maandag 25 april 2005
De macht van Beatrix
De koningin is lid van de regering, maar het zijn de ministers die verantwoording afleggen aan het parlement. Wel benoemt de koningin de bewindslieden. Verder houdt de vorstin goed bij wat er in het kabinet speelt. Maar hoe groot haar invloed is op het beleid, is giswerk en verdeelt deskundigen.
Jan Willem Brouwer, historicus parlementaire geschiedenis van de Radboud Universiteit Nijmegen, stelt dat de invloed van koningin Beatrix op het regeringsbeleid klein is.
Invloed hangt af van premier
“Sinds de grondwetswijziging van 1983 is ze wel lid van de regering, maar ze heeft geen echte macht”, zegt Brouwer. “Premier Kok citeerde in 2000 Walter Bagehot [Britse econoom en journalist uit de 19e eeuw en schrijver van The English Constitution (1867) over de rol van de koning en het parlement – red.]: de koningin heeft het recht om geraadpleegd te worden, het recht aan te moedigen en het recht te waarschuwen. Ik denk dat er in regering wel veel naar haar geluisterd wordt, als onafhankelijk persoon en gezien haar positie. Maar dat is ook afhankelijk van haar verstandhouding met de premier en ministers.”
Zo had Dries van Agt (minister-president van 1977 tot 1982) een moeizame relatie met koningin Beatrix. Zijn partijgenoot Ruud Lubbers (premier van 1982 tot 1994) had echter een zeer nauwe band met de koningin. Ook PvdA-premier Wim Kok (1994-2002) had een goede verstandhouding met Beatrix. De relatie tussen de vorstin en de huidige premier Jan Peter Balkenende is daarentegen ‘niet optimaal’, zegt Fred J. Lammers, koningshuisdeskundige en auteur van ruim zeventig boeken over de Oranjes.
“Balkenende heeft diep respect voor Beatrix en zal wel toegeven aan haar gezag”, schat Lammers in. “Beatrix vindt Balkenende niet zo flink, ze heeft weinig respect voor hem.” De koningin viel de premier bijvoorbeeld publiekelijk af over de Oranjesatires.
Vaste prik is het bezoek dat de minister-president elke maandagmiddag aan de vorstin brengt om de resultaten van de laatste ministerraad te bespreken. Die bezoeken zijn volgens Lammers ‘zeker geen formaliteit’. Maar volgens Brouwer is de mening van de koningin niet doorslaggevend in de besluitvorming van het kabinet. Peter Rehwinkel, oud-PvdA-Kamerlid (portefeuille koningshuis), burgemeester van Naarden en van huis uit staatsrechtgeleerde, stelt dat de koningin van het kabinet ‘zeker wel eens nul op het rekest’ krijgt.
Inderdaad, de Volkskrant berichtte zaterdag dat premier Kok in 1995 tegenhield dat koningin Beatrix haar excuses aanbood aan Indonesië voor de mensenrechtenschendingen door Nederlandse militairen tijdens de politionele acties in 1949 en 1950 (Kok ontkende het bericht overigens). Ook D66-leider Jan Terlouw, die vice-premier was in het tweede kabinet-Van Agt (1981-1982), beaamt dat de vorstin geen vrij spel heeft. “Ze heeft geen invloed. Ze is wel geïnteresseerd. De koningin heeft weinig macht, dat wordt vaak overdreven.”
Krachtig persoon
Maar Terlouw erkent dat Beatrix een ‘krachtig persoon’ is. Diezelfde woorden gebruikt Lammers ook. Hij wijst op de gedegen voorbereiding, deskundigheid en ervaring van de vorstin, die haar gezag en daarmee invloed verschaffen (volgens kenners wekt Beatrix’ intellect ook in het buitenland ontzag). Het kabinet zal zeker naar de koningin luisteren, maar kunnen van haar wensen afwijken. Liesbeth Spies, Tweede Kamerlid voor het CDA, wijst erop dat ministers luisteren naar iedereen die hen van advies kan dienen en ‘daarin speelt de koningin wellicht ook een rol’. Maar ze heeft geen indicaties dat ‘besluiten door de koningin onmogelijk zijn gemaakt’.
Historicus en koningshuisdeskundige Jan Kikkert is een andere mening toegedaan. Hij refereert aan een anekdote die Lubbers ooit vertelde over het vaste maandagmiddagbezoek aan de koningin. “De koningin zei dan: ‘dit kan niet’. De vrijdag erop zei Lubbers in de ministerraad: ‘ik heb er nog eens over nagedacht, maar ik heb het besluit gewijzigd’. En wel naar het inzicht van de koningin.” Kikkert citeert bovendien oud-minister Joseph Luns: “De koningin is niet iemand om tegen te spreken.”
Grenzen grondwet verkennen
Kikkert stelt dat de invloed van koningin Beatrix in het kabinet ‘groter is dan wordt aangenomen’. “Toen Hare Majesteit haar eredoctoraat ontving, zei ze in haar toespraak dat haar eerste ministers haar meer vrijheid hadden gegeven dan gebruikelijk is volgens de regels van de grondwet.” Kikkert geeft toe dat de grondwet geen harde grens trekt, ‘maar ze is die grenzen wel voortdurend aan het verkennen’.
Kikkert spreekt van ‘Beatrixisme’; de koningin en de premier regeren samen. Daarbij krijgt de koningin haar kennis van haar adviseurs en de premier van zijn ministers en topambtenaren. “Maar de adviseurs van de Majesteit worden door niemand gecontroleerd.”
Volgens Paul Cliteur, rechtsgeleerde van de Universiteit Leiden en lid van het Republikeins Genootschap dat de monarchie wil afschaffen, is de politieke invloed van het koningshuis groot. Hij wijst bijvoorbeeld op het lidmaatschap van prinses Máxima van de Commissie Participatie van Vrouwen uit Etnische Minderheidsgroep (PaVEM). “Ze zit daar niet alleen voor de show.”
Kikkert stelt dat de koningin zeker invloed uitoefent via diverse commissies en ook benoemingen van burgemeesters, of liever gezegd het uitsluiten van personen ‘die ze niet kan pruimen’. Een bekend voorbeeld is dat koningin Beatrix in 1996 naar verluidt zich persoonlijk heeft bemoeid met de overplaatsing van de Nederlandse ambassadeur Röell in Zuid-Afrika, omdat hij een buitenechtelijke relatie had.
Formatie
De koningin oefent sowieso invloed uit op kabinetsformaties. Ze mag informateurs en formateurs benoemen, maar ze moet daarbij wel rekening houden met de verkiezingsuitslag en haar adviseurs.
Volgens Terlouw speelt koningin Beatrix een actieve rol bij formaties en heeft ze daarbij een eigen mening. Ze koos in 1981 De Gaay Fortman als informateur terwijl de partijen andere kandidaten naar voren hadden geschoven. De koningin zal naar eigen inzicht personen afwijzen, maar geen partijen, aldus Terlouw. Inderdaad, in 1994 koos koningin Beatrix de PvdA’er Kok als formateur, terwijl informateur Herman Tjeenk Willink iemand uit VVD-kring aanraadde. De liberalen boekten tenslotte een winst van acht zetels en de PvdA verloor twaalf zetels.
Beperkte ruimte
Aan de bevoegdheid van de koningin om (in)formateurs aan te wijzen is in het verleden gemorreld. In 1971 dienden de Tweede Kamerleden Van Tijn (PvdA), Goudsmit (D66) en Aarden (PPR) een motie in die de aanwijzing van de formateur aan de Tweede Kamer wilde overlaten. Het CDA en de VVD stemden het voorstel weg en de bevoegdheid bleef bij de vorstin.
De koningin kan dus invloed uitoefenen, toch is haar beweegruimte beperkt. “Beatrix wil geen heibel rondom de troon, omdat dit haar positie nog verder kan uithollen”, zegt Brouwer.
Als voorbeeld voor de beperkte beweegruimte van het staatshoofd wijst Brouwer op de controverse rondom de 5 mei-toespraak van Beatrix uit 1995. “Dat was een multiculti-toespraak over tolerantie. De VVD zag dat als een belediging voor zijn leider Bolkestein, die bezig was integratie op de agenda te zetten. “De VVD stuurde bij partijbijeenkomsten traditioneel een felicitatietelegram naar de koningin. Ze hebben toen overwogen om als straf dat telegram niet te versturen.”
In de jaren ’90 en rond de millenniumwisseling leefde de discussie over de macht van de koningin met regelmaat op. In 1996 werd het Republikeins Genootschap opgericht. In 2000 stelde D66-leider Thom de Graaf voor om de rol van het staatshoofd fors te reduceren volgens het Zweedse model; daarin is de koningin geen lid van de regering en heeft louter een ceremoniële taak. Toenmalig premier Kok onderzocht het voorstel maar uiteindelijk bleef alles bij het oude. CDA-Kamerlid Spies vindt de huidige situatie prima geregeld; als er iets mis gaat met de monarchie, kan de minister-president ter verantwoording geroepen worden.
De discussie over de monarchie is de laatste jaren op de achtergrond geraakt. Actief republicanisme geniet weinig aanhang. Het koningshuis lijkt zelfs steeds populairder te worden, signaleert Brouwer. Hij wijst op het huwelijk van kroonprins Willem-Alexander en prinses Máxima in 2002.
Terlouw wijst erop dat de meerderheid van de Nederlandse bevolking nog altijd voorstander van het koningshuis is. Inderdaad, uit een enquête dat Interview NSS in opdracht van de Telegraaf uitvoerde, bleek zaterdag nog dat bijna zestig procent van de ondervraagden voorstander van de monarchie was. Slechts een kwart was republikein.
Maar de politieke rol van de vorst(in) zal in de toekomst wel afnemen om vervangen te worden door een ceremoniële functie, voorziet Terlouw. Volgens Spies is dat ook afhankelijk van de manier waarop kroonprins Willem-Alexander zijn functie gaat invullen. Lammers wijst daarnaast op ontwikkelingen binnen de Europese Unie, waar koningshuizen verder gemarginaliseerd zullen worden. Hij gaat zelfs een stapje verder; Lammers betwijfelt of prinses Amalia nog koningin zal worden.
Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.
vrijdag 8 april 2005
Rampenbestrijding raakt uit de mode
De terreurwetgeving is in Nederland flink aangescherpt. Zo zijn onder meer de bevoegdheden opsporingsinstanties uitgebreid. Edwin Bakker, terrorismedeskundige van het instituut Clingendael, is tevreden over de maatregelen die de regering heeft genomen. Die zijn volgens Bakker toereikend, soms zelfs ‘overdone’, zoals de meldingsplicht voor terreurverdachten en het strafbaar stellen van het verheerlijken van de Jihad. Uiteindelijk hindert dat juist de terreurbestrijding, vreest Bakker. “Dat leidt tot situaties waarin veiligheidsdiensten er weer een taak bij krijgen waarvoor ze heel veel capaciteit kwijt zijn.” Uiteindelijk hindert dat juist weer de terreurbestrijding, waarschuwt Bakker.
De opsporingsdiensten hebben voldoende bevoegdheden en budget, aldus Bakker. Ook de capaciteit wordt verbeterd. Wel constateert Bakker dat er wrijvingen zijn tussen de AIVD en de politie. “Er moet echt wat gedaan worden aan de stereotypen die men van elkaar heeft. De AIVD moet niet alleen maar een ‘stofzuiger’ zijn die heel veel informatie bij de politie weghaalt en er niets voor teruggeeft. Bij de politie ontstaat dan op een gegeven moment de woede dat ze niet op de hoogte zijn gebracht. Bij de AIVD bestaat het beeld dat de politie niet altijd even zorgvuldig omgaat met informatie, en dat men elkaar in de weg loopt bij allerlei operaties.”
De situatie verbetert wel. “Er is in het afgelopen jaar heel veel verbetering aangebracht door allerlei structuren. Men is elkaar veel meer gaan opzoeken door gebeurtenissen als Madrid en de Hofstadgroep. Ik ben wel positief over de ontwikkelingen maar dat kan nog een stuk beter.”
Grote aanslagen
Ondanks de nieuwe terreurmaatregelen wist de AIVD de moord op Theo van Gogh niet te voorkomen. Een grote aanslag heeft nog niet plaatsgevonden. Dat roept de vraag op of de overheid niet te veel inzet op terrorisme van Madrid-formaat en te weinig op kleinschalige acties als de moord op Van Gogh. Bakker vindt van niet.
“Het zijn toch de grote aanslagen die we in eerste instantie willen voorkomen. Dat vind ik nog steeds belangrijk beleid. We moeten oppassen dat we terrorisme niet gaan zien als Mohammed B.-achtige acties. Dat moet je wel in de gaten houden en alles aan doen, maar je moet ook de professionele grotere netwerken in de gaten houden. Maar dan kan het gebeuren dat je opeens dit krijgt, dat er opeens zo’n iemand tussendoor fietst.”
Aandacht rampenbestrijding verslapt
De vuurwerkramp in Enschede en de cafébrand in Volendam schudden Nederland wakker. De rampenbestrijding bleek vaak slecht te zijn en moest ingrijpend hervormd en verbeterd worden. Een paar jaar en enkele terroristische aanslagen later is de aandacht voor crisisbestrijding alweer verslapt, klagen deskundigen.
“Je hebt last van terreur”, klaagt Raymond van Mourik, secretaris van de Raad van RGF’en (Regionaal Geneeskundige Functionarissen). “ We vestigen er vol aandacht op, dat gaat ten koste van de brede rampenbestrijding. Wij proberen met de politie mee te liften. Maar bij de AIVD komen er 120 man bij en die krijgen wij dus niet.”
De politiek kijkt niet verder ‘dan de eigen dagelijkse praktijk’, constateert Ben Ale, hoogleraar rampenbestrijding aan de TU Delft en onderzoeker van het kennis- en opleidingsinstituut voor rampenbestrijding NIBRA. “Rampen zijn er niet zo veel, gelukkig. Iedereen verzeilt vrij gemakkelijk in zijn dagelijkse besognes. De aandacht voor rampenbestrijding vasthouden is moeilijk omdat er niet zo veel rampen zijn. In dat opzicht is het bijna contraproductief; hoe beter we zijn in het voorkomen van rampen, hoe minder mensen denken dat het ergens goed voor is. ‘Er gebeurt toch niks, dus waarom doe je al die moeite?’”
Budget ontoereikend
Het gevolg is dat het budget voor rampenbestrijding ontoereikend is. “Er is erg weinig geld voor onderzoek, opleidingen. Het heeft de grootst mogelijke moeite gekost om een klein budget te regelen voor het NIBRA en de TU Delft. En dan praat je nog over verwaarloosbare bedragen in vergelijking met wat een ramp kost. Als per jaar één miljoen aan onderzoek wordt uitgegeven, en één ramp kost vijfhonderd miljoen of een miljard, dan denk je: ‘ach, het is toch allemaal weinig’.” De gemeenten denken nog minstens tweehonderd miljoen euro van het Rijk nodig te hebben om de veiligheidsregio’s op poten te zetten.
Een ander punt van Ales kritiek is dat de regering geen eenduidig beleid uitstraalt. “Aan de ene kant willen ze het ministerie van Veiligheid als een soort centraal ding. Aan de andere kant wordt de rampenbestrijding en allerlei andere diensten zo veel mogelijk aan de gemeenten overgelaten. Dan maak je een spagaat en het is niet duidelijk wat je eigenlijk wil.”
Rampenbestrijding kan goed overgelaten worden aan gemeenten, omdat zij de lokale situatie beter kennen dan de landelijke overheid, stelt Ale. Hij oppert wel om de structuur van de rampenbestrijding – met name de gefragmenteerde medische hulpverlening – centraal te regelen. Maar ook dat zou lokaal geregeld kunt worden, aldus Ale. Inmiddels is de vorming van 25 veiligheidsregio’s, die de samenwerking van besturen en hulpverleningsdiensten moet verbeteren, in gang.
Ministerie van Veiligheid
Evenals Ale voelt bestuurskundige Gerard van Staalduinen weinig voor een ministerie van Bestuur en Veiligheid, zoals onlangs door vijf burgemeesters werd voorgesteld naar analogie van het Amerikaanse Department of Homeland Security. Die gaat dan over zowel terrorisme- als rampenbestrijding, maar ook voedselkwaliteit.
“Wat moet een ministerie van Veiligheid dan gaan regelen? Waar hebben we het dan over? Als je veiligheid uit elkaar gaat rafelen, is het heel complex. Brandveiligheid, veiligheid dijken, verkeersveiligheid, consumentenveiligheid”, zegt Van Staalduinen. “Hoe gaat het ministerie van Veiligheid dat doen? Alles op één hoop gooien?”
Investeren in controle
Van Staalduinen vindt investeren in rampenbestrijding alleen niet genoeg. “Je moet ook investeren in zaken als controlehandhaving, betere vergunningen. Al die professoren die van te voren kunnen vertellen hoe het allemaal bedacht is, dat is natuurlijk een grote valkuil. Men moet ook nog even voor zorgen dat het ook gedaan wordt.”
De boodschap is helder: rampenbestrijding vereist permanente zorg. Het is verleidelijk om de aandacht te laten verslappen als er niets gebeurt. Maar dat krijgen de politiek overheden dubbel op hun brood als er straks wel een ramp plaatsvindt. Het is tragisch als vele doden ons wakker moeten schudden.
Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.
maandag 4 april 2005
Nederland bestrijdt terreuraanval op papier
Het Centraal Station van Utrecht zou een ideaal doelwit voor terroristen zijn; grote slachtofferaantallen en een totale ontwrichting van het openbaar vervoer. Als knooppunt van spoorwegen kan een verstoring van het treinverkeer niet alleen voor Utrecht, maar voor het hele land, enorme gevolgen hebben. Duizenden mensen reizen immers dagelijks met de trein.
Bovendien is de beveiliging niet optimaal, want hoe moeilijk is het om een tasje met springstof mee in de trein te nemen?
Rampenbestrijdingsplan
Wat kan Nederland doen om zich voor zulk onheil te behoeden? Wat betreft alertheid op een aanslag, baseert de politie zich op informatie van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). De gemeente Utrecht houdt wel degelijk rekening met een terroristische aanslag en voor het Stationsgebied werd in december nog een nieuw rampenbestrijdingsplan vastgesteld.
Echter, van een verhoogde bewaking van het station is nu geen sprake; aanwijzingen voor een concrete dreiging zijn er namelijk niet. Ook heeft een mogelijke ramp veroorzaakt door terroristen op dit moment geen prioriteit in Utrecht. Andere calamiteiten, zoals een incident met een lekkende chloortrein, krijgen meer aandacht omdat deze in het verleden al eens hebben plaatsgevonden.
In de praktijk
De vraag dringt zich op in hoeverre de plannen in de praktijk ook wel goed werken. Het rampenbestrijdingsplan voor het Stationsgebied is nog relatief nieuw en momenteel is de provincie nog bezig met de toetsing ervan. In de praktijk is het plan nog niet geoefend, wel bestaat er een theoretische toetsing.
Volgens nationale richtlijnen actualiseren de gemeenten in Nederland jaarlijks het rampenbestrijdingsplan. Tegelijkertijd vindt er dan een soort oefening plaats. Eelko van den Boogaard van de Projectgroep Stationsgebied van de gemeente Utrecht: “Dat is geen oefening waarbij je Hoog Catherijne helemaal gaat afsluiten. Je loopt eens met de betrokken partijen door het gebied en analyseert een aantal scenario’s. Dan wordt het script goed bekeken.”
Volgens Van de Boogaard brengt zo’n ‘oefening’, die in Utrecht twee keer wordt gehouden, een aantal nuttige zaken met zich mee. Bovenal fungeert het echter als ontmoetingsplek voor de verschillende diensten. “Wat heel belangrijk is, is dat mensen elkaar leren kennen en ook weten: wanneer heb ik wie nodig? Dan hoef je ook niet al je energie te steken in allerlei ingewikkelde dingen buiten.”
“Met bestuurders oefenen wij vrij vaak”, legt Kees Molders, beleidsmedewerker Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente Utrecht, uit. “De burgemeester moet het beleidsteam, dat de rampbestrijding coördineert, [bestaande uit de burgemeester, de gemeentesecretaris, een ambtenaar rampenbestrijding, een voorlichter, een Regionaal Geneeskundig Functionaris, de districtschef van de politie, de commandant van de brandweer en soms de Officier van Justitie – red.] voorzitten. Er wordt dan gekeken naar wat er in het rampenplan voor het Stationsgebied staat. Hoe het werkt, of iedereen zijn rol kent, en of iedereen wel de goede lijntjes uitzet.”
In de toekomst wil de gemeente met de hulpdiensten een grote ontruimingsoefening houden in het Stationsgebied. Begin deze maand hebben alle medewerkers van de gemeente en hulpdiensten al een basiscursus gekregen over de taakverdeling bij een grote ramp, vertelt Molders.
Daarnaast worden leidinggevenden van de hulpdiensten sinds kort in Zweden en Groot-Brittannië getraind, waar speciale terreinen zijn waar, aan de hand van verschillende scenario’s, realistisch geoefend kan worden.
Grote operaties te kostbaar
Echt grote operationele oefeningen komen weinig voor in de gemeente. “Die zijn zo ingewikkeld qua voorbereiding en duur, dat je die maar eens in de zoveel tijd houdt”, vertelt Molders. “De laatste grote oefening die we hebben gehad was de oefening op de Lekbrug.” Bij deze oefening in oktober 2001 werd gesimuleerd hoe tientallen auto’s op elkaar waren geknald en in brand vlogen.
Bestuursdeskundige Gerard van Staalduinen heeft twijfels over complexe operaties, zoals Bonfire, de landelijke oefening die woensdag in Amsterdam wordt gehouden. “Dat is een parade, maar geen oefening. Alles is ingestudeerd. Dan heb je vaak het probleem dat er te veel eenheden ‘op elkaar zijn gestapeld’. Als dan één eenheid wat verkeerd doet, staan de anderen stil.”
Geen geld
Uit gesprekken met de gemeente Utrecht kan opgemaakt worden dat de wil voor een verbetering van de rampenbestrijding er wel is, maar dat de uitvoering ervan stukloopt. Een tekort aan financiële middelen ligt daaraan ten grondslag. Ben Ale, hoogleraar Veiligheid en Rampenbestrijding van de TU Delft en het kennisinstituut NIBRA, beaamt dat. “Enerzijds wordt er geëist dat het beter moet, maar er wordt geen geld voor uitgetrokken”, zegt Ben Ale, hoogleraar Veiligheid en Rampenbestrijding van de TU Delft en het kennisinstituut NIBRA.
Het gebrek aan geld voor rampenoefeningen is een veelgehoorde klacht van gemeenten. Volgens Molders heeft burgemeester Annie Brouwer – tevens voorzitter van de Veiligheidskoepel en de Commissie-Brouwer die namens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de overheid over de organisatie van rampenbestrijding adviseert – vaak genoeg bij Den Haag aangeklopt voor meer geld voor oefenen (en rampenbestrijding in het algemeen), maar vergeefs. Ook mensen uit het veld en rampenbestrijdingsdeskundigen verwijten het Rijk te weinig geld uit te trekken voor oefeningen.
Woordvoerder Frank van Beers van het ministerie van Binnenlandse Zaken werpt tegen dat het de verantwoordelijkheid van de gemeenten zelf is om geld vrij te maken voor rampenoefeningen. “Als gemeenten rampenoefeningen belangrijk vinden, moeten ze hun prioriteiten stellen en daar geld voor vrijmaken.”
Van Beers wijst er bovendien op dat het kabinet in het ‘Beleidsplan Crisisbeheersing 2003-2007’ 4,5 miljoen euro per jaar heeft vrijgemaakt voor rampenoefeningen. Gemeenten die een oefening willen houden, kunnen een aanvraag met begroting indienen bij het ministerie, die deze vervolgens keurt. Ter vergelijking: de Bonfire-oefening in de ArenA op 6 april kost één miljoen euro.
Afweging
Gemeenten moeten uiteindelijk ook een afweging maken tussen het redden van zoveel mogelijk slachtoffers en hoeveel geld ze daaraan willen besteden.
“We hebben geen rampenziekenhuizen. Dat moet allemaal betaald worden. En wie betaalt dat? In onze maatschappij hebben we al die extra voorzieningen nu niet nodig”, zegt Van Staalduinen. “Utrecht kan heel veel brandweerauto’s erbij kopen, maar die staan de hele dag niets te doen.”
Hetzelfde zegt de gemeente Utrecht. “Wij kunnen best op elke straathoek een ambulance neerzetten, maar dat willen we helemaal niet betalen met z’n allen”, zegt Molders. “Dan neem je dus een bepaald risico. Niet dat als je dat geld wel beschikbaar stelt, ieder risico kan afdekken en dat niemand ooit meer dood gaat.”
Het rampenbestrijdingsplan voor het Stationsgebied in Utrecht is vooralsnog een tekentafeldocument. Dat zal het ook blijven als de overheid niet meer geld beschikbaar stelt voor oefeningen. Aan de andere kant zijn oefeningen ook niet alles. Cynisch gesteld is de enige echte toets van het plan een ramp.
Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl. Co-auteur Stephanie Engel.
donderdag 24 maart 2005
D66 heeft toch nog bestaansrecht
Bestuurlijke vernieuwing was traditioneel een van de belangrijkste programmapunten van D66. Toen CDA en VVD in 2003 de partij nodig hadden om een meerderheidskabinet te kunnen vormen, waren voor de Democraten toezeggingen over de gekozen burgemeester en vernieuwing van het kiesstelsel voorwaarden voor deelname. Nu een streep door die rekening is gezet, lijken de pijlers onder de partij te zijn weggeslagen.
Die stelling gaat te ver, menen zowel D66-leden als politicologen. Philip van Praag, politicoloog van de Universiteit van Amsterdam (UvA), vindt niet dat er sprake is van een existentiële crisis. Wel constateert hij dat er een interne crisis speelt in de partij. “Er is een sluimerende verdeeldheid. Een deel van de achterban vindt dat de rechtvaardiging voor deelname aan het kabinet is weggevallen. Hans van Mierlo en Jan Terlouw zinspeelden daar al op. Een ander deel van de partij wil wel in de coalitie blijven. Dus daar ontstaat een conflict. Maar de partij zal zich niet opheffen.”
Ook andere redenen voor kabinetsdeelname
Ook historicus en D66-lid Menno van der Land, auteur van het boek ‘Tussen ideaal en illusie’ over de geschiedenis van zijn partij, meent dat zijn partij nog niet in een existentiële crisis is beland. “D66 zit voor meer in het kabinet dan alleen staatskundige vernieuwing.” Hij wijst op onderwijs en investeringen in de kenniseconomie als andere belangrijke punten op de D66-agenda.
Flauw
Van der Land vindt het ‘flauw’ dat bij elke tegenslag voor D66 de vraag wordt gesteld of de partij nog wel bestaansrecht heeft. “Ook andere partijen hebben soms met tegenslagen te kampen, maar daarbij wordt die vraag nooit gesteld. D66 staat voor veel meer dan alleen staatskundige vernieuwing. Kijk naar de geschiedenis: toen Jan Terlouw nog partijleider was [van 1973 tot 1982 – red.], stond staatskundige vernieuwing niet zo hoog op het verlanglijstje van D66. Andere onderwerpen als milieu stonden daar veel hoger op. En de laatste tijd heeft ook de D66-fractie in de Tweede Kamer zich op andere punten geprofileerd, zoals het Europese referendum en vrijheid van meningsuiting.”
Simplistische beeldvorming
Partijgenoot en oud-fractievoorzitter Gerrit Jan Wolffensperger hekelt ook de simplistische beeldvorming rond D66. “Voor de buitenwereld zitten we vastgespijkerd aan het uithangbord van bestuurlijke vernieuwing, maar er zijn ook andere redenen waarom we in dit kabinet zijn gestapt. Dat was ook zodat D66 een progressieve bijdrage kon leveren aan een conservatief kabinet.”
Wolffensperger heeft er een hard hoofd in dat D66 deze nuancering aan de kiezer kan overbrengen. Hij vindt het dan ook logisch als D66 uit het kabinet stapt. “Er zijn weinig andere mogelijkheden. Het is niet aan de kiezer uit te leggen waarom we blijven.”
Profiel verwaterd
Van Praag stelt dat D66 zelf zijn profiel heeft laten verwateren. “Onder Terlouw stond D66 voor veel meer onderwerpen, bijvoorbeeld technologische ontwikkeling en onderwijs. Dat is de laatste jaren verwaterd. D66-minister van Economische Zaken Laurens Jan Brinkhorst, die zich zou moeten inzetten voor die technologische ontwikkeling, doet daar weinig aan.”
Wolffensperger vindt het een ‘intrigerende vraag’ wat er met D66 zal gebeuren als de partij uit het kabinet stapt en er nieuwe verkiezingen worden uitgeschreven. “Het wordt dan uiterst lastig. D66 heeft zich vervreemd van de andere progressieve partijen. Ze moet zich gaan beraden op de manier waarop ze zich profileert in de verkiezingen. Dan zou een coalitie met de PvdA een reële optie zijn.”
D66 doet het al jaren slecht in de verkiezingen. Naar verwachting zal die tendens zich voortzetten. Of de huidige crisis daar nog invloed op heeft, betwijfelt politicoloog Rudy Andeweg van de Universiteit Leiden. “Electoraal verandert er weinig voor D66. Burgers waren al niet geïnteresseerd in staatskundige vernieuwing, dus die stemden al niet op de partij.”
Volgens Wolffensperger ‘zou het kunnen’ dat D66 in de obscuriteit raakt. Daar ligt hij echter niet wakker van. “Ik heb wel eens gezegd: we moeten trots zijn op wat we als D66 tot stand hebben gebracht, en niet te veel inzitten over de toekomst. We hebben wel grote politieke vernieuwingen tot stand gebracht, zoals Paars en we hebben grote issues als milieu op de agenda gezet. Daar moeten we trots op zijn. Maar ik kan niet garanderen dat D66 over tien jaar nog bestaat. Ik zal er geen traan om laten.”
Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl
donderdag 10 februari 2005
Martelingen wel degelijk ‘Amerikaans’
Meteen toen de misstanden in Abu Ghraib in het voorjaar van 2004 tot een wereldwijde schok leidden, haastte de Amerikaanse regering zich te zeggen dat de mishandelingen het werk waren van een handjevol eenlingen, enkele ‘rotte appels’.
Fiat voor martelingen op regeringsniveau
Officiële en onafhankelijke onderzoeken naar de affaire hebben geen bewijzen voor een martelbeleid boven tafel kunnen krijgen, maar er zijn wel sterke aanwijzingen dat hiervan sprake is. Generaal Jane Karpinski, voormalig hoofdverantwoordelijke van de Abu Ghraib-gevangenis, heeft in een interview met de BBC gezegd dat zij een ‘makkelijke zondebok’ was en dat generaal Ricardo Sanchez – destijds de hoogste bevelhebber van de Amerikaanse troepen in Irak – goed op de hoogte was van de martelpraktijken en zelfs het loslaten van honden op de gevangenen goedkeurde.
Karpinski beweerde bovendien dat ze documenten heeft gezien waarin minister van Defensie Donald Rumsfeld dergelijke extreme verhoortechnieken autoriseert. Ook The New Yorker onthulde dat Rumsfeld in 2003 toestemming gaf voor de uitbreiding van ‘Copper Green’. Met deze uiterst geheime operatie mochten Iraakse gevangenen fysiek gekrenkt en seksueel vernederd worden om informatie uit ze los te peuteren.
De inmiddels veroordeelde daders verklaarden op hun beurt voor de rechter dat ze slechts bevelen opvolgden van militaire inlichtingendiensten. Oud-minister van Defensie James Schlesinger stelde in zijn onafhankelijke onderzoeksrapport echter dat er geen bewijs is dat er beleid of procedures bestonden voor de marteling van gevangenen.
Maar de burgerrechtenorganisatie American Civil Liberties Union (ACLU) wist in december op basis van de Wet Openbaar Bestuur een e-mail van de FBI uit december 2003 los te krijgen, waarin wordt gerefereerd aan een decreet van president Bush. Hij zou daarin toestemming geven voor extreme verhoormethodes als het verstoren van de nachtrust, het langdurig laten staan in ongemakkelijke houdingen, het inzetten van honden en het blinddoeken van gevangenen. Het Witte Huis heeft altijd benadrukt dat Bush slechts algemene richtlijnen voor verhoortechnieken heeft gegeven, die altijd binnen de wet vielen.
Omstreden ministers
In juni vorig jaar wist de Washington Post al de hand te leggen op een memo uit augustus van het ministerie van Justitie aan Alberto Gonzales, toen juridisch adviseur van president Bush. Het departement schrijft dat het martelen van al-Qaeda leden toegestaan is. Justitie verzon zelfs een nieuwe definitie van martelen; ‘matige pijn hoeft niet per se als marteling beschouwd te worden, alleen intense pijn die ernstig lichamelijk letsel veroorzaakt’. Overigens is Gonzales de nieuwe minister van Justitie.
Een ander omstreden gezicht in het tweede kabinet van Bush is Mike Chertoff, de nieuwe minister van Binnenlandse Veiligheid. Hij is een van de architecten van enkele controversiële elementen van de oorlog tegen het terrorisme van de regering-Bush. In de maanden na de aanslagen van 11 september 2001 was Chertoff als assistent-procureur-generaal medeverantwoordelijk voor het vastzetten van 762 buitenlanders wegens overtreding van de immigratiewetten. De inspecteur-generaal van het Amerikaanse ministerie van Justitie concludeerde in een rapport dat de gedetineerden in de gevangenis te maken hadden met ‘een patroon van fysiek en verbale mishandeling’.
Guantánamo Bay
De gevangenhouding van terreurverdachten door de Amerikaanse autoriteiten is de mensenrechtenorganisaties sowieso een doorn in het oog. Met het detentiecentrum op de marinebasis Guantánamo Bay treedt de regering zowel de internationale als de Amerikaanse wetgeving met voeten. De gevangenen zijn volgens de Amerikaanse regering geen krijgsgevangenen maar illegale strijders. Daardoor vallen ze niet onder de Geneefse Conventies. De gevangenen worden voor onbepaalde duur worden vastgehouden en hebben geen recht op een advocaat.
Intussen komen steeds meer verhalen naar buiten over mishandeling van gevangenen in ‘Gitmo’. De Washington Post bericht donderdag dat uit een nog niet openbaar gemaakt onderzoek van het Amerikaanse ministerie van Defensie blijkt dat gedetineerden tijdens verhoren door vrouwen seksueel vernederd werden. Dergelijke geruchten deden al langer de ronde en er zouden video-opnames zijn waarop te zien is dat gevangenen worden geslagen.
Martelvluchten
De VS hebben nog een andere manier om de wet te omzeilen. In de media duiken verhalen op over vliegtuigen van de CIA, waarmee terreurverdachten naar landen worden gevolgen waar de autoriteiten het niet zo nauw nemen met de mensenrechten. Op deze manier is de Amerikaanse overheid aan geen enkele wet gebonden en houdt het de handen schoon.
Gevangenissen
Maar niet alleen terreurverdachten die worden vastgehouden op een grijs niemandsland zijn het slachtoffer van mishandelingen door Amerikaanse overheidsdienders. De situatie in de reguliere gevangenissen op Amerikaanse bodem baart mensenrechtenorganisaties al jaren zorgen.
Human Rights Watch meldt dat bewaarders gevangenen slaan, schoppen, stroomschokken toedienen, bespuiten met chemische middelen, wurgen, met hun hoofd op de vloer slaan en soms zelfs neerschieten. Dat heeft aan sommige gedetineerden zelfs het leven gekost, aldus de mensenrechtenorganisatie, die de problemen vooral wijten aan slecht management.
De inspecteur-generaal van het Amerikaanse ministerie van Justitie rapporteerde eind 2003 over de mishandeling van moslims die na de aanslagen van 11 september 2001 waren gearresteerd en werden vastgehouden in een New Yorks huis van bewaring. De bewakers sloegen geboeide gevangenen - die zich niet verzetten - hard tegen muren aan. Ook werden de gevangenen vernederd tijdens vergaande fouilleringen. Een van de gevangenen spande een rechtszaak aan omdat een bewaker een potlood in zijn anus zou hebben gestoken.
Een jaar geleden werd in een Californische gevangenis op video vastgelegd hoe twee bewakers twee gevangenen in elkaar slaan. Een van de bewakers slaat de gevangene circa twintig keer in zijn gezicht. De andere bewakers schopt een geboeide gevangene tegen zijn hoofd.
Opvallend is dat het Pentagon in gevangenissen in Irak en Afghanistan het liefst personeel plaatst dat in een normale gevangenis heeft gewerkt. Mensenrechtenorganisaties zijn daar huiverig voor; ‘besmette’ bewaarders zouden wanpraktijken ‘meenemen’. Charles Graner, een van de hoofdrolspelers in het Abu Ghraib-schandaal, werkte voorheen in een gevangenis en destijds werden al klachten tegen hem ingediend wegens agressief gedrag.
Abu Ghraib was geen incident. Als men de feiten op een rij zet, vertoont het Amerikaanse systeem van detentie een patroon van agressie en geweld. Mogelijk is er zelfs sprake van beleid.
Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl
zondag 30 januari 2005
Burgeroorlog dreigt in democratisch Irak
Waren de aanslagen in Irak in eerste instantie gericht tegen de Amerikaanse bezetting, het geweld voltrekt zich de laatste maanden volgens een scenario dat sterk doet denken aan Joegoslavië. Evenals dit inmiddels uit elkaar gevallen Balkanland kent Irak van oudsher spanningen tussen de diverse bevolkingsgroepen. Ongeveer tweederde van de Arabische populatie is sjiiet. Het ziet er derhalve naar uit dat sjiitische partijen de meerderheid krijgen in de nieuwe assemblee. Daar komt nog de Koerdische minderheid bij, die goed is voor ongeveer een vijfde van de bevolking.
Boycot
De soennieten, ongeveer een derde van de bevolking, vrezen dat ze het onderspit zullen delven. De belangrijkste soennitische partij, de Iraakse Islamitische Partij, boycotte de verkiezingen en eiste uitstel, zodat ook in de brandhaarden de veiligheid van de kiezers gegarandeerd kon worden en alle Irakezen konden gaan stemmen. De boycot is een ernstige zaak; het betekent dat de gekozen volksvertegenwoordiging geen representatieve afspiegeling vormt van de bevolking, en daarmee legitimiteit ontbeert.
De verkiezingen genoten sowieso al weinig legitimiteit onder veel soennieten. De aanslagen van de afgelopen tijd zijn grotendeels gepleegd door soennitische opstandelingen om de stembusgang te dwarsbomen. Ze willen de macht terug die ze hadden onder het regime van Saddam Hussein. Daarom wantrouwen de sjiieten en de Koerden de soennieten, omdat de groep onder Saddam privileges genoot en topfuncties in de ambtenarij en de Baath-partij bekleedde, terwijl ze de sjiieten en de Koerden onderdrukte.
Een nieuw element in het wantrouwen tussen de bevolkingsgroepen is de verdeel-en-heerspolitiek die de VS bedrijven. “We spelen de etnische kaart uit in Irak, net als de Russen in Afghanistan”, zei Milt Bearden, voormalig CIA-chef van de operaties in Afghanistan, onlangs tegen het persbureau UPI. Analist Phoebe Marr bevestigt dat. “Het is een publiek geheim in het Amerikaanse beleid dat het Amerikaanse leger verschillende historische vijanden op elkaar loslaat.” Zo gebruikte het Amerikaanse leger tijdens het offensief in Fallujah afgelopen najaar tweeduizend Koerdische Peshmerga-strijders om de soennitische opstandelingen te onderdrukken.
Fragmentatie
De kans is groot dat Irak uiteindelijk uit elkaar valt. De Koerden zullen strijden voor een eigen staat in het noorden. De sjiieten zullen proberen hun verworven macht te consolideren, en de soennieten zullen zich daartegen verzetten. Verder opereren buitenlandse radicale moslims - onder meer van al-Qaeda en uit buurland Syrië - in Irak, en strijden ze veelal aan de zijde van de soennieten.
In februari 2004 waarschuwde VN-gezant Lakhdar Brahimi al dat de ingrediënten voor een echte burgeroorlog aanwezig waren. Gezien het grote aantal aanslagen kun je je afvragen of die niet allang begonnen is.
Vreedzame coëxistentie
Er zijn echter ook positievere scenario’s mogelijk. Het Britse Royal Institute of International Affairs (RIIA) schetst nog twee andere opties. De eerste is een situatie waarin de Iraakse interim-regering door de democratische verkiezingen legitimiteit en brede steun krijgt onder de Iraakse bevolking. Alle groepen nemen genoegen met hun plaats en macht in het landsbestuur, en de bevolking eveneens, al is het alleen maar om de vrede en stabiliteit te bewaren. Tot dusver lijken de sjiieten nog terughoudend om te gaan met hun nieuw verworven macht, mede door de invloedrijke Grootayatollah Ali al-Sistani.
Deze theoretische vreedzame coëxistentie is erg broos en de kans van slagen is klein, zeker als de sjiieten in de tegenaanval gaan tegen het soennitische geweld. Gezien de huidige gewelddadige situatie in Irak is het de vraag of dit scenario niet een gepasseerd station is.
Regionale implicaties
Een ander scenario dat het RIIA schetst is dat de nieuwe verhoudingen die voortvloeien uit de twee eerder geschetste scenario’s, zich uitbreiden in de hele regio. De nieuwe machtspositie van de sjiieten in Irak versterkt de sjiitische minderheden in andere landen, en verzwakt tegelijk de soennitische minderheden. Zo zal de sjiitische minderheid in Saudi-Arabië meer rechten opeisen, en dat zal het koninkrijk verder destabiliseren. Daarnaast zal het sjiitische bewind in Iran zijn greep op de instituties in Irak versterken.
Als de Arabische bevolking in Irak en de Koerden verder tegenover elkaar komen te staan, zullen de Koerden zich van Irak afscheiden. Waarschijnlijk zullen Koerden uit de omringende landen naar het Iraakse Koerdistan vluchten. Turkije - dat al jaren een bloedige oorlog uitvecht tegen Koerdische separatisten - zal mogelijk interveniëren.
Een van de motieven van de regering-Bush om oorlog te voeren in Irak, was de doelstelling om het Midden-Oosten ingrijpend te hervormen en te democratiseren. Een kleine twee jaar later lijkt die Amerikaanse droom onbereikbaarder dan ooit.
Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.
vrijdag 5 november 2004
‘Soul searching’ begint voor Democraten
Hoe kan zo’n omstreden president, die onder valse voorwendselen een oorlog in Irak begon, het land vervolgens in een moeras van geweld liet wegzakken, de werkgelegenheid liet slinken en het begrotingstekort tot recordhoogte liet oplopen, toch nog met een aanzienlijke meerderheid herkozen worden?
Daags na het verlies speculeren partijleden openlijk over welke factoren leidden tot het verlies van hun kandidaat John Kerry. Senator Dick Gephardt, eerder dit jaar nog concurrent van Kerry om de kandidatuur van de Democraten voor het presidentschap, denkt dat Kerry’s ideeën populair waren, maar dat de organisatie van de partij tekortschoot in vergelijking met het vermogen van de Republikeinen om stemmen te trekken.
“Ze hebben de infrastructuur van de wapenlobby en de religieuze organisaties aangewend”, aldus Gephardt. “En wij worstelen daarmee.”
Normen en waarden
Senator Bob Graham vindt dat de Democraten zich moeten bezinnen op belangrijke onderwerpen. “We moeten discussiëren over wat onze strategie moet zijn in de oorlog tegen terrorisme.
“We moeten ook discussiëren over hoe we het debat over waarden van God, wapens, homo’s kunnen laten uitstijgen tot tolerantie, zorg voor anderen en liefde.”
“Onze fout is dat we ons niet uitspreken over ons geloof, en we ons niet inleven in mensen die geloven”, zegt Gephardt, doelend op het grote aantal religieuze kiezers die president Bush trok.
Culturele verschuiving
Maar andere Democraten denken dat het probleem fundamenteler is. “Er is een culturele verschuiving aan de gang in dit land”, zegt een anoniem partijlid. “Het land wordt conservatiever, hun basis groeit.”
Oppositiepartij
Maar Douglas Sosnik, voormalig adviseur van president Clinton en de campagne van Kerry, vindt dat de Democraten zich moeten profileren als een alternatief voor religieus-rechts, en als oppositiepartij. “Wat betekent het om een oppositiepartij te zijn? Een effectieve oppositiepartij is gegrondvest buiten de bijbelgordel.”
Daarbij moeten de Democraten rekening houden met wat er leeft bij de doorsnee Amerikaan, stelt Afgevaardigde Kan Schakowsky. Nu president Bush de sociale zekerheid wil privatiseren, moeten de Democraten juist benadrukken dat ze een vangnet willen ‘omdat we om u geven’.
Te soft
Volgens analisten is de oorzaak van Kerry’s verlies eenvoudig aan te wijzen; hij heeft erin gefaald zichzelf en zijn visie duidelijk neer te zetten. Kerry’s campagnestrategen zijn ervan uitgegaan dat Bush zou verliezen omdat hij zo omstreden was, en adviseerden hun kandidaat om een optimistische campagne te voeren. Kerry wist echter niet de genadeloze Republikeinse aanvallen op zijn karakter af te weren.
Pas half september ging Kerry in de tegenaanval, en toen was het al te laat. Uiteindelijk gaf Bush vorm aan de persoon Kerry, in plaats van Kerry zelf. “We hadden geen consistente aanvalsstrategie tegen Bush tot een laat moment in de campagne”, zegt Democratisch strateeg Bill Carrick.
Daarentegen aarzelde Bush’ campagne niet om een uitgekiende strategie van genadeloze aanvallen op Kerry te volgen. Vanaf het moment dat Bush in het voorjaar zijn mediaoffensief opende, hamerde hij erop dat Kerry een weifelende president zou zijn. Keer op keer wees Bush op de inconsistente uitspraken van Kerry, en schilderde hem af als iemand die meewaait met de politieke wind.
“Ik stemde voor de 87 miljoen dollar voordat ik er tegen stemde”, zei Kerry in maart over een resolutie voor extra geld voor de militaire operaties in Irak en Afghanistan. Het Bush-kamp dook als een dankbare aasgier op deze verspreking.
Tegenaanval te laat
Ook geloofden Kerry’s strategen dat zijn status als oorlogsheld voldoende garantie bood voor een sterke leider. Een plan voor de nationale veiligheid had Kerry echter niet, stellen politicologen. Toen de Swift Boats Veterans for Truth Kerry’s oorlogsverleden in twijfel trokken, was zijn zaak niet zo sterk meer. Zeker niet omdat Kerry veel te laat in de tegenaanval ging.
Bush’ Irak-beleid duidelijk
Bush’ Irak-beleid was zonder meer omstreden. Toch wist Kerry daar niet van te profiteren. “Bush zette in op een bepaalde theorie over de oorlog”, zegt de Democratische opiniepeiler Geoffrey Garin. “De kiezers kregen echter geen hoogte van waar Kerry echt in geloofde.” Met andere woorden, Bush’ standpunt was dan wel niet populair, het was tenminste wel duidelijk.
Gemis aan ideologie
Voor veel kiezers ontbrak het Kerry tevens aan een visie. De pragmaticus ging prat op zijn dossierkennis, terwijl de mensen meer behoefte hadden aan een ideologie, een inzicht in Kerry’s waarden. Dit was een twistpunt in het campagneteam, omdat Kerry zijn expertise zag als een ideologie an sich.
“Hij was niet in staat iets hogers uit te spreken dan een reeks onderwerpen en beleidsvoornemens, en het knaagde aan mensen dat ze niet wisten waar hij voor stond”, zegt een Democraat die bekend is met de interne discussies binnen Kerry’s campagne.
Tegelijkertijd richtte de campagne zich amper op wat Kerry heeft gepresteerd in zijn twintig jaar in de Senaat. Dat deed Bush zelf wel; “Je kunt vluchten, maar je kunt je niet verstoppen”, zei Bush schertsend in een van de debatten, doelend op Kerry’s stemmen tegen belastingverlagingen. De president wist Kerry daarmee af te schilderen als een ‘liberal’, een vies woord in conservatief Amerika.
Hillary Clinton
Direct na Kerry’s verlies viel de naam van zijn opvolger: Hillary Rodham Clinton. De echtgenote van de immens populaire oud-president wordt al jaren gezien als de eerste vrouwelijke president van Amerika. Het is echter twijfelachtig of Hillary de Democraten in 2008 aan een overwinning kan helpen; ze staat evenals Kerry te boek als elitair. Willen de Democraten terugkeren in het Witte Huis, dan moeten ze aansluiting zien te vinden bij ‘Joe Six-pack’.
Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.