woensdag 2 december 2009

Kane's puurheid komt uit een potje


Tien jaar al is Kane de grootste band van Nederland. Dan doe je iets goed. Het talent van Dinand Woesthoff en Dennis van Leeuwen is dat ze perfect hun voorbeelden weten te synthetiseren tot middle-of-the-road-rock. Gecombineerd met een zware dosis pathos en een knappe zanger die weet hoe hij de rol van rockster moet spelen, heeft Kane een commerciële killer app in handen.

Critici hebben Kane altijd een gebrek aan eigen geluid verweten. Al een paar jaar is de band zoekende. Er waren talloze personeelswisselingen, flirts met jazz, een remix van DJ Tiësto, New Yorkse producers.

Het uitgangspunt van No Surrender is spontaniteit en puurheid. Met de zoveelste nieuwe lichting sessiemuzikanten wil Kane een echte band zijn. Het gaat om ‘het moment’, ‘aftikken en gaan’, een ‘eerlijk geluid.’

Maar Kane belijdt dat credo slechts met de mond. No Surrender verschilt weinig van zijn voorgangers. Er is geen sprake van een natuurlijke artistieke ontwikkeling, maar van een pose, een concept, een gimmick.

No Surrender klinkt allesbehalve spontaan en authentiek. De muziek is te bedacht, geproduceerd en gladgestreken. De galmfrequentie ligt weliswaar lager, maar het holle bombast is Kane nog niet verleerd. Dinands zang is nog even geveinsd, bestudeerd en pretentieus. Nooit klinkt hij echt, hij blijft een acteur die drijft op maniertjes. Met het gebrek aan originaliteit weet Kane niet af te rekenen. No Surrender is opnieuw een allegaartje van allerhande afgekeken, gedateerde stijlen en rockclichés.

Kane heeft zichzelf als band niet opnieuw uitgevonden, maar slechts zijn image. De puurheid komt uit een potje.


Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers

woensdag 25 november 2009

Lee Scratch Perry praat met engelen


Dubtovenaar Lee Scratch Perry stak zijn studio in brand en heeft graag eenden om zich heen als hij muziek maakt.

‘Der verrückter Paradiesvogel’, zo staat Lee Scratch Perry bekend in zijn woonplaats Einsiedeln. De excentrieke reggaelegende dost zich graag uit in met cd’s behangen kleding en een indianentooi of een ander uitzinnig hoofddeksel. Een dorp op het Zwitserse platteland is wel de laatste plaats waar je Lee Scratch Perry verwacht. Maar hij woont er al 28 jaar naar tevredenheid met zijn Zwitserse vrouw en hun twee kinderen. Hij leidt een teruggetrokken bestaan. 'Ik ben geen feestbeest meer. Ik ben een huismus.'

Jamaica mist hij niet. ‘Ik had de verandering nodig. Jamaica werd me te corrupt. Als je in Jamaica geld verdient, komen mensen naar je toe om steun. Je moet iedereen onderhouden. Als je dat niet wilt, doen ze je iets aan’, zegt Perry, doelend op het gespuis dat de succesvolle producer aantrok en dat zelfs permanent in zijn Black Ark Studio bivakkeerde.

Duits, laat staan Schwyzerdütsch, spreekt Perry nog steeds niet. ‘Ik ben tevreden met het Engels dat ik uitkraam. I’m not good with twisting wordz and tonguez like dat. Pronouncing lettahz like dat iz fonny. Voor mij is de L de L en de S de S, en niet llll en ssggg. Of zoiets. Het klinkt belachelijk. Ik wil niet zomaar met taal aan de haal gaan. Ik heb groot respect voor letters en woorden. Ik wil precies weten wat ik zeg, anders niet.’

Pionier
Perry (1936) is een van de belangrijkste reggaemuzikanten. Als tiener was hij al talent scout en producer in dienst van Coxsone Dodd, de Berry Gordy van Jamaica en baas van Studio One, het Mekka van de reggae. Zijn bijnaam Scratch (hij heeft er overigens meerdere, zoals Pipecock Jackxon, The Upsetter en Jah Lion) dankt hij aan een van zijn eerste hits, Chicken Scratch. Perry was de concurrenten altijd een paar stappen voor, net even wat eigenzinniger en aparter. En later steeds experimenteler en vervreemdender.

In de jaren zeventig was Perry’s Black Ark Studio een van de meest vooraanstaande creatieve centra van de reggae. Met zijn huisband The Upsetters produceerde Perry grote namen als Max Romeo, Prince Buster, The Skatalites, de toasters I-Roy en U-Roy. Lee Perry stoomde Bob Marley van een middelmatige artiest klaar tot een ster van internationale allure. Perry werkte samen met The Clash, Robert Palmer, Beastie Boys, Moby en zelfs Paul McCartney. Als pionier van de dub (geremixte en vervormde reggae) is Perry’s invloed immens. Zonder ‘Scratch’ hadden hiphop en dance wellicht heel anders geklonken. Voorbeeldje: The Prodigy samplede Chase the Devil van Max Romeo voor Out of Space.



Perry was onvoorstelbaar productief. In zijn Black Ark Studio in zijn achtertuin haalde hij dagen en nachten door, eindeloos zijn tracks remixend. ‘De muziek gaf me de kracht om door te gaan. Ik kreeg energie van de muziek, ik werd nooit moe.' De precieze omvang van zijn gigantische oeuvre is onmetelijk. Zelfs Perry zelf weet niet hoeveel nummers hij heeft gemaakt. ‘Ik heb geen idee. Vele duizenden. Drieduizend? O nee, veel meer!’



Engelen
Het helpt als je put uit goddelijke inspiratie. Want eigenlijk is Perry’s lichaam slechts een medium van God. ‘Als ik muziek maak, hoor ik stemmen van engelen die me vertellen wat ik moet doen. Er zijn twee stemmen, een goede en een slechte. De goede is God en de slechte de duivel. De goddelijke engel vertelt je de goede woorden, geeft je goede muziek, goede geluiden, een goede mix.’ Soms strijkt ook de duivel op Scratch’ schouder neer. ‘Je moet niet naar hem luisteren. De duivel probeert alles wat goed is te verstoren. Dat mag je nooit toelaten. Maar het goede zal zegevieren over het kwade. Dus geen probleem.’

Tegenwoordig zit er niet zo veel muziek meer in Lee Scratch Perry. ‘Ik heb thuis een kleine computerstudio, maar die is niet te vergelijken met mijn oude studio op Jamaica. Alleen een drumcomputer. Ik maak niet meer zo veel muziek als vroeger. Ik heb zo’n twee maanden geleden voor het laatst een track gemaakt. De markt is niet zo goed meer. In Londen en Jamaica zijn minder platenlabels. Dat komt door het downloaden. Mensen willen niet meer betalen, dus het verdient niet genoeg.’

De 73-jarige muzikant treedt nog regelmatig op. ‘We doen vijftien optredens op een rij, dan hebben we een pauze en dan nog eens tien. Het gaat me nog gemakkelijk af. Ik ben happy op het podium.’




Gek
Het is een bekend gezegde dat de scheidslijn tussen geniaal en gek dun is. In het geval van Lee Scratch Perry is die lijn er zelfs helemaal niet. Berucht is de brand in de Black Ark Studio in 1979. Perry zou de studio in de fik hebben gestoken tijdens een zenuwinzinking - vermoedelijk het gevolg van uitputting en drank- en drugsmisbruik, nadat hij eerst alles had ondergekalkt met onbegrijpelijke religieuze leuzen. Getuigen verklaarden dat hij daags voor de brand achteruit door Kingston liep terwijl hij met een hamer op de grond sloeg. Anderen beweren dat Perry de boel in de hens stak om criminelen die hem afpersten, de loef af te steken. Weer een andere theorie is dat kortsluiting de oorzaak van de brand was. Of een Duitse fan was de dader. Perry werd gearresteerd op verdenking van brandstichting maar vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs. De zaak is nooit opgelost.

Kwade geesten
Perry heeft altijd volgehouden dat hij zelf de boel platbrandde om kwade geesten uit te drijven. ‘De dingen begonnen uit de hand te lopen. De energie was er niet meer. God zei tegen me: je moet het in brand steken, de negatieve energie eruit spoelen, zodat je de positieve energie weer voelt.’ Een deel van zijn oeuvre ging verloren, maar spijt heeft Perry nooit gehad. ‘Als God iets zegt, is het perfect. God maakt geen fouten. Ik doe altijd precies wat God zegt.’

Eenden
Investeerders die Perry hielpen de studio te herbouwen, troffen tot hun ontsteltenis een vijver met eenden aan in de studio en een broodrooster op het tuinhek. ‘It means I am a toaster and I am not a boaster’, was Perry’s verklaring. ‘Hahahaha’, schatert hij door de telefoon als hem wordt gevraagd naar de eenden. ‘Waarom niet? Ik hou van eenden. Ze zijn zeer intelligent. Ze maken deel uit van de natuur. Ze kunnen niet praten, maar ze houden van je. Ik zie ze als mijn kinderen. Hahahahaha! Ik wilde ze gewoon gelukkig maken. ’



Clean
Vroeger functioneerde Perry op hele sloten rum en grote hoeveelheden wiet, cocaïne en psychedelica. Maar de tijden zijn veranderd. ‘Ik rook niet meer, ik drink niet meer. Ik ben veranderd. Ik ben nu zo’n tien jaar gestopt.’ Vrouwlief Mireille houdt hem clean en gezond. ‘Dat is haar taak. Haha.’
Het gaat goed met Lee Scratch Perry, beweert hij. ‘Als je me nu ziet, geloof je je ogen niet. Kom je naar de show? Dan zal je zien dat ik kerngezond ben.’


Dit artikel is eerder verschenen in Dagblad De Pers

zaterdag 7 november 2009

Liedje

“Liedje”. Altijd al een stom woord gevonden. Het heeft iets lulligs. Maar dat doet er verder niet toe. Het is ook een onderwerp dat regelmatig opduikt in de popjournalistiek en dat mij stoort: het dogma van het liedje. Recensenten vinden dat muziek niet goed is als het geen liedje is.
De eerste keer dat het me opviel was tien jaar geleden toen de Red Hot Chili Peppers hun comebackalbum Californication uitbrachten. De ongeremde gekte had plaatsgemaakt voor degelijke songs. Eindelijk hadden de Peppers liedjes leren schrijven, oordeelde een recensent.
Alsof ze toen pas een goede band waren geworden die voorheen geen behoorlijke plaat kon maken. Maar die gekte en onbevangenheid was juist hun forte en dat maakte de Peppers in de steriele en conservatieve jaren tachtig juist zo interessant. En laten we eerlijk wezen, de Peppers klinken met ingang van Californication uitgeblust en hun platen zijn bij lange na niet meer zo memorabel als Freaky Styley.
Een recenter voorbeeld is The Dead Weather. Horehound zou geen goede plaat zijn want er staan geen goede liedjes op. Het is maar een jamplaat. Schijn bedriegt. Horehound is niet fladderig, schetsmatig en onaf, maar dynamisch, afgerond (knap en opvallend voor zo'n jonge band) en barst van de catchy hooks. Het misleidende van Horehound is het dissonante geluid, niet te verwarren met een gebrek aan melodieusiteit.
Los daarvan zie ik het probleem niet. Wat is er mis met jamplaten? Het enige dat telt is dat de muziek goed is. Want zonder songstructuur is muziek ook mooi en wel zo avontuurlijk en rijk. En ik heb nog nooit iemand horen klagen dat The Grateful Dead urenlang jamden op een thema. De kunst is om de spanning vast te houden.
Het is een westerse conventie dat muziek een duidelijk herkenbare structuur moet hebben. Anders raakt men de weg kwijt. Het is hetzelfde muzikale 'Occidentisme' en ook 'rock/folkcentrisme' waarmee experimenten met jazz inferieur worden geacht. Daar kan Joni Mitchell over meepraten. Het uitgesponnen The Hissing of Summer Lawns was moeilijker te verteren dan de liedjesplaat Blue.
Het is een kwestie van een open vizier. Reset je hoofd, leg het wetboek weg en onderga de muziek. Laat het je overkomen, laat je meevoeren. Dat was de boodschap van Miles Davis met Bitches Brew, die daarmee een heel nieuw genre schiep: de jazzrock ofwel fusion, waarin het negeren van dogma's en conventies het uitgangspunt was. Want werkt het doorbreken van conventies niet juist verfrissend?
Als het liedje het criterium is, vallen heel wat grote klassieke componisten, klassiekers (ik denk aan There's a Riot Goin' On van Sly & The Family Stone, Fun House en Raw Power van Iggy & The Stooges, Trout Mask Replica van Captain Beefheart, Swordfishtrombones van Tom Waits) tot zelfs hele genres (minimal music, experimentele muziek, ambient, maar punk net zo goed) buiten de boot.
Begrijp me niet verkeerd, ik begrijp en waardeer zeker een goed liedje. Het is grote kunst om een vernuftig liedje te schrijven. Compact, eenvoudig, effectief, gevoelig. Burt Bacharach is daarin bijvoorbeeld een meester. Maar het een sluit het ander niet uit.

Dit artikel verscheen eerder op DePers.nl.

donderdag 29 oktober 2009

The Dead Weather: Band niet gepland


Jack White’s The Dead Weather biedt 5 bands voor de prijs van 1 én de beste rockplaat van het jaar.
‘Jack, hou op!’, gilt Alison Mosshart in de telefoon. ‘Hij zit te klieren.’ De verveling slaat toe in de tourbus van The Dead Weather die onderweg is naar Edinburgh. Jack White laat de woordvoering liever aan zijn zangeres over, om de enige vrouw in zijn band vervolgens te treiteren.
The Dead Weather is op tournee, nadat ze dit voorjaar met Horehound misschien wel de beste (rock)plaat van het jaar afleverden. Loeiende hardrock die toch gelaagd, gedetailleerd en uitgebalanceerd is. Veel recensenten waren evenwel teleurgesteld dat er op het album geen echte liedjes stonden. Maar dat is een dogma van popjournalisten. Wat doet het er toe als de muziek goed is? Niemand verweet The Grateful Dead een gebrek aan songstructuren. Maar het is ook onzin: de nummers op Horehound zijn geen eindeloze niet uitgewerkte jams met kop noch staart, ze zijn compact en gebouwd rondom catchy hooks.
Afgerond
Een opvallend afgerond geluid juist voor een band die nog maar een paar maanden bestond en in feite bestaat uit vijf bands: Mosshart is zangeres van The Kills, White is zanger en gitarist van The White Stripes en The Raconteurs, Dean Fertita is toetsenist en gitarist van de Queens of the Stone Age en Jack Lawrence is bassist van The Greenhornes en The Raconteurs. Zie daar maar eens eenheid in te brengen. Waar sluiten de afgemeten bluesrock van The White Stripes, de punkachtige garagerock van The Kills, de rock&roll van The Greenhornes, de gitaarrock van The Raconteurs en de stonerrock van QOTSA op elkaar aan?
‘Het zijn inderdaad heel verschillende bands, maar de basis is bij ons allen de blues. Ook al hebben we er allemaal onze eigen interpretatie van, onze wortels liggen in de blues’, legt Mosshart uit. ‘Ik vind het moeilijk de vinger erop te leggen hoe we onze sound geschapen hebben. Ik zou het geen democratisch proces noemen. Dat werkt toch nooit trouwens. We waren gewoon vier muzikanten in een ruimte die samen jamden. We begonnen met niks en na een uur hadden we al een nummer. Bij het maken van Horehound was niks gepland of afgesproken. We begonnen gewoon te jammen en na een tijdje drukten we de opnameknop in. We hebben Horehound in drie weken opgenomen en we hebben ons niet gehaast.’
Officieel werd de band begin dit jaar opgericht, maar de leden kennen elkaar al jaren. Vorig jaar toerden The Kills en The Raconteurs samen. ‘We zaten voortdurend in de bus samen te jammen. Zo ontstonden de songs en de band. We waren helemaal niet van plan een band te vormen.Het voelt wel als een echte band, niet als een gelegenheidsformatie of project.’
Ego clash
Superbands worden maar al te vaak geplaagd door botsende ego’s. Crosby, Stills, Nash & Young is een beroemd voorbeeld. Jack White is een hyperproductief muzikaal genie en misschien wel de invloedrijkste rockmuzikant van dit decennium. Voeg er drie zwaargewichten aan toe en je hebt het recept voor een oorlogsband. ‘Nee hoor, er was geen ego clash’, zegt Mosshart echter. Heeft White een groot ego? Het is even stil. ‘Nee… Jack hou nou op!’ ‘Iedereen steunde elkaar’, zegt Mosshart. ‘Er waren geen attitudes. Het werkt niet als je grote ego’s in de band hebt. We hebben begrip en respect voor elkaars creatieve passies en willen allemaal gewoon iets maken dat briljant is.’
De imposante staat van dienst van Jack White werkte niet intimiderend. ‘Ik vond het juist uitdagend en het voelde ook als erkenning. En het is natuurlijk niet zo dat de andere leden net komen kijken’, aldus Mosshart.
Nieuw album
De chemie is nog niet uitgewerkt want The Dead Weather is al begonnen aan een tweede album dat eind dit jaar moet verschijnen, zegt Mosshart. ‘We hebben nu zo’n vijftien ideeën en vijf nummers zijn al af.’
Weer klinkt een schreeuw. ‘Rot nou op Jack, of ik sla je op je bek!’



Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers

vrijdag 23 oktober 2009

De romantiek van een rioolbuis


Een nachtje slapen in een rioolbuis? U hoeft niet naar Roemenië, het kan ook op het idyllische platteland van Oost-Groningen.

Hoe zou dat zijn, een nachtje leven als een straatkind in Boekarest? In een rioolbuis, onder de grond, putdeksel erop, kokhalzen van de stank van stront en pis, zo donker dat je niet eens de ratten kunt zien die aan je tenen knagen? Het claustrofobische van riolen, ondergrondse kerkers en levend begraven worden, kun je nu zelf ervaren op natuurcamping Buitengewoon Groenhoff in Vriescheloo op het Oost-Groningse platteland.

In het echt blijkt het verblijf in het Berenhotel, zoals het rioolbuizenkamp heet, verre van een ontbering. In de gouden gloed van de nazomerzon hebben de vijftien buizen, ingegraven in een dijkje en idyllisch gelegen aan een vijver, veel weg van de Hobbitstee uit Lord of the Rings.

Eigenaar Bé Dijkhoff van Buitengewoon Groenhoff kwam op het idee tijdens een borrel met een collega van Consumentenboerderij Bleyendael, een naburig activiteitenbedrijf. ‘We waren al een tijdje aan het nadenken over meerdaagse arrangementen. Ik wilde iets bijzonders doen. We dronken Beerenburg – vandaar de naam Berenhotel – en dachten: waarom stoppen we de mensen niet onder de grond? We zijn gaan rondkijken en toen kwam mijn schoonzoon met het idee van de rioolbuizen.’

Geen luxe

Het Nijmeegse betonbedrijf De Hamer bleek geschikte rioolbuizen te leveren, onder licentie van Tulip Hotels, die in Oostenrijk luxueuze hotelkamers in rioolbuizen exploiteert.

Maar zo comfortabel is het Berenhotel niet. De buizen zijn een maatje kleiner (2,50x1,80m), zodat je net niet rechtop kunt staan. Je moet namelijk wel een ‘grotgevoel’ hebben, alsof je in een echt berenhol ligt. De wanden zijn bespoten met leem, waarvan af en toe korrels naar beneden vallen. In de buis staat een tweepersoonsbed, aan weerzijden zijn twee zitjes, maar die doen beter dienst als plank voor je spullen. Verder is er centrale verwarming (een verblijf is dus het hele jaar door mogelijk), verlichting en een stopcontact. Plassen en wassen kan in de jachthut, waar ook een bar en een vuurplaats is. In de toekomst komt er in de vijver mogelijk een bubbelbad.

Schrik niet als u ’s avonds laat tastend in het aardedonker in een lichte alcoholroes op zoek naar de toiletten, geconfronteerd wordt met een levenloze vrouw die met haar auto de vijver in is gereden. Voordat u heldhaftig het portier openbreekt of met een bystander-syndroom aan de grond genageld staat: het is maar een pop. Het hoort bij het spookspel, een bij de prijs inbegrepen activiteit.

De nacht valt, tijd voor de vuurdoop. Wordt dit een real-life versie van Tim Krabbés thriller Het Gouden Ei? Het valt mee. Zo klein is het niet, al zou een raampje in de deur geen overbodige luxe zijn. Als het licht uit is zie je geen hand voor ogen. Echt het gevoel dat je in een rioolbuis of een grot slaapt heb je niet, het is meer alsof je in een bunker ligt.

Binnen hangt een muffe aardelucht en het is, ondanks de luchtpijp, benauwd. Met de deur op een kier is het te doen, maar dat doe je ’s winters niet zo gauw. Maar een Roemeens straatkind zou er een moord voor doen.


Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers.

donderdag 1 oktober 2009

Platenmaatschappijen vertrouwden Raekwon niet


Veertien jaar na zijn meesterwerk Only Built 4 Cuban Linx komt rapper Raekwon van de Wu-Tang Clan met een vervolg.

Een groot ego heeft Raekwon ontegenzeglijk. Tijdens het interview noemt hij zichzelf een ‘legende’, ‘getalenteerd’ en Only Built for Cuban Linx… Pt. II een ‘klassieker’, terwijl zijn nieuwe album amper een maand in de winkels ligt.

Maar je kunt hem niet helemaal ongelijk geven. Raekwon is lid van de grootste hiphopgroep ooit en werkte mee aan enkele klassiekers in het genre. Zijn debuutalbum Only Built 4 Cuban Linx… (1995) is een meesterwerk dat wordt gezien als een van de beste Wu-albums, maar ook als een van de beste hiphop-platen.


Bloedstollende reis door het getto

Op Cuban Linx 1 namen Raekwon en partner in crime Ghostface Killah de luisteraar mee op een bloedstollende reis door het getto met knap vertelde filmische verhalen over drugsdealers en ander gespuis.

‘Het ging over drugsdealers die aan het getto probeerden te ontsnappen, maar nog wel met één voet in het getto stonden’, vertelt Raekwon.

Veertien jaar later is er dan een vervolg. Het concept van 'OB4CL2' is oudere boeven die terugblikken op hun misdaadcarrière.

‘Het nieuwe album gaat terug naar de hiphop uit de tijd van het eerste album met harde beats, hardcore teksten, een conceptalbum met filmische teksten.

Het neemt je terug naar het leven in de projects (sociale woonflats in de achterbuurten) en op straat. Je krijgt een inkijkje in wat er zich achter de voordeur afspeelt. Ik vertel echte verhalen door de ogen van drugsdealers. Ik kom uit die wereld. Het is niet zozeer autobiografisch, maar het is wel een omgeving waarin ik ben opgegroeid en die me heeft gevormd tot een verhalenverteller. Het is een cinematografisch drugsverhalenalbum.’


Onderschat

Reeds in 2005 kondigde Raekwon de sequel aan. Maar Only Built 4 Cuban Linx… Pt. II liet nog vier jaar op zich wachten. ‘Als je aan een klassieker werkt, raffel je het niet af, daar neem de tijd voor’, is Raekwons verklaring.

De waarheid is dat platenmaatschappijen – ondanks hooggespannen verwachtingen - niet hun vingers aan het project durfden te branden.

‘De platenmaatschappijen onderschatten het project. Ze denken dat als je er even tussenuit bent geweest, dat je de weg kwijt bent. Ze willen alleen maar commerciële hiphop uitbrengen. Ze geloven niet dat een legende die al jaren meedraait nog veel platen kan verkopen. Ze denken dat je je tijd hebt gehad.’

Na vele vertragingen bracht Raekwon het album uiteindelijk maar op zijn eigen label Icewater uit.



'Rza is soms arrogant'

Opvallend is dat Rza, de huisproducer van de Wu-Tang Clan die het eerste album geheel produceerde, op het tweede album maar twee nummers aanlevert. Raekwon en Rza ruzieden over diens producties voor het Wu-Tang album 8 Diagrams (2007). Maar daar zou Rza’s beperkte rol niets mee te maken hebben, beweert Raekwon.

‘Rza is nu een ander persoon. Hij heeft een druk leven. Ik kan hem niet mijn agenda laten bepalen. En deel 2 moest anders worden dan deel 1. Ik vind deel 2 interessanter omdat ik heb samengewerkt met veel verschillende goede producers (o.a. Dr. Dre, Pete Rock, Erick Sermon, J Dilla, Marley Marl – red.). Nee, mijn kritiek op Rza’s producties voor het Wu-Tang album 8 Diagrams heeft er niks mee te maken.’

Wel wil Raekwon nog eens uitleggen waar hun openlijk uitgevochten ruzie over ging. ‘Het punt met Rza is dat hij soms een beetje opstandig is en niet naar anderen wil luisteren. Hij wist wat ik wilde maar hij was destijds niet van plan dat op te volgen. Hij vond dat het alleen maar míjn ding was. Al waren er mensen die er hetzelfde over dachten als ik. Rza is soms arrogant en denkt dat hij alles weet. Dus wij zeiden tegen hem: je weet helemaal niet alles. Je bent wel een goede producer, maar je gedraagt je niet als een grote producer.'

'Er was wat onenigheid, maar dat is verleden tijd. Even goede vrienden. We hebben zo veel samen meegemaakt. We hebben samen geschiedenis geschreven. Dus we zullen elkaar nooit de rug toe keren.’

Raekwon gaat evenwel door met zijn project Shaolin vs. Wu-Tang, een album met diverse Wu-Tang-leden, maar waarop Rza niets mag produceren. Een anti-Rza album is het volgens Raekwon evenwel niet. ‘Niemand dist niemand.’


Groepsalbum

Een nieuw groepsalbum van de Wu-Tang Clan zit er voorlopig niet in. ‘Op dit moment gaat iedereen zijn eigen richting uit als soloartiest’, antwoordt Raekwon desgevraagd. ‘We zijn een groep die bestaat uit soloartiesten. We verdienen meer geld met individuele projecten. Maar het blijft een Clan-ding want we zijn altijd op elkaars platen te horen. Er zijn geen concrete plannen voor een groepsalbum. Zo ver kijken we niet de toekomst in. Als het gebeurt, gebeurt het.'

De Wu-Tang Clan verkwanselde hun uitstekende (live)reputatie met kwalitatief mindere albums, en nog erger, door niet of slechts onvoltallig te komen opdagen bij optredens. De Wu kreeg de naam van een zootje ongeregeld. Maar dat ligt er volgens Raekwon niet aan dat de faam naar hun hoofd gestegen is.

‘Je moet begrijpen dat als er zo veel leden (9) in een groep zitten, het moeilijk is om iedereen aanwezig te laten zijn,’ legt Raekwon uit. ‘Iedereen gaat zijn eigen kant op. We hebben allemaal kinderen. Soms moet iemand voor vader spelen. Soms kan iemand als soloartiest meer geld verdienen dan met de Wu-Tang Clan. Er moet wel brood op de plank komen, dat beseffen mensen niet altijd.’



Dit artikel verscheen eerder op DePers.nl

woensdag 30 september 2009

De zoete wraak van Q-Tip

‘Industry rule number 4080, record company people are shady’, rapte Q-Tip in 1991 al. En hij heeft het geweten. Zeven jaar van zeuren en onderhandelen – en naar verluidt eigen geld – kostte het de rapper om zijn tweede soloalbum Kamaal The Abstract gereleased te krijgen. In april 2002 trok zijn platenmaatschappij op het allerlaatste moment het album terug, uit vrees dat het album te experimenteel en dus onverkoopbaar zou zijn.




Een vreemde aanname, want Q-Tip bouwde als frontman van A Tribe Called Quest een ijzersterke reputatie op als vooruitstrevend artiest. Dus een uitdagende plaat zou bij zijn achterban niet in slechte aarde zijn gevallen. Eerder omgekeerd. Dat de rapper een soulplaat maakte waarbij hiphop op de achterbank plaatsnam, had niemand hem kwalijk genomen. Daaraan waren we in 2002 allang gewend dankzij The Roots, D’Angelo en Erykah Badu. Intussen moest Q-Tip met lede ogen aanzien hoe labelmates OutKast dubbelplatina hits scoorden met hun experimentele muziek.

Is Kamaal The Abstract een album dat je zintuigen stevig op de proef stelt? Welnee. Maar c’est le ton qui fait la musique. In vergelijking met zijn voorganger Amplified (1999) is Kamaal The Abstract donkerder van toon, minder jiggy en compact. Catchy pop hooks ontbreken en er is geen radiovriendelijke single.

Q-Tip heeft zijn raps flink teruggeschroefd om alle ruimte aan de muziek te geven. Kamaal The Abstract draait om atmosfeer. Uitgesponnen, mellow grooves vormen de ondergrond voor dwarrelende piano-, keyboard-, fluit- en saxsolo’s (van jazzsaxofonist Kenny Garrett). Warm en smaakvol als een kop warme chocolademelk. Kamaal The Abstract is zo’n plaat die in je systeem kruipt als een opiumverslaving. Q-Tips wraak is zoet.

Dit artikel verscheen eerder op DePers.nl.