dinsdag 13 augustus 2013

Gilberto Gil: Verboden te verbieden


Terwijl de Brazilianen zich in de jaren ’60 verzetten tegen de militaire dictatuur, leidt Gilberto Gil zijn eigen revolutie: Tropicália, de geboorte van de Braziliaanse popmuziek. Een gevaarlijke tijd. “Ik was bang geëlimineerd te worden.”

Lees ook:


1968 is wereldwijd een roerig jaar. In Amerika wordt de droom van de zwarte emancipatiebeweging in duigen gegooid met de moorden op Martin Luther King en Bobby Kennedy.  De omstreden Vietnamoorlog bereikt zijn hoogtepunt met het Tet-offensief. In Parijs lopen studentenprotesten uit de hand.

De gebeurtenissen gaan ook niet voorbij aan Brazilië. Daar draait het militaire regime de duimschroeven steeds meer aan. In december 1968 breken er grootschalige studentenprotesten uit, die hard worden neergeslagen. De oppositie pakt de wapens op en begint een stadsguerrilla.

Vaart der volkeren
Tegen deze achtergrond ontstaat de Tropicália-beweging, een groep kunstenaars, film- en theatermakers, dichters, schrijvers en – meest bekend – muzikanten, die de Braziliaanse cultuur willen moderniseren. De muzikale voorhoede wordt gevormd door Gilberto Gil en Caetano Veloso (de ‘partijideologen’), Os Mutantes, Gal Costa en Tom Zé. Tropicália beschouwt zichzelf als een triomf op het juk van armoede en de – door Amerika gesteunde – rechtse militaire dictatuur die dit in stand wilde houden. De Tropicalistas zoeken aansluiting bij de internationale counterculture. Want wil het perifere ontwikkelingsland meekomen in de vaart der volkeren, dan moet het cultuurgoed ontdaan worden van provincialisme en nationalisme en kosmopolitisch worden. Tropicália was een onwaarschijnlijk maar gelukkig huwelijk van de opzwepende ritmes van de samba, de subtiliteit en elegantie van de bossa nova, de schoonheid van klassiek, het experiment van de avant-garde en de power van rock.


zondag 11 augustus 2013

40 jaar hiphop: 40 rapplaten die je gehoord moet hebben

Flyer van de allereerste hiphop party.

Precies 40 jaar geleden gaf DJ Kool Herc een feestje in de gemeenschapsruimte van zijn woonkazerne op 1520 Sedgwick Avenue in de Bronx. Hij mixte de best dansbare fragmenten van soul- en funkplaten aan elkaar.  Die avond op 11 augustus 1973 was het begin van hiphop. 40 rapplaten die je gehoord moet hebben op een rij.

1. Public Enemy – It Takes a Nation of Millions to Hold Us Back (1988)

Deze auditieve kernexplosie was de big bang voor de politieke rap. De hoogwaardige, complexe productie zette een nieuwe standaard. Hiphop was volwassen geworden. It Takes a Nation is misschien wel de belangrijkste hiphop-plaat ooit. Vaak naar de troon gestoken, maar er nooit van verstoten.


2. Run-DMC – Raising Hell (1986)

Dankzij de combinatie van rap en rock vestigde Run-DMC hiphop voorgoed bij het blanke publiek.


3. Beastie Boys – Paul’s Boutique (1989)

Velen vinden hiphop amuzikaal, maar voor de Beastie Boys bood de veelzijdigheid – hiphop absorbeert immers alle genres -  juist maximale vrijheid.

vrijdag 19 juli 2013

Bankroet Detroit was ooit rijke muziekstad


De teloorgang van Detroit heeft haar dieptepunt bereikt. Ooit bloeide in de failliete stad de auto-industrie, maar ook de rock en soul.

Detroit is vooral bekend om het legendarische soullabel Motown, bekend van Marvin Gaye, Stevie Wonder, Diana Ross & The Supremes en Smokey Robinson. Maar naast de zoetgevooisde soul bracht de stad ook de keiharde rocksound voort van The MC5 en Iggy & The Stooges, de voorlopers van de punk. In de jaren '80 speelde Detroit een pioniersrol in de techno. Nog steeds komen er grote artiesten uit Detroit, zoals Eminem, The White Stripes en Kid Rock.

Marvin Gaye - Inner City Blues


Stevie Wonder - Livin' for the City

woensdag 22 mei 2013

Lucinda Williams: het leven draait om lijden


Countrykoningin Lucinda Williams komt naar Nederland voor drie ‘intieme’ concerten, een eufemisme voor uitgeklede versies van haar repertoire gespeeld door een uitgedunde band. Maar ze belooft ook een voorproefje van haar nieuwe album dat nog opgenomen moet worden.

“You have reached the home of Lucinda Williams en Tom Overby. Please leave a message after the beep.” Op de achtergrond klinkt een jazzy klarinet. Nee hè, Lucinda Williams wimpelt me toch niet af met een antwoordapparaat? Ik had verhalen gehoord dat ze zich bij voorkeur telefonisch laat interviewen, zodat ze de mogelijkheid heeft niet op te nemen als haar hoofd er niet naar staat. Maar bij de tweede poging neemt ze op. Gelukkig, Lucinda Williams heeft zin in mij.

Meteen terzake dan maar. Eind mei en begin juni doet de countryzangeres ons land aan voor drie optredens onder de noemer ‘an intimate evening with Lucinda Williams’, die inhoudt dat ze niet met een voltallige band komt, maar slechts haar gitarist Doug Pettibone en bassist David Sutton meeneemt. “Dat is uit economische overwegingen”, legt Williams uit. “We moesten het een beetje uitkleden. Het is goedkoper reizen in een klein gezelschap. Je moet moet ook alle instrumenten verzekeren.”

"We moesten het een beetje uitkleden." 

Zonder platenmaatschappij moet Williams de tour uit eigen zak betalen. Ze mag dan wel de ‘grand dame’ van de alternatieve country zijn met een carrière van meer dan 30 jaar en drie Grammy’s op de schoorsteenmantel, een vetpot is het evenwel niet. “Je moet op het niveau zitten van Bruce Springsteen, anders blijft het lastig.”

Een kleinere band betekent ook dat de liedjes een andere uitwerking krijgen dan we gewend zijn. “We hebben liedjes wel moeten bewerken, ze hebben een ander format, zoals Joy, maar het blijven in essentie dezelfde liedjes.”
Ook zullen we getrakteerd worden op nieuwe muziek van het album waaraan Williams nu werkt. “Ik heb een stapel nieuwe liedjes. Het wordt een plaat met een beetje country, blues, pop en rock, maar ook soul en R&B. We zijn nog niet de studio ingedoken. We gaan eerst op tournee. En we zijn op zoek naar een nieuwe platenmaatschappij. Mijn contract met Lost Highway is afgelopen. Ik hoop de studio in te gaan als we terugkomen uit Europa in juni.”


maandag 15 april 2013

Bombino gebruikt de gitaar als wapen

Foto: Ron Wyman

Toen Bombino leerde spelen was de gitaar verboden in Niger. Nu wordt het nieuwe album Nomad van de Toeareg-gitarist geproduceerd door niemand minder dan gitaarheld Dan Auerbach van The Black Keys.

Strijd is in het leven van Bombino gekerfd als een tatoeage van een dronken soldaat. In 1990 breekt de Toearegopstand uit in Niger en Mali. Het nomadenvolk uit de Sahara, uitgemergeld door droogte, voelt zich aan zijn lot overgelaten door de regering. De dan 10-jarige Goumar Almoctar, zoals Bombino’s echt naam luidt, slaat met zijn vader en oma op de vlucht.

“Het leven was erg moeilijk voor mij, mijn familie en het hele Toearegvolk. Er was geen veiligheid, mensen voelden zich niet vrij om gewoon in vrede te leven,”, schrijft de inmiddels 33-jarige Bombino in een e-mail. “Velen zagen zich gedwongen te vechten voor vrijheid en onafhankelijkheid, maar velen wilden ook in vrede leven en het land opbouwen. Maar toen de problemen begonnen was er geen keuze. De Toearegs waren het doelwit van de regering. Dus we moesten vluchten, eerst naar Algerije en later naar Burkina Faso. Het is moeilijk om weg te zijn uit het land waar je van houdt, en van je familie en vrienden. Godzijdank is die tijd voorbij. Maar we weten niet hoe lang de nieuwe vrede standhoudt. Vrede is voor ons heel kwetsbaar.”

Muziekinstrumenten vernield

Toen in 2007 de tweede Toearegopstand uitbrak, moest Bombino opnieuw vluchten nadat twee van zijn bandleden werden gedood door het regeringsleger. Bombino voelt zich dan ook betrokken bij het conflict in Mali, waar islamisten muzikanten aanvielen en hun instrumenten vernielden.

“Tijdens de opstanden in Niger joeg het regeringsleger op muzikanten en doodden hen. De muzikanten vertegenwoordigen de geest en de kracht van het volk. In Mali verboden de islamisten muziek vanwege de Sharia. Dat is erg treurig. Wat stelt de mensheid nog voor zonder muziek? Dat is niet de mensheid waar ik deel van wil uitmaken.”

donderdag 11 april 2013

Ouwelullenmuziek



Ik heb vaak wat uit te leggen. Dat ik graag naar ‘oude’ muziek luister. Dat wekt bij veel mensen verbazing. Het is immers muziek van de generatie van mijn ouders. Hoe kom ik daar bij terecht?

Simpel. Pak en beet van mijn tiende tot mijn twintigste heb ik me ondergedompeld in hiphop. Tot rap me midden jaren ’90 niet meer kon boeien. De muziek werd commerciëler, ongeïnspireerder, onevenwichtiger. Een rapplaat die me van begin tot eind blijft boeien is sinds 1995 meer uitzondering dan regel.

Dus ben ik me gaan verdiepen in de samples die die rapplaten zo vet maakten. En dan kom je natuurlijk terecht bij oude soul en funk uit de jaren ’70.

In de jaren ’90 was, in tegenstelling tot nu, belangstelling en ontzag voor de Woodstock-generatie heel normaal. Men zag een parallel tussen Kurt Cobain en Jim Morrison. Niemand die dat ouderwets vond. Het was gewoon goede muziek.

Ken je klassiekers

Destijds liep ik stage bij Oor, zo’n beetje de eredivisie van de popjournalistiek. Ik merkte dat ik nog een krater aan basiskennis over het erfgoed van popmuziek te dichten had. En dat ben ik dan ook gaan doen. Ken je klassiekers.

Het is dan ook  een rare gewaarwording dat  men tegenwoordig geneigd is die bagage weg te zetten als passé en zelfs een beetje fout. Terwijl het een referentiekader is om nieuwe artiesten te duiden. Popjournalisten die verbanden leggen wekken vreemd genoeg ergernis. Dat lijkt me een tamelijk oppervlakkige  en eendimensionale muziekbeleving. De luisteraar als goudvis. Ben je dan niet geïnteresseerd in de muziek waardoor je favoriete band zich heeft laten beïnvloeden? Sterker nog, heb je niet liever het origineel waarvan ze het kunstje afkeken? Het is de sleutel tot een schatkist vol rijkdommen. Er is bovendien een hoop plezier te bleven aan ‘muziekarcheologie’ (en –antropologie).

Blues is fout?

Ik constateer ook dat de blues in een foute hoek weggezet wordt, en dat is in feite ontkennen van je geschiedenis. Blueslegende Willie Dixon zei ooit: “The blues is the root and all the other things are the fruit.”

Het is natuurlijk niet zwart-wit. Het is niet of-of. Het een sluit het andere niet uit. Laat ik benadrukken dat ik in principe niets heb tegen nieuwe muziek, artiesten of bands. Het is niet zo dat het me niet interesseert of dat ik niet meer volg – het kost trouwens minder inspanning om op de hoogte te blijven van de hedendaagse ontwikkelingen dan je te verdiepen in een verleden dat immers geen media-aandacht meer krijgt. In journalistiek opzicht maak ik liever interviews met oudere artiesten omdat die veel hebben meegemaakt en vol mooie verhalen zitten.

Ik zoek mijn eigen weg en volg mijn hart, niet de waan van de dag. Ik ben niet geïnteresseerd in hippe bandjes, ik ben geïnteresseerd in muziek. Ik kom vaker bij oude muziek uit omdat ik die dikwijls muzikaler, authentieker, organischer, intenser vind. En nieuwe muziek vaak lichtgewicht, rechtlijnig, beperkt, keurig binnen de lijntjes gekleurd en soms zelfs geacteerd, een formule, in het ergste geval meer leunend op image dan op inhoud - en dan heb ik het nog niet eens over commerciële artiesten.

woensdag 13 februari 2013

Captain Beefheart-puristen hebben niets te zoeken bij tribute

Gary Lucas in Havana in december 2012. Foto: Gary Lucas

Gary Lucas speelde in The Magic Band van Captain Beefheart. Zondag 17 februari speelt de gitarist in Paradiso de muziek van Beefheart zonder de Captain en zonder The Magic Band, maar met het Metropole Orkest. "Het zijn geen heilige geschriften."

Het is al ruim dertig jaar geleden dat Don Vliet, alias Don Van Vliet, zich gefrustreerd uit de muziekindustrie terugtrok in zijn camper in de Mojavewoestijn, om zijn energie voortaan beter te besteden aan schilderen, beeldhouwen en dichten. Vliet, die zich vanwege Nederlandse voorouders en zijn bewondering voor Vincent Van Gogh ‘Van’ aan zijn naam toevoegde, was niet alleen muzikant, maar ook een kunstenaar wiens talent als kind al opviel. Captain Beefheart liet de wereld een erfenis na van volstrekt eigenzinnige avant-garde woestijnblues. Zijn meesterwerk Trout Mask Replica (1969) is een rockklassieker. Een groot publiek vond Beefheart niet, commercieel leidde hij een marginaal bestaan. "Mijn muziek wordt het beste geconsumeerd in een koffiesetting, want mensen slaapwandelen", citeert Gary Lucas zijn oude baas.

Godfather van de punk
Toch was Captain Beefhearts invloed groot, zelfs drie decennia na zijn zwanenzang Ice Cream for Crow (1982) en twee jaar na zijn dood. „Hij was de godfather van de punk, gasten als Johnny Rotten wijzen allemaal naar Beefheart”, zegt Gary Lucas (1952), die in de laatste fase van Captain Beefhearts muzikale carrière in zijn band zat en overigens later ook met Jeff Buckley samenwerkte.



„De eerste keer dat ik Captain Beefheart eind jaren ’60 hoorde, vond ik het de meest frisse, avontuurlijke muziek die ik ooit had gehoord. Beefheart maakte baanbrekende muziek, die klonk totaal uniek. Deze was geworteld in de blues en freejazz, maar de manier waarop hij dit samensmolt was niet te evenaren”, vertelt Lucas nog altijd onverminderd enthousiast. „Die man ademde muziek, poëzie en kunst. Hij was een jeugdtalent als beeldhouwer. Hij sliep zelden en schreef zo twintig briljante gedichten per dag. Daarom wil ik mensen eraan herinneren welk een gigant op deze aardbol heeft rondgelopen.”