat. De twijfelachtige verkiezing van George W. Bush, 9/11, de leugens rond de inval van Irak, de oorlog in Afghanistan, Guantánamo Bay, de verkiezing van Barack Obama als eerste zwarte president van Amerika. Wie kon de politieke turbulentie beter van commentaar voorzien dan Gil Scott-Heron?
    In 2010 verscheen onverwacht zijn comebackalbum I'm New Here. Zou hij zich eindelijk hebben herpakt? Bij een optreden op North Sea Jazz kwam hij op het laatste moment niet opdagen. Het was een teken dat Gils evenwicht wankel was. In de recensie van I'm New Here schreef ik: "Hopelijk is dit slechts een opmaat naar meer, en is de volgende keer dat we weer van hem horen niet in de vorm van een arrestatie of een necrologie." Die vrees werd vrijdag helaas werkelijkheid.


    Naar aanleiding van zijn comeback schreef ik vorig jaar voor Heaven een uitgebreid overzichtsverhaal over Gil Scott-Heron.
    Op het Radio 6-webkanaal Grooves is Gil de hele week van 22:00 tot 23:00 uur te beluisteren.
    Een complete discografie van Gil Scott-Heron vind je in de All Music Guide.

    Als troost: Lady Day and John Coltrane

    dinsdag 17 augustus 2010

    Gil Scott-Heron: het zwarte geweten


    Vijftien jaar lang was Gil Scott-Heron vanwege een cocaïneverslaving van het toneel verdwenen. Niemand had nog gerekend op een terugkeer. Lang bleef hij niet. Een jaar na zijn comebackalbum I'm New Here (2010) overleed de godfather of rap. 

    (Dit artikel is in 2022 geüpdatet)

    Lees ook:

    We schrijven 1969, het hoogtepunt van de zwarte burgerrechtenbeweging. Een jaar eerder waren Martin Luther King en Robert Kennedy vermoord. De droom dreigde in duigen te vallen. De toon van het zwarte activisme werd radicaler.

    Gil Scott-Heron, zoon van de in Schotland legendarische Celtic-voetballer Gil Heron, was 20 jaar jong en studeerde literatuur aan Lincoln University in Pennsylvania, een prominente Afro-Amerikaanse universiteit. Daar ontmoette Gil de kunststudent Brian Jackson. Beide deelden een voorliefde voor een beroemde Lincoln-alumnus, de Afro-Amerikaanse schrijver Langston Hughes (1902-1967), en muziek.

    Hun eerste ontmoeting staat Brian nog helder voor de geest: "Ik zat in een van de repetitieruimtes van de muziekfaculteit piano te spelen. Een jongeman kwam binnen en stelde zich voor als Victor Brown. Hij vertelde dat hij ging meedoen aan een talentenjacht. Je kon 100 dollar winnen. Hij vroeg of ik wilde meedoen. Hij wilde het nummer God Bless The Child uitvoeren, of ik dat kende? Ja natuurlijk, van Billie Holiday. Maar hij wilde de versie van Blood, Sweat & Tears doen. Ik zei: je hebt geluk want dat is de versie die ik ken. 
    Toen vroeg ik of hij maar één liedje ging doen, dat was nogal ongebruikelijk. Hij zei dat hij nog een nummer ging doen, dat door een vriend was geschreven. Ik vroeg of ik het mocht horen, en Victor liep naar de repetitieruimte ernaast om zijn vriend te halen. En dat was Gil. 
    Het nummer heette Where Can a Man Find Peace, of kortweg Peace. Een schitterend lied, Victor zong het prachtig. Het staat op de heruitgave van Free Will, dat is een oude demo van onze band Black and Blues. Toen ze dat nummer voor me speelden werd ik omver geblazen. Ik had een hele trits songs waar ik teksten voor probeerde te schrijven, en dacht: wow, deze gozer is geweldig, misschien kan hij wat nummers voor mij schrijven. 
    Ik speelde een van mijn liedjes voor hem en we praatten over wat het voor mij betekende. Dat werd onze modus operandi. Als ik een nummer had geschreven, of een flard tekst of een hook, vertelde ik Gil wat het betekende en dan maakte hij het af. 
    Dit lied heette A Toast to the People. We waren zeer tevreden over het resultaat en besloten dat we gingen samenwerken. De band Black and Blues was onze speeltuin. De band bestond uit vijf zangers en vijf muzikanten. 
    Gil en ik werden snel vrienden, we hingen veel samen rond, luisterden veel naar muziek samen, schreven veel muziek en repeteerden met de band.”

    Schrijver

    Gil had ook aspiraties als schrijver en dichter. Hij werkte aan een dichtbundel (Small Talk at 125th and Lenox) en een roman (The Vulture), die in 1970 verschenen.

    De boeken betekenden tevens het begin van Gil en Brians muzikale carrière. Via zijn uitgever World Publishing kwam Gil in contact met producer Bob Thiele, die net het jazzlabel Flying Dutchman Records had opgericht na zijn vertrek bij ABC/Impulse. Thiele had geen geld om een plaat te maken, maar vroeg of Gil belangstelling had om spoken word op te nemen. Als dat geld in het laatje zou brengen, beloofde Thiele om Gils nummers op te nemen.

    The Revolution Will Not Be Televised 

    Gil Scott-Herons debuutalbum, A New Black Poet – Small Talk at 125th and Lenox werd opgenomen met publiek in een nachtclub op de hoek van 125th Street en Lenox Avenue in Harlem. Op kale percussieritmes droeg Gil felle politieke gedichten voor als Whitey on the Moon en een vroege versie van The Revolution Will Not Be Televised

    The Revolution Will Not Be Televised was tongue-in-cheek kritiek op hoe de media je van alles proberen aan te smeren", legt Brian Jackson uit. "Hoe ze spullen aan ons verkochten die we helemaal niet nodig hadden. Met psychologische reclametrucs lieten ze ons geloven dat we die nodig hadden, dat ons leven anders niet compleet was. Ze speelden in op onze onzekerheden. Deze deodorant zou je meer acceptatie door andere mensen geven. Of met deze oogschaduw vallen alle mannen op je. Als je deze toiletreiniger niet gebruikt maak je jezelf belachelijk bij je visite. Nu in het internettijdperk is nog nog veel erger; nu raden de reclamebureau’s niet meer wat je onzekerheden zijn, ze wéten nu wat je onzekerheden zijn.”

    Niet alleen de witte onderdrukker krijgt er van langs, zwart net zo goed. Op Brother veegt Gil de vloer aan met zogenaamde zwarte activisten die iedereen afkammen maar zelf geen steentje bijdragen. De revolutie komt er niet als je op je gat voor de tv blijft zitten.