maandag 15 december 2008

Raphael Saadiq: Terug naar Motown

Afgepeigerd is hij. Raphael Saadiq, Charlie Ray Wiggins voor zijn moeder, is net ingevlogen uit Parijs. Zijn bezoek aan Amsterdam is de laatste etappe in een korte maar drukke Europese promotietoer langs drie hoofdsteden (Londen, Parijs en Amsterdam). Half liggend op een bank in de bar van het American Hotel werkt Saadiq een biefstuk met aardappelpuree en spruitjes naar binnen. Hij is gehuld in afgewassen vrijetijdskleding. Zijn nieuwe imago, een strak gesneden maatpak en een bril die van hem een dubbelganger van Temptations-frontman David Ruffin maken, zit nog in zijn koffer.

Raphael Saadiqs derde soloalbum The Way I See It is een ode aan Motown. De sound wordt zo dicht benaderd dat het album bijna een pastiche is. Medewerking van percussionist Jack Ashford en arrangeur Paul Riser van de legendarische Motown-huisband The Funk Brothers, plus Stevie Wonder verhogen de authenticiteit. Maar elke keer dat je The Way I See It draait, wordt het steeds meer een typisch Raphael Saadiq album. Zijn handtekening zit in de details. The Way I See It is geen hippe gimmick, maar een groeialbum dat bij elke luisterbeurt meer prijsgeeft.

Hoe kwam je op het idee om een album te maken in de oude Motown-stijl?
“Ik werd op een ochtend wakker en ik had van die kleren aan, bij wijze van spreken. Ik viel er min of meer in. Ik wist niet wat er uit zou komen. Ik heb er eigenlijk niet zo bij stilgestaan. Tot nu, nu mensen me die vraag stellen. Ik heb daar niet echt een antwoord op. Het ging heel geleidelijk. Maar toen ik eenmaal bezig was met het album en Sure Hope You Mean It en Staying in Love ging opnemen, zat ik er inmiddels tot over mijn oren in. Uiteindelijk toen ik alles samenvoegde, sloot het goed op elkaar aan en was het echt een concept.”

Wat zo knap aan The Way I See It is dat je de Motown-sound perfect weet na te bootsen, terwijl het toch een typisch Raphael Saadiq album is. Was het moeilijk om je eigen identiteit te bewaren?
“Dat is inderdaad heel bizar. Ik begrijp er zelf niets van. Toen ik begon met muziek maken, was ik geen zanger maar een bassist. Mensen zeiden toen tegen me: je hebt een eigen geluid. Als je op de radio wordt gedraaid, horen we dat jij het bent, je hebt een herkenbare stem. Dus ik denk dat ik in de muziek pas met mijn eigen, duidelijk herkenbare stem. Ik gebruik mijn stem als een instrument, en ik laat de andere instrumenten mij begeleiden, om van mij een betere zanger te maken. Ik ben een crooner, dus ik plaats alles om me heen zo dat ik goed klink.”

Ik las ergens dat je The Way I See It het moeilijkste project uit je carrière vond. Waarom?
“Toen ik in die modus zat besefte ik pas hoe goed ik mijn best moest doen. Ik moest echt zíngen. Toen ik Sure Hope You Mean It zong probeerde ik me voor te stellen hoe David Ruffin een zin als ‘do you mean what you say’ gezongen zou hebben. (Zingt als David Ruffin:) do you meeeaaannn what you say... Begrijp je? Ik moest me in dat personage inleven. Je kunt het niet uit de losse pols doen. Dat was een uitdaging.”

Heb je er ook langer over gedaan om het album op te nemen?
“Een stuk langer. Zo’n 2,5 jaar. Normaal doe ik er een half jaar tot een jaar over.”

Hoe was het om samen te werken met oude Motown-legendes als Stevie Wonder, Jack Ashford en Paul Riser?
“Het was ongelofelijk. Het was alsof ik mijn eigen Motown-familie had, omdat ik drie veteranen samenbracht op één album. Volgens mij hebben ze al heel lang niet meer samen op één album gespeeld. Het was the icing on the cake. Het voelde alsof een keurmerk had gekregen, dat ik hun goedkeuring kan wegdragen. Want je moet met hen wel weten wat je wilt. Je moet ze iets te bieden hebben, anders komen ze niet. Je kunt ook niet een feest zonder drankjes geven. Dus je moet een goed nummer hebben.”

De CV van Raphael Saadiq is op z’n zachtst gezegd indrukwekkend. Als tiener speelde hij al bas bij Prince en Sheila E. Eind jaren tachtig vormde hij met zijn broer Dwayne en neef Timothy Christian de succesvolle R&B-band Tony! Toni! Toné! Midden jaren negentig ging Saadiq solo en stortte zich op een even vruchtbare carrière als producer. Hij werkte samen met o.a. D’Angelo (Untitled van het album Voodoo leverde D’Angelo een Grammy op), Erykah Badu, The Roots, Jill Scott, Macy Gray, Angie Stone, Mary J. Blige, Snoop Dogg, Whitney Houston en The Isley Brothers. Om maar even een paar te noemen. Saadiq was tevens de oprichter van het veelgeprezen gelegenheidsproject Lucy Pearl met Ali Shaheed Muhammed (A Tribe Called Quest) en Dawn Robinson (En Vogue). In 2002 kwam eindelijk Saadiqs solodebuut Instant Vintage uit, een smaakvol meesterwerk dat goed was voor vijf Grammy-nominaties. Je kunt stellen dat de 42-jarige Raphael Saadiq de architect van de neo soul is.

De bizarre werkelijkheid is echter dat bijna niemand hem kent. In Nederland althans. Is dat anders in Amerika?
“Niet zó onbekend, maar wel onder de radar. Toen ik nog in Tony! Toni! Toné! zat was ik bekender. Wat betreft mijn werk als producer, werk ik niet met veel mensen samen. Ik werk met kwaliteitsartiesten samen. En daar zitten niet veel mainstream popartiesten tussen. Want pas als je de grote artiesten produceert, krijg je naam en faam.”

Maar je hebt wel samengewerkt met o.a. John Legend.
“Ja en Joss Stone. Meer mensen benaderen me nu. Maar is een lange reis geweest om hier te komen. Het was ook moeilijk omdat ik eerst in een band zat, en toen solo ging werken als producer. Want mensen hebben liever dat je in een groep zit. Ik heb ervoor gekozen de tijd te nemen en de achterafstraatjes te nemen, waar ik lang kan branden. Op de hoofdstraat brand je snel op.”

Frustreert het je niet?
“Nee. Je hebt meer vrijheid. Je kunt uitgroeien tot iets kwalitatiefs. Als een soort exclusief paar schoenen dat iedereen wil hebben. Ik vind het prettig als mensen graag tegen anderen over me praten. Ik ben voor mensen dan meer een geschenk.”

Werk je alleen samen met artiesten die je goed vindt, of zie je ook wel eens iets door de vingers omdat het goed verdient?
“Dat heb ik wel eens geprobeerd, maar het werkt niet. Je moet met iemand samenwerken die bij je past. Dus dat probeer ik te doen.”

’s Avonds, na nog even een paar uurtjes onder de wol te zijn gekropen, gaf Saadiq een verpletterend optreden in Paradiso. Een strakke en zinderende soul revue. Met een hippe retrosoulplaat die al direct na de release flink wat buzz genereerde, lijkt de weg vrij voor de doorbraak die al veel te lang op zich heeft laten wachten.

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

vrijdag 5 december 2008

Sly Stone heeft faalangst

Sly Stone was eind jaren zestig een superster. Daarna verdween hij. Drie Nederlandse documentairemakers spoorden hem op.
Sly Stone was een icoon van de Woodstockgeneratie. Dance to the Music, Everyday People en Family Affair zijn evergreens. Sly beïnvloedde talloze artiesten. Zonder Sly geen Prince, Lenny Kravitz of OutKast. Maar Sly snoof duizelingwekkende hoeveelheden coke. Hij kwam ten val en dook onder. Er waren smeekbedes van Prince om terug te komen en een miljoenenbod voor een interview. Sly gaf niet thuis.
Documentairemaker Willem Alkema en Sly-biografen Arno en Edwin Konings vonden hem na jaren zoeken en slaagden er als enigen ter wereld in hem voor de camera te interviewen. De NPS zendt de documentaire Dance to the Music zaterdagnacht uit.
Een internetadvertentie waarin Sly’s motor te koop werd aangeboden, leidde de makers in 2005 naar zijn huis, aan het einde van een doodlopende weg op een bergtop in Los Angeles. Op het hek prijkte een gouden S. Ze werden afgewimpeld, maar begin 2006 lukte het hen Sly te ontmoeten, toen ze in de oefenruimte belandden waar Sly and The Family Stone repeteerden voor een optreden bij de Grammy Awards, Sly’s eerste levensteken in decennia.
Alkema: ‘Er stopte een grote camper waar Sly Stone uit kwam. Ik flikkerde bijna van mijn bankje. Toen hoorden we ook nieuwe muziek. Het was een soort operagezang met een beat, waar Sly dan omheen zingt: I want to thank you for letting me be myself. Het klonk vreemd, ik had niet zoiets van wow!’
Als de documentairemakers Sly zijn favoriete Rhythm Ace drumcomputer cadeau geven, weten ze hem uiteindelijk te paaien om één vraag voor de camera te beantwoorden: hoe voelt het om weer op het podium te staan? ‘Ongeveer twee meter hoger dan normaal.’
Waarom heeft Sly bijna dertig jaar als kluizenaar geleefd? Alkema: ‘Zijn saxofonist Jerry Martini zegt dat het een mix van faalangst en succes is. Sly wil weer een succesvolle plaat maken, maar is bang dat het niet lukt. Hij ziet zichzelf niet als superster, hij is zich niet bewust van zijn status. Daarnaast is in de Amerikaanse media veel geschreven over zijn drugsgebruik. Dat heeft hem erg gestoord.’
Sly heeft de afgelopen decennia elke dag muziek gemaakt, zegt Alkema. ‘Hij heeft een archief van honderden liedjes. Ik weet niet of hij dat moet uitbrengen. Het is niet per definitie goed. Kijk maar naar die nieuwe plaat van Guns N’ Roses. Misschien is het beter als hij zijn mythische status behoudt.’
Het was schrikken om te zien dat Sly Stone tegenwoordig een bochel heeft. Hoe komt hij daar aan? ‘Daar zijn verschillende verhalen over’, zegt Alkema. ‘Hij zou bij zijn huis van een steile helling zijn gemieterd. Hij had een bord eten in zijn hand en toen hij neerkwam, had hij het bord nog in zijn hand. Zijn dochter zegt dat hij de afgelopen dertig jaar alleen maar achter zijn keyboard heeft gezeten, in die houding, hij is kromgegroeid.’
Rest de vraag of Sly zijn roemruchte drugsverleden heeft afgesloten. Alkema: ‘Hij gaat nog wel aan de haal met drugs, maar de drugs gaan niet meer aan de haal met hem.’

Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers