dinsdag 17 augustus 2010

Gil Scott-Heron: het zwarte geweten


Vijftien jaar lang was hij vanwege een cocaïneverslaving van het toneel verdwenen. Niemand had dan ook nog gerekend op een comeback van de godfather of rap. De vraag is alleen hoe lang Gil Scott-Heron (60) zal blijven. Een terugblik zonder vooruitzicht.

Lees ook:



We schrijven 1969, het hoogtepunt van de zwarte burgerrechtenbeweging. Een jaar eerder zijn Martin Luther King en Robert Kennedy vermoord. De droom dreigt in duigen te vallen. De toon van het zwarte activisme wordt radicaler.

Gil Scott-Heron is 20 jaar jong en studeert literatuur aan Lincoln University in Pennsylvania, een prominente Afro-Amerikaanse universiteit. Daar ontmoet Gil kunststudent Brian Jackson. Beide delen een voorliefde voor een beroemde alumnus van Lincoln, de Afro-Amerikaanse schrijver Langston Hughes (1902-1967), en muziek.

Gil en Brian richtten de negenkoppige band The Black & Blues op, maar Gil had vooral aspiraties als schrijver en dichter. Hij werkte aan een dichtbundel (Small Talk at 125th and Lenox) en een roman (The Vulture), die in 1970 verschenen.

De boeken betekenden tevens het begin van Gil en Brians muzikale carrière. Via zijn uitgever World Publishing kwam Gil in contact met producer Bob Thiele, die net het jazzlabel Flying Dutchman Records had opgericht na zijn vertrek bij ABC/Impulse. Thiele had geen geld om een plaat te maken, maar vroeg of Gil belangstelling had om spoken word op te nemen. Als dat geld in het laatje zou brengen, beloofde Thiele om Gils nummers op te nemen.

Gil Scott-Herons debuutalbum, A New Black Poet – Small Talk at 125th and Lenox werd opgenomen met publiek in een nachtclub op de hoek van 125th Street en Lenox Avenue in Harlem. Op kale percussieritmes droeg Gil felle politieke gedichten voor als Whitey on the Moon en een vroege versie van The Revolution Will Not Be Televised. Niet alleen de blanke onderdrukker krijgt er van langs, zwart net zo goed. Op Brother veegt Gil de vloer aan met zogenaamde zwarte activisten die iedereen afkammen maar zelf geen steentje bijdragen. De revolutie komt er niet als je op je gat voor de tv blijft zitten.

Opstelling
Small Talk at 125th and Lenox levert genoeg geld op om een album met een band op te nemen. En het zijn niet de minsten die meespelen op Pieces of a Man (1971): bassist Ron Carter, drummer Bernard Purdie en dwarsfluitist Hubert Laws.

Pieces of a Man (1971) opent met een nieuwe versie van The Revolution Will Not Be Televised. Gils spervuurgedicht op een funky beat en baslijn groeit uit tot een blauwdruk van de moderne hiphop en levert Gil de eretitel godfather of rap op.



Het warme, rijke souljazz-geluid van Pieces of a Man is muzikaal een grote stap ten opzichte van zijn kale voorganger. Gil ontpopt zich als getalenteerd zanger op Lady Day and John Coltrane en op het aangrijpende junkiedrama Home Is Where the Hatred Is. Zelf nog clean als een dauwdruppel in een Alpenweide leefde hij zich in de psyche van een verslaafde in en schreef de soundtrack van een tragisch leven die later voor Gil zelf the story of his life zou worden. “You keep saying kick it, quit it, God, but did you ever try?”

Pieces of a Man was de eerste keer dat de songwriterstandem Gil en Brian op plaat samenwerkte. Brian schreef aan zeven van de tien nummers mee, al staat alleen Gils naam op de hoes. Volgens Gil wil hij wel dat Brians naam ook op de voorkant kwam te staan, maar stak Thiele daar een stokje voor. Om die reden, zo beweert Gil althans, werd Free Will (1972) het laatste album van het duo voor Flying Dutchman.
De sfeer op Free Will is paranoïde, Gil gaat tekeer tegen de klopjacht van de FBI op de Black Panthers (No Knock), politiegeweld en de blanke diefstal van het zwarte cultuurgoed (“We declare war on Eric Burdon!”).

Gil en Brian stappen over naar het progressieve jazzlabel Strata East voor Winter in America, het eerste album dat op beider naam staat. De toon is introspectiever en donkerder. De albumtitel verwijst naar de problemen van de tijd: stagflatie, de oliecrisis, Watergate,de moorden op Martin Luther King, John F. en Bobby Kennedy, de verpaupering van de zwarte wijken. Gil ging te rade bij een stel alcoholisten dat elke dag rondhing voor het huis dat hij met Brian deelde in Washington D.C. voor The Bottle, een van hun grootste hits.



The Bottle werd Gils en Brians ticket naar de mainstream. Voormalig CBS-topman Clive Davis was bezig Arista op te richten en zag wel commerciële potentie in het duo. “Gil Scott-Heron was een original. Een charismatisch figuur met een ongelofelijk literair talent. Ik dacht dat hij hits kon scoren die hem een grote carrière konden geven.” Lou Reed, The Grateful Dead, Patti Smith en Gil en Brian waren de eerste artiesten die bij Arista tekenden. The First Minute of a New Day (1975)wordt hun eerste album voor het nieuwe label.

De inhoudelijke focus wordt verbreed op From South Africa to South Carolina (1976). “De zwarte gemeenschap was erg ik-geörienteerd. De problemen in de derde wereld gingen langs ons heen, omdat we alleen maar met onszelf bezig waren”, vond Gil. Als een van de eerste artiesten neemt Gil Scott-Heron stelling tegen apartheid in Zuid-Afrika op de hit Johannesburg.



De grotere exposure trekt niet alleen de aandacht van nieuwe fans. Veiligheidsdiensten zagen in de politieke teksten aanleiding om de telefoon van Gil en Brian af te tappen. “Als je de hoorn oppakte hoorde je eerst een klik en dan twee klikken”, herinnert Brian zich. “Werden we in de gaten gehouden? Ik vond dat ik in de gaten gehouden moest worden”, zegt Gil strijdbaar.

Ontmaskering
Het muzikale geluid verandert. Gil en Brian gaan experimenteren met elektronica en synthesizers in samenwerking met TONTO’s Expanding Head Band van producers Malcolm Cecil en Robert Margouleff. Zij werkten eerder samen met Stevie Wonder en produceerden voor Gil en Brian Bridges (1977), Secrets (1978) en 1980 (uit 1980 dus).

Begin jaren tachtig hield de samenwerking tussen Gil en Brian op. De druk van het continue touren en platen maken werd Brian te veel, maar Gil wilde door. De vriendschap bekoelde en ze zouden uiteindelijk vijftien jaar niet spreken.

Gils carrière ging intussen voor de wind. Hij maakte deel uit van Stevie Wonders Hotter Than July tournee (als vervanger van de terminaal zieke Bob Marley), een campagne voor het instellen van de geboortedag van Martin Luther King als nationale feestdag. B-Movie, een frontale aanval op het dreigende rechtse, egoïstische en conservatieve beleid van de nieuwe president en voormalig B-acteur Ronald Reagan, wordt een hit.



Maar Gil kreeg problemen met Arista toen het label in 1983 aan RCA werd verkocht. De betalingen werden bevroren, maar het contract werd niet opgezegd. Dat verlamde Gil, want hij mocht niet naar een andere platenmaatschappij en had geen geld om te werken.

Moving Target (1982) werd voorlopig Gils laatste plaat in twaalf jaar. Het wordt stil rond Gil. Ergens in de jaren ’80 ging het mis en raakte Gil aan de drugs. Begin jaren ’90 doen geruchten de ronde dat hij zwaar verslaafd is aan de cocaïne. Er zijn arrestaties. Gil komt niet opdagen bij optredens.

Maar dan was er in 1994 een comeback. De dan 45-jarige Gil zag er twintig jaar ouder uit, maar was in topvorm op Spirits. Hij gebruikte zijn erkenning als godfather of rap om zijn volgelingen op hun verantwoordelijkheden te wijzen in Message to the Messengers en ontmaskert op magistrale wijze de ware aanleiding voor de Golfoorlog op Work for Peace (“America is no longer fighting to keep our souls safe, but to keep the jobs going in the arms making workplace”).



Gil gaf een zeldzaam Nederlands optreden in 1998 op het Bevrijdingsfestival in Haarlem. In een onwaarschijnlijke – en wellicht wanhopige - career move leende Gil zijn stem voor reclames. Het was de stem van Gil Scott-Heron die de bekende slogan “You know when you’ve been Tango’d” uit de jaren ’90 uitsprak.



Verslaving
Maar daarna viel het weer stil. In 2000 werd Gil in New York gearresteerd met 1,2 gram coke en twee crackpijpen op zak. Hij moest een jaar de cel in, en er werd gevreesd dat hij dat niet zou overleven.
Eind 2003 leek het weer de goede kant op te gaan, als Gil herenigd met Brian weer ging optreden. Er werd gesproken geruchten over een nieuwe plaat. Maar toen werd Gil opnieuw gearresteerd omdat hij wegliep uit een afkickkliniek, naar verluidt omdat ze hem geen hiv-medicatie gaven. In 2006 werd hij veroordeeld tot vier jaar cel, waarvan twee voorwaardelijk.

De drugs hebben hun tol geëist op Scott-Herons lichaam. Het is schrikken om de nieuwe Gil Scott-Heron te zien in de documentaire The Revolution Will Not Be Televised van Don Letts (2005) is de helft van zijn gebit uitgevallen.



Hoe een intelligent persoon als Gil Scott-Heron zelf ten prooi kon vallen aan de gevaren waarover hij schreef, is een mysterie. Als hem ernaar werd gevraagd ontkende hij dat hij een drugsprobleem had, of geeft een ontwijkend antwoord als: “Ik ben verslaafd aan het schrijven van een goed nummer of gedicht.” Of: “Ik ben geen Pablo Escobar.”

En zo ging een decennium dat schreeuwde om een Gil Scott-Heron plaat, aan hem voorbij. De dubieuze verkiezing van George W. Bush, 9/11, de leugens rond de invasie van Irak, de oorlog in Afghanistan, de verkiezing van Barack Obama als eerste zwarte president van Amerika. Wie kon de politieke turbulentie beter van commentaar voorzien dan Gil Scott-Heron?

Dat moet Richard Russell, baas van het label XL, ook hebben gedacht toen hij in 2006 Gil ging opzoeken in zijn cel op Rikers Island. Na zijn vrijlating in 2007 begonnen Gil en Russell te werken aan een comebackalbum. In februari van dit jaar kwam I’m New Here uit, een album donker en dreigend als een steeg in de South Bronx om 3 uur ’s nachts.



Het vergt weinig fantasie om te begrijpen dat I’m New Here een testament is van Gils eigen struggles. “I did not become someone different that I did not want to be”, verklaart hij in de titelsong. “No matter how wrong you gone, you can always turn around.”

Zingen gaat moeilijk maar Gils woorden hebben nog niet aan kracht ingeboet. Zijn dwingende, verweerde stem en duistere poëzie grijpen je bij de strot. Geen politiek op Gils agenda deze keer, ook geen melodieuze souljazz, maar naargeestige, elektronische soundscapes als omlijsting voor gedichten over de onderbuik van de samenleving. Niet ieders kop thee en een meesterwerk is I’m New Here beslist niet.

Hoe wankel het evenwicht wel niet is dat Gil Scott-Heron in zijn leven heeft gevonden, blijkt enkele maanden later als hij op North Sea Jazz zonder opgaaf van reden niet komt opdagen. En niemand die kan vertellen waar hij uithangt.



Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen