woensdag 23 november 2005

Oorlogsfotograaf wint vertrouwen verzet Irak

Een islamschool in de sjiitische sloppenwijk Sadr City in Bagdad. Geknield op kleurig gestreepte vloerkleden dekt een jongetje een vriendje toe met een Iraakse vlag. Tegenover hem staat een jongetje met een dolk, en naast hem ligt nog een knaapje. Jonge martelaars.

De leerlingen van de madrassa spelen een gevecht na tussen het Mahdi Leger van de Iraakse sjiitische geestelijke Moqtada al-Sadr en het Amerikaanse leger.

Het incident wordt gemythologiseerd en wordt het zaadje voor de diepgewortelde haat tegen de Amerikaanse bezetter, stelt fotograaf Thorne Anderson. Het tafereel is een van de foto’s in het boek Unembedded, dat Anderson samenstelde met drie andere fotojournalisten (Ghaith Abdul-Ahad, Kael Alford en Rita Leistner) die onafhankelijk werkten in Irak.

De titel slaat op een typische term uit de Irak-oorlog, toen voor het eerst journalisten mee mochten met het leger (embedded). Dat levert echter een scheef beeld op, omdat het Amerikaanse leger bepaalt wat de journalist wel en niet mag zien. Unembedded wil juist een onafhankelijk en ongecensureerd inzicht geven in Irak, vanuit het oogpunt van de Iraakse bevolking.

Anderson geeft een voorbeeld: tijdens de oorlog repten de Amerikaanse regering en de media van ‘chirurgische bombardementen’, waarmee doelwitten met precisie uitgeschakeld konden worden en onnodige schade en onschuldige slachtoffers tot een minimum werden beperkt.

“Dat klinkt alsof het heel gecontroleerd en ‘clean’ is”, zegt Anderson in zijn kantoor in het veilige Amsterdam-West. “Maar dat is het niet. Een bombardement is onvoorstelbaar gewelddadig. Het niet een humane manier van mensen doden. Mensen vergeten dat wel eens, en we willen dat laten zien.”

We zien verwoeste gebouwen, bebloede burgerslachtoffers die op straat liggen, kinderen die toekijken hoe hun ouders sterven op een brancard, verscheurde moeders die het stoffelijk overschot van hun kinderen in hun armen houden. Maar ook de vrolijke momenten uit het zware bestaan in een oorlogsgebied: een bruiloft, een kermis, zwemmende kinderen. Mensen proberen er het beste van te maken.

Geen politiek statement
De oorlog in Irak is met afstand de grootste internationale controverse sinds de Koude Oorlog. Een boek over Irak is daardoor bijna automatisch een politiek pamflet. Maar dat is in eerste instantie niet de intentie, verklaart Anderson.

“We proberen een zo genuanceerd mogelijk beeld van Irak te geven. We willen de complexiteit van Irak te tonen. Het is deel van een politieke dialoog. Het is de wens van de Amerikaanse regering om de informatie te controleren. Het boek heet Unembedded, omdat de verslaggeving in de Amerikaanse media, vooral televisie, en in het bijzonder de populairste zender Fox News, sterk beïnvloed wordt door officiële informatie. Die komt van journalisten die samenwerken met het Amerikaanse leger. Niet dat ze hun werk slecht doen, maar het is een beperkt perspectief. Als je echt wil weten wat er in Irak gebeurt, moet je de andere zienswijzen ook kennen. Dat proberen we met het boek te doen. Vanwege het politieke klimaat in de VS, is dat een politiek statement.”

Opstandelingen
Wat Unembedded bijzonder maakt, is dat het boek ook het Iraakse verzet van binnenuit laat zien, een wereld die voor westerlingen zo goed als ontoegankelijk is, laat staan dat ze het kunnen navertellen. Anderson wist het vertrouwen te winnen van Mahdi Leger, de verzetsbeweging van de sjiitische geestelijke Moqtada al-Sadr.

“Om dat te kunnen doen, moet je iemand kennen in het Mahdi leger die je bescherming biedt, die garant voor je staat, zodat als je in dreigende situatie terechtkomt, dan heb je een insider nodig die zegt: hij is okay, hij is een journalist, hij is geen soldaat, geen spion, geen politicus, hij is alleen hier om een verhaal te maken en ik sta voor hem in. Als hij een insider is, biedt dat je bescherming.”

Najaf
Door zijn goede contacten met het Mahdi Leger bracht Anderson drie dagen door in de Imam Ali tempel in Najaf, tijdens een grootschalig Amerikaans offensief tegen het sjiitische verzet in augustus 2004. In de tempel ligt het lichaam van Imam Ali, de grondlegger van de sjiitische islam, en is een van de belangrijkste heiligdommen in de sjiitische wereld. Tijdens het Amerikaanse offensief was de Imam Ali tempel een toevluchtsoord voor de opstandelingen. Volgens het Amerikaanse leger gebruikte het Mahdi Leger echter als aanvalsbasis.

“Het bleek dat de tempel helemaal niet als basis voor aanvallen werd gebruikt”, stelt Anderson. “Er bevonden zich helemaal geen wapens in de tempel. Er waren pelgrims voor morele steun, uit solidariteit met de strijders. Er waren wel veel strijders in de tempel, maar ze mochten niet hun wapens mee naar binnen nemen.”

“Ik herinner me dat een strijder die gewond was geraakt bij een gevecht, door zijn makkers naar binnen werd gebracht naar een provisorisch hospitaal in een van de kantoortjes in de tempel. Ze kwamen net uit een gevecht dus droegen nog hun kalasjnikovs over hun schouders, ze hadden granaten aan hun riem. Ze mochten hun gewonde kameraad naar binnen brengen maar kregen meteen het bevel om zich eerst buiten te ontwapenen voordat ze weer naar binnen mochten.”

Veilige haven
“De sfeer in de tempel was heel vreemd. De tempel is heel mooi, prachtige architectuur. Ze hadden stroomgenerators, dus er was licht. Van binnen is alles bekleed met goud, dat fonkelt. De gevechten in Najaf waren ongelofelijk intens, de Amerikanen gooiden 500 pond zware bommen, heel dicht bij de tempel, binnen 100 meter. Je kon de inslagen voelen, de muren schudden, soms lieten er stenen los. Er vlogen granaatscherven over de buitenmuren van de tempel naar binnen en landden op de binnenplaats. Dagelijks raakten mensen gewond. Ondanks het voortdurende geweld, was het binnen de tempel een veilige haven. Er was een sterke onderlinge kameraadschap, ook tussen de strijders en burgers. Ze deelden samen voedsel, baden samen. Heel warm. In de tempel was geen voedsel, dus we moesten de stad in om te eten. En ik wilde natuurlijk ook zien wat er buiten gebeurde. Als er relatief rustige momenten waren ging ik naar buiten, om te kijken wat de strijders deden.”

Geen kogelwerend vest
Voor iemand die in oorlogssituaties heeft gewerkt, spreekt Anderson met opvallende afstandelijkheid over zijn ervaringen. Hij toont zich een koelbloedige professional.

“Ik heb niet zoveel belangstelling om middenin de gevechten te zitten, ik ben meer geïnteresseerd in wie de strijders zijn. Ik probeer vuurgevechten te vermijden, maar het is onvermijdelijk. Ik draag zelf nooit een wapen, ook geen kogelwerend vest. Mijn primaire bescherming zijn de mensen. Dat is verreweg de meest betrouwbare bescherming. Als ik in zo’n situatie een kogelwerend vest zou dragen, schept dat een barrière tussen mij en de mensen en het neemt de gelijkheid weg. Dat vergroot niet mijn veiligheid, maar brengt me juist in gevaar. Het ondermijnt mijn relatie met de mensen en het vertrouwen.”

Als Amerikaanse fotojournalist tussen anti-Amerikaanse strijders, is het voor te stellen dat je last krijgt van gewetenswroeging. Anderson had er geen problemen mee. “Nooit, geen seconde. Ik vind dat ik een dienst bewijs aan de Verenigde Staten. Er vindt een enorme verschuiving van het Amerikaanse buitenlandbeleid plaats in Irak. Amerikanen moeten begrijpen hoe dat eruit ziet, vanuit alle gezichtspunten, en zeker niet alleen vanuit de zienswijze van de Amerikaanse regering.”


Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen