zaterdag 11 februari 2017

Kandace Springs: Prince-protégé



Het duurde even voordat Kandace Springs (28) haar eigen stem had gevonden. Maar toen wist ze niemand minder dan Prince tot tranen te roeren. “Ik heb nog steeds zijn mailtjes om het te bewijzen.”

Met haar afgelopen jaar verschenen debuutalbum Soul Eyes vond ze zichzelf opnieuw uit. De eigentijdse hiphop en urban van haar titelloze ep maakten plaats voor warme, elegante, zij het eerlijk gezegd wat tamme souljazz. “Dit is wie ik sinds mijn tiende ben. Ik luisterde altijd naar jazz, van Ella Fitzgerald en Nina Simone tot Roberta Flack en Luther Vandross. En dat niet alleen, ik hield ook van klassieke muziek, Chopin en Rachmaninoff”, vertelt Kandace Springs. “Mijn label vreesde dat ze jazz niet aan een jong publiek konden verkopen, dus ze lieten me hiphop maken. Ik was nog jong en naïef, dus ik stemde ermee in. Er zat wat jazz bij, maar het was niet wie ik echt was. Na een paar jaar te zijn bestookt door mijn vader en Prince, en niet te vergeten mijn eigen frustratie, besloot ik dat ik meer organische muziek wilde maken.”

'Dit is wie ik sinds mijn tiende ben'

Op zoek naar een andere platenfirma klopten haar producers Carl Sturken en Evan Rogers, de ontdekkers van Rihanna, aan bij het legendarische jazzlabel Blue Note. “Ik mocht auditie komen doen in het fameuze gebouw van Capitol Records in Hollywood. In studio A zong ik aan een prachtige vleugel vijf nummers voor Don Was, de topproducer en sinds een aantal jaren de directeur van Blue Note. Eén van die liedjes was I Can’t Make You Love Me van Bonnie Raitt. Na afloop zei hij: ‘Wow, dit is een van de beste uitvoeringen die ik ooit heb gehoord’. En toen vertelde hij dat hij dat nummer had geproduceerd. Ik ging helemaal uit mijn dak.”

Was koppelde haar aan bassist Larry Klein, die als producer Grammy Awards won voor zijn werk met ex-vrouw Joni Mitchell en Herbie Hancock. “Hij bleek voor mij de ideale man, omdat hij zo organisch te werk gaat. Hij zei eigenlijk alleen maar: doe je ding. In tegenstelling tot het hiphopachtige werk dat ik daarvoor maakte, kwam Larry niet aanzetten met kant-en-klare muziek waar ik alleen nog maar overheen hoefde te zingen. Hij liet me gewoon piano spelen op mijn eigen plaat. Een wonder.”

Kandace Springs groeide op in Nashville, als dochter van een plaatselijk gerenommeerde zanger die samenwerkte met onder anderen Garth Brooks. “Ik houd best van country, maar ik ben met andere muziek opgegroeid, hoe raar dat misschien ook mag lijken. Ik zeg nooit nooit, maar als ik ooit een countryplaat maak, zal het meer een kruisbestuiving van stijlen worden.”

Prince
Een cover van de Sam Smith-hit Stay With Me trok de aandacht van niemand minder dan Prince. “Ik had de videoclip op de website Okayplayer gezet. Prince retweette die en stuurde me een DM. Diezelfde avond belde hij: ‘Hi, how are you?’ Eerst dacht ik aan een grap, maar hij deed zoiets wel vaker, wist ik, dus ik verbrak niet meteen de verbinding. Hij nodigde me uit om mee te doen aan een show in Paisley Park ter ere van de dertigste verjaardag van Purple Rain. Ik zat daar te praten met iemand van zijn band 3rdEyeGirl toen hij plotseling binnenkwam. Ik had me nooit gerealiseerd hoe klein hij wel niet was, ik moest echt naar beneden kijken. Zonder blikken of blozen omhelsde ik hem. Dat verraste hem. Hij was verlegen, vooral tegenover meisjes.” Lachend: “Maar die verlegenheid werkte in zijn voordeel.”

'In het begin voelde het wat ongemakkelijk, want Prince was erg mysterieus'

De poplegende en het jonge talent raakten bevriend. “In het begin voelde het wat ongemakkelijk, want hij was erg mysterieus. Maar al gauw spraken en mailden we elkaar zeker een paar keer per week. We wisselden grapjes en liedjes uit. Hij ontdekte graag nieuwe artiesten, die hij bleef aanmoedigen zichzelf te zijn. Dat heeft hij ook met mij gedaan.”



Ze nam Prince’ advies ter harte. “Ik schreef Rain Falling toen ik zestien was. Het is alleen ik en mijn piano. Dit was hoe ik klonk voordat ik hiphop ging maken, ik speelde alleen maar jazz. Ik stuurde het liedje op naar Prince. Hij antwoordde dat het hem tot tranen toe had ontroerd. Ik heb nog steeds zijn mailtjes om het te bewijzen. Hij vond dat dit de muziek was die ik moest maken. Mijn ep vond hij maar niks. Hij bestookte mijn producers met de vraag waarom ze mijn stem zo hadden bewerkt.”

Op 18 januari 2016, haar 27ste verjaardag, reisde ze af naar Minneapolis om haar album Soul Eyes aan Prince te laten horen. “Het was een ijskoude dag, de temperatuur lag ver onder nul. Prince haalde me op van het vliegveld en we draaiden mijn plaat in de auto. Later die dag gingen we naar de film. Er was een bioscoop bij hem in de buurt waar hij vaak in zijn eentje heen ging. Hij kocht gewoon alle kaartjes voor een voorstelling op, zodat hij het rijk voor zich alleen had. Na zijn overlijden hebben ze als eerbetoon een muurschildering van hem op de gevel laten maken.”

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

dinsdag 18 oktober 2016

Eric Ineke: Eerbetoon aan Dexter Gordon


Veertig jaar nadat hij met de meester zelf speelde, vond Eric Ineke (69) het tijd voor een ode aan jazzsaxofonist Dexter Gordon (1923-1990). Morgenavond brengt de drummer met zijn kwintet stukken van Gordon ten gehore in de Observant in Amersfoort, op slechts een paar straten van de plek waar de grootheid in 1963 zelf speelde.

Lees ook:



Een eerbetoon lijkt nodig, want het jazzicoon ontbreekt nog wel­eens in de lijstjes met de allergrootste jazzmuzikanten. ,,Hij is zeker niet in de vergetelheid geraakt, muzikanten als Dexter Gordon blijven altijd'', werpt Ineke, zelf een van Neerlands meest vooraanstaande jazzslagwerkers, tegen. ,,Misschien is hij in de VS wel een beetje uit het zicht geraakt, omdat hij in de jaren zestig naar Europa verhuisde. In Europa is hij altijd in the picture gebleven. Door de film 'Round Midnight (1986), waarin hij de hoofdrol speelde (goed voor een Oscarnominatie), is hij ook in Amerika in ere hersteld.''

Onderschat
Gordons verdiensten moeten volgens Ineke niet worden onderschat. ,,Dexter ontwikkelde de taal van de bebop naar de tenorsax. Hij was een van de eersten die bebop op de tenorsax speelden. Charlie Parker was de grondlegger van de bebop, maar hij speelde alt en Dexter tenor.''

'Dexter ontwikkelde de taal van de bebop naar de tenorsax'

Bij zijn studenten aan het Koninklijke Conservatorium Den Haag ziet hij nog altijd het belang van Dexter Gordon. ,,Ik ken heel veel jonge jazzmuzikanten die nog steeds naar hem luisteren. Dexter was ook van grote invloed op John Coltrane, in zijn oude opnames hoor je dat duidelijk.''

De flamboyante jazztrompettist Miles Davis schreef in zijn autobiografie dat Dexter Gordon hem leerde dat het belangrijk was om goed gekleed te gaan. Herman Leonards foto van Dexter Gordon in de Royal Roost in 1948, waarop hij een sigaret rookt met zijn sax op schoot en de rook boven zijn hoofd kringelt, is misschien wel de meest iconische jazzfoto ooit gemaakt.

Ineke bracht onlangs de cd Dexternity uit met stukken van Dexter Gordon. In de jaren 70 was hij diens vaste drummer tijdens de Europese tournees van de saxofonist, die toen in Kopenhagen woonde. Volgende maand verschijnt de lp Fried Bananas, een oude opname van de VPRO van een optreden van Gordon uit 1972 in Heemskerk met Ineke op drums en diens partner in crime Rein de Graaff op piano.

Timing
Ineke leerde veel van Gordon. ,,Hij had een bijzondere timing, hij speelde altijd achter de beat. Ik moest daar in het begin wel aan wennen. Ik had eerder met Hank Mobley gespeeld, die had het een klein beetje, maar Dexter speelde wel heel lui. Als drummer moet je daar niet in meegaan, anders krijg je geen magie. Je moet boven op de beat zitten, stuwend spelen, los maar toch strak.''

De illustere Gordon was als persoon heel toegankelijk, herinnert Ineke zich. ,,Zoals hij in de film 'Round Midnight was, was hij in het echt ook. De manier waarop hij liep en praatte. Dat relaxte uitte zich ook in zijn spel, dat spelen achter de beat, de laidback time. Dexter gedroeg zich niet als een star, dat had hij helemaal niet nodig, want hij was een grote personality.'' Letterlijk, want Dexter Gordon was 1 meter 98 en dat leverde hem de bijnaam Long Tall Dexter op.

'Dexter hoefde zich niet als een star te gedragen, want hij was een grote personality'

Warme herinneringen koestert Ineke aan Gordon. ,,In Wuppertal begeleidden we een zangeres. Ze zong een ballad en ik wilde het klein houden, dus ik had mijn brushes niet helemaal uitgeschoven. Op een gegeven moment boog Dexter zich naar me toe en hield zijn hand aan zijn oor en zei: 'Hey Ineke, open up those motherfuckers!'

In 1983 speelde Gordon met zijn band op North Sea Jazz, en ik speelde met mijn groep in een andere zaal. Ik wilde Dexter nog snel gedag zeggen, voordat ik op moest. Ik rende naar de Jan Steenzaal - het festival was toen nog in het Congresgebouw in Den Haag. Er was een lange gang van de artiestenbar naar de uitgang waar de artiesten naar hun hotel konden gaan. Ik rende door die lange gang en kon nog net zien dat Dexter aan het andere eind de deur uit ging. Ik riep hem en hij draaide zich om en schreeuwde terug: 'Ineke! S.O.S.! Same Old Shit!' Na al die jaren was er nog niks veranderd.''



Dexter Gordon ~ Night In Tunisia [1964] door madafonka2

Twee jazzreuzen in Amersfoort

Twee jazzgiganten speelden op 10 november 1963 in bardancing In den Poortwal in Amersfoort: Dexter Gordon en Rahsaan Roland Kirk. Het optreden was georganiseerd en werd gefilmd door de AVRO (zie video hierboven). 

Om de intieme sfeer van een jazzclub te creëren en vanwege de nabijheid van Hilversum, had regisseur Theo Ordeman - die een jaar eerder tv-geschiedenis schreef met Open het Dorp - zijn oog laten vallen op de Poortwal, een van de eerste bar-dancings in de regio. Gordon speelde een vlammende versie van de standard A Night in Tunisia. 


,,Dexter is in grote vorm'', oordeelt saxofonist en vriend Hans Dulfer. ,,Als ik de opnames terugzie, ben ik zeer onder de indruk van de muziek'', zegt Daniel Humair, de Zwitserse drummer die Gordon en Kirk in de Poortwal begeleidde. Het optreden is verschenen in de dvd-serie Jazz Icons en wordt in de pauze van het concert van Eric Ineke Jazz­Xpress vertoond. 


De 'godfather van de Britse blues' John Mayall speelde ook ooit in de Poortwal, maar van oude glorie is niets meer over. Eigenaren Ties en Greetje van Ram­selaar, toen ook uitbaters van De Grote Slok, zijn al jaren dood. Het pand aan de Achter de Arnhemse Poortwal, waar als laatste café het Doktertje in zat, werd in 2001 gesloten. Het maakt een vervallen indruk.

In den Poortwal: vergane glorie.


Dit artikel verscheen eerder in AD Amersfoortse Courant.

zondag 21 augustus 2016

De La Soul: ‘Hiphop is geen kindermuziek’

Dave, Mase en Pos van De La Soul Foto: Matti Hillig

De La Soul is na bijna dertig jaar uitgegroeid tot een instituut van alternatieve, avontuurlijke hiphop. Een nieuwe revolutie hoef je niet meer te verwachten van Dave, Posdnuos en Maseo, maar hun nieuwe, negende album And The Anonymous Nobody bewijst dat het trio nog niet uitgeblust is. “Elke artiest die successen uit het verleden probeert te herhalen, faalt.”




Wat een cryptische titel: And The Anonymous Nobody. Wat is de betekenis?
Maseo: “De titel slaat op een groep mensen die samenkomt om deel uit te maken van een mooi project, zonder met de eer te willen strijken. Ik bedoel de mensen die geld hebben gedoneerd via de crowdfundingsite Kickstarter. Zij hebben geld betaald en vroegen er niks voor terug, ze wilden alleen dat De La Soul een geweldige plaat zou maken en daar vertrouwen in hadden.”

Jullie hebben zelf de muziek ingespeeld voor het album, en die vervolgens gesampled. Ik kan me voorstellen dat het zelf schrijven van muziek best een uitdaging is als je gewend bent te samplen.
“Het is eigenlijk makkelijker. Als je van een plaat samplet, hoor je misschien de blazers en de drums tegelijk. Nu konden we die van elkaar scheiden.

We hebben samengewerkt met dezelfde muzikanten die we al een jaar of tien gebruiken. Ze komen uit Californië en heten de Rhythm Roots Allstars. We hielden jamsessies en dat leverde 300 uur muziek op. Het was een wisselwerking tussen ons en de band. Soms gebeurde er iets en dat gaf ons weer ideeën waarop we voortborduurden. Maar meestal ontstond het organisch. Van documentaires over The Ohio Players en Parliament-Funkadelic hebben we geleerd dat de beste muziek vaak in een mum van tijd ontstaat, terwijl ze al uren aan het jammen waren.”



vrijdag 12 augustus 2016

Antônio Carlos Jobim: elke noot een juweel



Wie naar Brazilië gaat, komt niet om Antônio Carlos Jobim heen. Zo landt je in Rio de Janeiro op het vliegveld dat zijn naam draagt. Reizend door de jadegroene heuvels met daarboven de azuurblauwe lucht met kandijwitte wolkenpartijen, beginnen zijn fluwelen melodieën automatisch in je hoofd te klinken. En als je eenmaal weer thuis in Nederland naar zijn muziek luistert, verschijnen de spectaculaire vergezichten, de weelderige natuur en bontgekleurde vogels op je netvlies.

Lees ook:

Antônio Carlos Brasileiro de Almeida Jobim, in zijn vaderland liefkozend Tom genoemd, werd op 25 januari 1927 geboren in Rio de Janeiro. Als jonge tiener al streefde hij, aangemoedigd door zijn stiefvader, een carrière als muzikant na. Zijn invloeden waren de impressionistische componisten Claude Debussy en Maurice Ravel naast de west coast jazz van Art Pepper en Chet Baker. Medio jaren vijftig ontketende de componist, arrangeur, pianist en zanger samen met gitarist João Gilberto een muzikale revolutie met een nieuwe vorm van samba, die niet temperamentvol en uitbundig was, maar juist ingetogen en intiem: de bossa nova. Zwoel als een zomerbries zette deze lichtvoetige muziek Brazilië mondiaal op de kaart om vooral in de Verenigde Staten weerklank te vinden. Zo nam jazzsaxofonist Stan Getz in 1963 met Jobim en Gilberto de onsterfelijke wereldhit The Girl From Ipanema op. Ook een superster als Frank Sinatra liet Jobim invliegen om een album met hem te maken.

De verfijnde muziek van Jobim mag op menigeen overkomen als muzak, wie zijn oren spitst ontdekt een rijkdom aan kleuren, geuren en smaken. Eenvoudige melodieën op bedwelmende, subtiele ritmes leveren dramatische effecten op. Jobim smolt jazz en klassiek als vanzelfsprekend samen. Het beluisteren van een meesterwerk als Stone Flower uit 1970 is net zo’n genotvolle ervaring als het drinken van een glas gerijpte wijn of het roken van een goede sigaar.

Jobim zou begin volgend jaar negentig kaarsjes hebben uitgeblazen, ware hij niet op 8 december 1994 overleden aan een hartstilstand na een operatie om een kwaadaardige tumor in zijn blaas te verwijderen. Ruim twintig jaar na zijn dood behoren liedjes als Águas De Março, Agua De Beber en Desafinado nog altijd tot het standaardrepertoire van Braziliaanse artiesten en jazzmuzikanten over de hele wereld. Heaven sprak met de Braziliaanse popster en Jobim’s voormalige buurman Marcos Valle (72), de Italiaanse acidjazzproducer Nicola Conte (52) en zangeres Lilian Vieira (49) van het Brazilecrotrio Zuco 103 over de genialiteit en de betekenis van Antônio Carlos Jobim.


woensdag 3 augustus 2016

Bob James: verguisd en vereerd

Met Bob James in de North Sea Jazz Club, 9 augustus 2016.

In jazzkringen geniet Bob James een omstreden reputatie, maar in de hiphopwereld geldt hij als een ware held. Een exclusief interview met The Godfather Of Smooth Jazz: “Is de muziek van Mozart soms niet gladjes?”

“Rappers zien me als legende. Soms staan ze versteld dat ik nog leef. In hun optiek stammen mijn platen uit de prehistorie”, weet Bob James, de blanke toetsenist, componist en arrangeur, die door zijn voorkomen van een universitair docent een onwaarschijnlijke hiphop-held is. “Omgekeerd heb ik geen hoge pet op van hiphop. Ik hoor zelden iets dat ik echt goed vind. Ik houd van alles dat creatief en fris is, maar hiphop vind ik doorgaans simplistisch en saai. Ik kan het niet uitstaan als iets zich eindeloos herhaalt zonder ontwikkeling en raffinement.”

Kerstkind Robert McElhiney James (76)  zag in eerste instantie een toekomst als studiomuzikant voor zich. Begin jaren zeventig werkte hij als arrangeur voor CTI, het label van Creed Taylor dat met George Benson, Grover Washington, Jr. en Deodato aan de wieg stond van de souljazz en jazzfunk. “Creed was zo aardig mij een soloplaat te laten maken. Ik greep die gelegenheid aan om allerlei dingen uit te proberen, in de hoop zo meer arrangeerklussen binnen te halen. Het commerciële succes van One,dankzij de cover van Roberta Flacks hit Feel Like Makin' Love, veranderde op slag mijn leven. Ik had echt nooit gerekend op een solocarrière.”



Hiphop
De funky grooves van One uit 1974 en opvolger Two van een jaar later bleken zo’n decennium na dato een uitstekende basis voor rap te vormen. Zo werd Take Me To The Mardi Gras vaste prik op de vroege hiphopfeesten in de Bronx en behoort Nautilus tot de meest gesamplede stukken aller tijden. “Eerlijk gezegd heb ik niet veel aandacht besteed aan het opnemen van Nautilus. We spreken nu van lang voor het cd-tijdperk. De beste stukken zette je aan de buitenkant van de lp, want daar had je beste geluidskwaliteit vanwege de bredere groef. Het laatste nummer op de B-kant was bijgevolg meestal een albumvullertje. Niet dat ik Nautilus een wegwerpnummer vond, hoor, daarvoor was de groove toch te lekker.”

Het eenvoudige, repeterende thema leende zich bij uitstek voor een loop, zodat Nautilus zijn weg vond naar de basiscollectie van talloze rapproducers. “Het is een aanstekelijke groove, ja”, beaamt James. “Ik kwam de studio binnen met niets meer dan dat baslijntje en dat pianomotiefje, de rest hebben we ter plekke geïmproviseerd. Later heb ik er nog een strijkersarrangement bij geschreven. De Oberheim synthesizer in het intro deed Creed denken aan het geluid van een onderzeeër, vandaar de titel Nautilus.”



dinsdag 2 augustus 2016

Rio 2016: Braziliaanse platen die je gehoord moet hebben


De Olympische Spelen staan voor de deur. Onze sporters strijden om goud, zilver en brons. Ter verhoging van de voorpret de Braziliaanse platen die je gehoord moet hebben. Compleet met handige Spotifylijst.

Lees ook:


Gilberto Gil – Expresso 2222

Gilberto Gil was met Caetano Veloso eind jaren zestig leider van de revolutionaire Tropicália-beweging, die de Braziliaanse muziek moderniseerde en politiek commentaar leverde op de militaire dictatuur. De junta zag Caetano en Gil als bedreiging en zette het duo het land uit. Gilberto Gil keerde in 1972 terug uit ballingschap in Londen. De blijdschap weer terug te zijn in zijn vaderland is te horen in de explosie van vreugde op Expresso 2222. De band hanteert een moordend tempo en lijkt elk moment te kunnen ontsporen. Maar de muziek is strak als een microbikini op het strand van Copacabana. Razend knap hoe Gilberto Gil de spontaniteit bewaart in deze complexe ritmische arrangementen. Een hoogtepunt in het toch al hoogstaande oeuvre van deze Braziliaanse superster die al bijna 50 jaar aan de top staat.


Caetano Veloso – Transa

Het is moeilijk kiezen uit de stuk voor stuk fantastische platen die Caetano Veloso in de jaren zeventig maakte. Samen met Gilberto Gil werd Caetano door de Braziliaanse junta uit het land verbannen en het tweetal woonde twee jaar in Londen. Daar nam Veloso Transa (1972) op. Meer dan voor Gil was de tijd in Londen zwaar voor Caetano, en dat is te horen op de albums die hij in de Britse hoofdstad opnam. Heimwee en de politieke uitzichtloosheid in zijn vaderland zijn terugkerende thema’s, al is Transa minder ingetogen en bedrukt dan zijn titelloze voorganger. It’s a Long Way is een ritmisch ingenieus en hypnotisch nummer dat zich diep in je onderbewustzijn vasthecht.


Gal Costa – Gal Costa (Não Identificado)

Een van de beste zangeressen die Brazilië te bieden heeft. Dit titelloze ‘debuut’ (1969) – ze maakte het jaar ervoor een bossanovaplaat met Caetano Veloso – is misschien wel de beste, of in ieder geval best uitgevoerde plaat die de Tropicália-beweging heeft voortgebracht. Gal zingt Tropicália-standards als Não Identificao,  Divino Maravilhoso, Lost in the Paradise, Saudosismo en Baby in prachtige orkestrale en psychedelische arrangementen van Gilberto Gil en Caetano Veloso. Een stijlvol debuut van nog steeds een van de grote Braziliaanse sterren.

vrijdag 15 april 2016

Miles Davis: Altijd alles anders

Miles Davis tijdens zijn laatste concert in Nederland op het North Sea Jazz Festival in juli 1991, twee maanden voor zijn dood. Foto: Peter Buitelaar/Wikimedia Commons

“Ik moet veranderen, het is een vloek.” Deze uitspraak van Miles Davis definieert zijn muzikantschap. Meerdere keren veranderde hij de koers van de jazz: de notenspierballerij van de bebop beantwoordde de trompettist met de ontspannenheid van de cool. Met Kind of Blue zette hij de toon voor de modale jazz, om vervolgens zelfs een brug te slaan naar de popmuziek.

Lees ook:



Regels waren aan Miles Davis niet besteed. Hij stopte met zijn studie aan het prestigieuze conservatorium Juilliard: daar leerden ze je te spelen zoals het hoort, dodelijk voor muziek. In de jazzclubs van Harlem, daar leerde je pas echt muziek spelen. “Wees niet bang om fouten te maken, die bestaan namelijk niet.” Hij had een neus voor jong talent als John Coltrane en Herbie Hancock, die later zelf toonaangevend werden. Zijn belangrijkste les? “Speel niet wat er staat, speel wat er niet staat.”

'Speel niet wat er staat,             speel wat er niet staat'

90 jaar zou hij op 26 mei zijn geworden. En dit jaar is het ook 25 jaar geleden dat de iconische trompettist overleed, op 28 september 1991. Er wordt weleens beweerd dat de ontwikkeling van de jazz stopte toen Miles Davis stierf. Wat is een kwart eeuw na zijn dood nog zijn betekenis? Heaven vroeg het aan vier prominenten uit de Nederlandse jazzwereld: connaisseur en contrabassist Hans Mantel (57), saxofonist Hans Dulfer (75) en trompettisten Eric Vloeimans (53) en Saskia Laroo (56).

Zijn mooiste album

Mantel: “Als ik één plaat zou selecteren, zou ik vijftien andere moeten deselecteren. In de periode van het eerste tot en met het tweede grote kwintet hoor je het vieren van creatieve vrijheid en het constant willen verzetten van de bakens. Bij het eerste kwintet is Miles heel duidelijk de baas, die de jonge John Coltrane de ruimte geeft. Dat is spectaculair. Later bij het tweede kwintet, met Wayne Shorter, Herbie Hancock, Tony Williams en Ron Carter, zijn alle vijf de jongens hard bezig. Dat is een ander soort energie. Ook die Draufgängigkeit, dat zoeken naar nieuwe dingen vind ik geweldig. Ik onderscheid meerdere sterke kwintetten: zoals de tussengroep met George Coleman, Ron Carter, Frank Butler en Victor Feldman op Seven Steps To Heaven (1963). Verder werd bij de samenwerkingen met Gil Evans, bijvoorbeeld op Sketches Of Spain (1960), 2 + 2 niet 4, maar 7.”

Dulfer:On The Corner (1972), We Want Miles (1982) en You’re Under Arrest (1985). Zijn opvatting van spelen is de beste manier om jazz te spelen: niet repeteren, maar gewoon meteen opnemen.”

Laroo:Ascenseur Pour L’Échafaud (1958). Vanwege de fantastische, melancholische sfeer. Het was een van de eerste platen die ik van hem hoorde. Ik had hem te leen en gaf hem nooit meer terug. Op een gegeven moment kreeg ik hem toen maar cadeau.”

Vloeimans: “Heb ik niet. Stom, hè? Als ik een favoriete plaat zou opnoemen, zou ik de rest tekort doen. Die man heeft zó veel gedaan en zó veel stromingen beïnvloed.”


Ascenseur pour l'Échafaud

Zijn sterkste kant

Mantel: “Miles heeft de loop van de muziek twee of drie keer eigenhandig veranderd. Het duurde even voor hij besefte dat hij niet het soort trompettist was dat met vuurwerk én heel hoog, snel en hard kon spelen. Hij realiseerde zich dat hij het anders moest aanpakken dan anderen. Miles deed iets heel slims wat hij bij oude meesters gezien had: als de muziek om je heen verandert en moderner wordt, dan omring je je met mensen die daar iets mee te maken hadden. In zijn eerste kwintet had je een ijl trompetje met niet te veel noten, en daar zette je als contrast zo’n tenor als Coltrane naast. En al die ritmesecties waren altijd ontzettend goed georganiseerd, zo soepel en zo licht spelend.”

Dulfer: “Miles had altijd geweldige muzikanten om hem heen, maar die wel heel goed op hem letten. Ik heb zag hem ooit op North Sea Jazz. Zijn tenorsaxofonist speelde fantastische solo’s en Miles liep een beetje op het podium heen en weer. Hij deed af en toe met zijn handen iets op de keyboards en eens in de zoveel tijd zette hij zijn trompet aan zijn mond, richtte die naar de grond en speelde wat. Maar de meeste mensen zagen niet dat hij met de ene hand trompet speelde en met de andere hand achter zijn rug een klein beweginkje deed, en dan startte een van de muzikanten een waanzinnige riff. Zij letten de hele tijd goed op hem.”

Laroo: “Je moet als bandleider muzikanten om je heen verzamelen die jou intuïtief aanvoelen en meteen doen wat jij wil. Zonder je slaaf te zijn, maar met een eigen persoonlijke inbreng, zonder dat ze elkaar in de weg zitten. Dat deed Miles heel goed. Hij dirigeerde.”


North Sea Jazz 1985

Zijn  belangrijkste les

Mantel: “Als je simpel speelt is dat altijd goed, maar dan wordt het wel des te meer zaak dat het swingt. Miles maakte ook veel gebruik van stilte en ruimte. Geen tweeduizend noten van één eurocent, maar één noot van twintig euro. En altijd voor contrast zorgen.”

Dulfer: “Ik probeerde ook een beetje luxer voor te komen dan ik ben. Ik ben niet zo’n goede saxofonist, maar hoor heel goed als er iets nieuws aankomt en kan dat dan snel oppakken. En daar méér mee kan doen dan de mensen die met het origineel kwamen. ”

Laroo: “Zijn klank heb ik me eigen gemaakt toen ik zestien was. Een vriend van mijn vader gaf me een cassettebandje met verschillende jazztrompettisten. Daar stond ook het nummer Someday My Prince Will Come op. Dat ging ik proberen na te spelen, want het klonk zo makkelijk en zo mooi. Ik ben zijn solo’s gaan uitschrijven en noot voor noot gaan naspelen. En wat zo raar was: als Miles een noot speelde was die mooi, terwijl het bij mij een gewone noot bleef. Ik ben dat gaan analyseren door goed naar zijn frasering en timing te luisteren. Heel leerzaam.”

Vloeimans: “Ik was niet goed genoeg als trompettist, dus ik werd niet veel gevraagd toen ik van het conservatorium kwam. Ik wist niet welke kant ik op moest. Doordat Miles zijn eigen sferen creëerde, bedacht ik dat ik dat zelf ook moest gaan doen. Vanaf dat moment ging het bergopwaarts met mij. Miles is ook een voorbeeld voor mijn band Gatecrash. Hoe vermeng je diverse vormen met elkaar? Miles was op het eind eigenlijk geen jazzmuzikant meer, hij maakte universele muziek. Als je alleen maar één bepaalde muzieksoort speelt, moet je je aan de regeltjes van die soort houden. Dat is toch helemaal niet interessant, muziek moet je persoonlijk maken. Miles liet ook zien dat het er alleen maar om gaat hoe je het speelt, niet om wat je speelt.”


Wenen 1973