woensdag 3 februari 2010

Detroit in de Vlaamse polder

Detroit ligt onder de rook van Brussel. Die indruk krijg je althans als je naar Silver Threats luistert, het tweede album van The Black Box Revelation uit het Vlaamse Dilbeek. Het is een vuige garagerockplaat in de beste traditie van The Stooges, The MC5 en The Black Keys.

De essentie van rock&roll is – of was ooit – gevaar. The Black Box Revelation heeft geen boodschap aan behagen. Blakend van zelfvertrouwen door het (inter)nationale succes van hun debuut Set Your Head On Fire, in combinatie met jeugdige onbesuisdheid, is Silver Threats een compromisloze plaat geworden die hun street credibility moet consolideren maar wonderwel ook scoort bij een groot publiek.
The Black Box Revelation gunt de luisteraar geen genade. In een rap tempo word je om de oren geslagen met groteske, venijnige riffs die vervaarlijk ronken als motorzagen. Adempauzes door middel van hier en daar een wat vriendelijker nummer zijn er niet op Silver Threats. Het is een veeleisende rit die niet voor de tere zielen is weggelegd en getrainde oren vereist.
Het risico met dergelijke heipaalplaten is dat je murw wordt van het gebeuk en de muziek niet meer opneemt. Silver Threats is echter een rijke en gedetailleerde plaat en blijft daardoor fascineren en enerveren.
Als kers op de taart culmineert het album in het bijna negen minuten durende Here Comes The Kick, een dreinende woestijnrockjam die aanvoelt als het delirium van een ratelslangenbeet.
Gitarist/zanger Jan Paternoster en drummer Dries van Dijck demonstreren op Silver Threats opnieuw een muzikale volwassenheid die opvallend is voor een band die hun tienerjaren amper ontgroeid zijn. Voor de lange termijn willen we hen wel meegeven dat als ze de 20 passeren, het tijd wordt om meer afstand te nemen van hun voorbeelden en aan een eigen geluid te gaan sleutelen. Maar vooralsnog moeten we verheugd en ook een beetje jaloers constateren dat onze zuiderburen alweer een leuk bandje hebben voortgebracht.




Dit artikel is eerder verschenen op DePers.nl

donderdag 28 januari 2010

Ode aan de elektrische gitaar


Een film over drie gitaargoden die over hun instrument praten. Dat klinkt als dodelijk saaie gitaristenporno. Maar schijn bedriegt in It Might Get Loud.

An Inconvenient Truth-regisseur Davis Guggenheim zette Jimmy Page (Led Zeppelin), The Edge (U2) en Jack White (The White Stripes) samen. Dat zijn zo’n beetje de beste gitaristen die ooit op deze aardkloot hebben geloeid. Toch is de documentaire vrij van snarenfietserij, technische verhandelingen of egotrips. It Might Get Loud biedt portretten van drie meestergitaristen aan de hand van heel veel fantastische muziek en mooie scènes.

Het contrast tussen enerzijds Page en White en anderzijds The Edge is gigantisch: de eerste twee hebben hun wortels in de blues en spelen rijke, smerige riffs. The Edge speelt een minimalistische, cleane slaggitaar. In de openingsscène knutselt Jack White van een stuk brandhout en een colaflesje een gitaar in elkaar, terwijl The Edge binnenkomt met een kamergrote effectenkast en een engineer.

White geniet van de rauwe intensiteit van blueslegende Son House, terwijl The Edge zich verliest in technologisch gepiel. Je vraagt je af wie het meeste plezier heeft; The Edge komt over als een doorgeslagen perfectionist. Het lijkt soms alsof hij zich een beetje geneert. Om hem in zijn eentje tegenover twee bluesrock-krachtpatsers te zetten is eigenlijk ook wel oneerlijk.

It Might Get Loud barst van de mooie momenten. White is onder de indruk dat hij zijn muzikale held Page ontmoet. Gedrieën spelen ze The Weight, tot The Edge erachter komt dat ze in de verkeerde toonsoort spelen. Hilarisch is het decente optreden van The White Stripes in een tehuis voor gepensioneerde veteranen. Page keert terug naar het landhuis Headley Grange waar Led Zeppelin Stairway to Heaven schreef. The Edge neemt de kijker mee naar het aftandse klaslokaaltje waar U2 voor het eerst repeteerde.

Het zijn veel indrukken om te verwerken, en al duurt de film maar anderhalf uur, het is een lange zit. Maar van de muziek krijg je geen genoeg. Zet het volume dus op 11.



Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers.

vrijdag 18 december 2009

Anton Pieck is er niets bij

In Zürich bespotten ze de Zwitserse hoofdstad. Alles is er langzaam. Maar voor toeristen is dat precies de charme van de stad. Lekker knus.

Wat is een betere plek om Kerst te vieren dan in de Anton Pieckachtige sfeer van Bern? Ondanks het historische centrum (Altstadt) dat zijn oorspronkelijke middeleeuwse karakter heeft behouden, is de Zwitserse hoofdstad een parel die vaak over het hoofd wordt gezien. De toerist stoomt liever door naar de ski-oorden.

Bern is een rare hoofdstad. Met nog geen 130.000 inwoners heeft het de omvang van een provinciestad. Het compacte Bern, waar bijna alles op loopafstand is, ademt dan ook niet de sfeer van een metropool. Inwoners van het kosmopolitische Zürich zeggen vaak smalend dat alles in Bern langzaam gaat. Dat knusse is precies de charme. Slaperig is Bern echter niet, het heeft alle faciliteiten die bij een hoofdstad horen.

Er is weinig voor nodig om in Bern in de kerstsfeer te komen. Maak maar eens een wandeling door de sprookjesachtige Altstadt – die op de Unesco-werelderfgoedlijst staat – onder de Lauben (overkappingen), naar de Rosengarten voor een spectaculair uitzicht over de stad.

Rondjes zwieren

Het is een Bernse kersttraditie om de schaatsen onder te binden en een paar rondjes te zwieren op de ijsbaan voor het mooi uitgelichte parlementsgebouw. Langs de baan kan een typische Zwitserse kaasfondue met glühwein genoten worden.

Geen Kerst zonder kerstmarkt. Bern heeft er twee. Op de Waisenhausplatz vindt u allerhande ramsj, van dvd’s tot etenswaren. De liefhebber van kunst en handwerk kan zijn hart ophalen op de Münsterplatz.

De mooiste plek om een kerstnachtmis bij te wonen is in de Münster. De vijftiende-eeuwse gotische kathedraal, een van de belangrijkste cultuurschatten van Zwitserland, is pas gerestaureerd. De honderd meter hoge toren, die pas in 1893 werd voltooid, biedt een prachtig uitzicht over de Altstadt en op heldere dagen kunt u de Alpen in het zuiden zien liggen.

Kalkoen en aardappelkroketjes zult u niet op uw bord vinden bij een Zwitsers kerstdiner. Voor de echte Zwitserse keuken in een sober, authentiek decor met veel hout moet u wezen bij restaurant Zunft zu Webern. Wilt u stevig bunkeren, bestel dan de Bernerplatte: zuurkool, aardappelen, bacon, worsten en ham. Echt Zwitsers dineren kan ook hip met een dj bij Lötschberg. De bekende Zwitserse gerechten kaasfondue en raclette worden vooral geserveerd in de grote restaurants op de Bärenplatz.

Haute cuisine

Liefhebbers van de exotische keuken moeten beslist een bezoek brengen aan de Markthalle tegenover het station, een soort bazaar met allerlei verschillende restaurants, van Turks tot Japans. Op het station zelf kunnen vegetariërs terecht bij Tibits, waar je je eten naar gewicht betaalt. Tijdens de avondspits is het echter ook binnen spitsuur.

Het Bernse nachtleven is klein maar levendig. Kroegen kennen de Zwitsers niet, men ontmoet elkaar in grand cafés, restaurants of clubs. In Bern is elke avond wel een party met de meest uiteenlopende thema’s en muziekstijlen in de Dampfzentrale, Reithalle, Turnhalle of Wasserwerk. Voor een drankje is de Kornhauskeller met zijn prachtige gewelven een sjieke en sfeervolle plek. Op zondagen kun je in het Kornhauscafé terecht voor een buffetbrunch.

Voor de kleintjes rijdt in de dagen voor Kerstmis de speciale Märlitram door de stad. Tijdens de rit in de klassieke tram worden sprookjes verteld. Maar wel in het Schwyzerdütsch natuurlijk.


Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers. M.m.v. Patric Geissbühler en Marco Josi.

woensdag 2 december 2009

Kane's puurheid komt uit een potje


Tien jaar al is Kane de grootste band van Nederland. Dan doe je iets goed. Het talent van Dinand Woesthoff en Dennis van Leeuwen is dat ze perfect hun voorbeelden weten te synthetiseren tot middle-of-the-road-rock. Gecombineerd met een zware dosis pathos en een knappe zanger die weet hoe hij de rol van rockster moet spelen, heeft Kane een commerciële killer app in handen.

Critici hebben Kane altijd een gebrek aan eigen geluid verweten. Al een paar jaar is de band zoekende. Er waren talloze personeelswisselingen, flirts met jazz, een remix van DJ Tiësto, New Yorkse producers.

Het uitgangspunt van No Surrender is spontaniteit en puurheid. Met de zoveelste nieuwe lichting sessiemuzikanten wil Kane een echte band zijn. Het gaat om ‘het moment’, ‘aftikken en gaan’, een ‘eerlijk geluid.’

Maar Kane belijdt dat credo slechts met de mond. No Surrender verschilt weinig van zijn voorgangers. Er is geen sprake van een natuurlijke artistieke ontwikkeling, maar van een pose, een concept, een gimmick.

No Surrender klinkt allesbehalve spontaan en authentiek. De muziek is te bedacht, geproduceerd en gladgestreken. De galmfrequentie ligt weliswaar lager, maar het holle bombast is Kane nog niet verleerd. Dinands zang is nog even geveinsd, bestudeerd en pretentieus. Nooit klinkt hij echt, hij blijft een acteur die drijft op maniertjes. Met het gebrek aan originaliteit weet Kane niet af te rekenen. No Surrender is opnieuw een allegaartje van allerhande afgekeken, gedateerde stijlen en rockclichés.

Kane heeft zichzelf als band niet opnieuw uitgevonden, maar slechts zijn image. De puurheid komt uit een potje.


Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers

woensdag 25 november 2009

Lee Scratch Perry praat met engelen


Dubtovenaar Lee Scratch Perry stak zijn studio in brand en heeft graag eenden om zich heen als hij muziek maakt.

‘Der verrückter Paradiesvogel’, zo staat Lee Scratch Perry bekend in zijn woonplaats Einsiedeln. De excentrieke reggaelegende dost zich graag uit in met cd’s behangen kleding en een indianentooi of een ander uitzinnig hoofddeksel. Een dorp op het Zwitserse platteland is wel de laatste plaats waar je Lee Scratch Perry verwacht. Maar hij woont er al 28 jaar naar tevredenheid met zijn Zwitserse vrouw en hun twee kinderen. Hij leidt een teruggetrokken bestaan. 'Ik ben geen feestbeest meer. Ik ben een huismus.'

Jamaica mist hij niet. ‘Ik had de verandering nodig. Jamaica werd me te corrupt. Als je in Jamaica geld verdient, komen mensen naar je toe om steun. Je moet iedereen onderhouden. Als je dat niet wilt, doen ze je iets aan’, zegt Perry, doelend op het gespuis dat de succesvolle producer aantrok en dat zelfs permanent in zijn Black Ark Studio bivakkeerde.

Duits, laat staan Schwyzerdütsch, spreekt Perry nog steeds niet. ‘Ik ben tevreden met het Engels dat ik uitkraam. I’m not good with twisting wordz and tonguez like dat. Pronouncing lettahz like dat iz fonny. Voor mij is de L de L en de S de S, en niet llll en ssggg. Of zoiets. Het klinkt belachelijk. Ik wil niet zomaar met taal aan de haal gaan. Ik heb groot respect voor letters en woorden. Ik wil precies weten wat ik zeg, anders niet.’

Pionier
Perry (1936) is een van de belangrijkste reggaemuzikanten. Als tiener was hij al talent scout en producer in dienst van Coxsone Dodd, de Berry Gordy van Jamaica en baas van Studio One, het Mekka van de reggae. Zijn bijnaam Scratch (hij heeft er overigens meerdere, zoals Pipecock Jackxon, The Upsetter en Jah Lion) dankt hij aan een van zijn eerste hits, Chicken Scratch. Perry was de concurrenten altijd een paar stappen voor, net even wat eigenzinniger en aparter. En later steeds experimenteler en vervreemdender.

In de jaren zeventig was Perry’s Black Ark Studio een van de meest vooraanstaande creatieve centra van de reggae. Met zijn huisband The Upsetters produceerde Perry grote namen als Max Romeo, Prince Buster, The Skatalites, de toasters I-Roy en U-Roy. Lee Perry stoomde Bob Marley van een middelmatige artiest klaar tot een ster van internationale allure. Perry werkte samen met The Clash, Robert Palmer, Beastie Boys, Moby en zelfs Paul McCartney. Als pionier van de dub (geremixte en vervormde reggae) is Perry’s invloed immens. Zonder ‘Scratch’ hadden hiphop en dance wellicht heel anders geklonken. Voorbeeldje: The Prodigy samplede Chase the Devil van Max Romeo voor Out of Space.



Perry was onvoorstelbaar productief. In zijn Black Ark Studio in zijn achtertuin haalde hij dagen en nachten door, eindeloos zijn tracks remixend. ‘De muziek gaf me de kracht om door te gaan. Ik kreeg energie van de muziek, ik werd nooit moe.' De precieze omvang van zijn gigantische oeuvre is onmetelijk. Zelfs Perry zelf weet niet hoeveel nummers hij heeft gemaakt. ‘Ik heb geen idee. Vele duizenden. Drieduizend? O nee, veel meer!’



Engelen
Het helpt als je put uit goddelijke inspiratie. Want eigenlijk is Perry’s lichaam slechts een medium van God. ‘Als ik muziek maak, hoor ik stemmen van engelen die me vertellen wat ik moet doen. Er zijn twee stemmen, een goede en een slechte. De goede is God en de slechte de duivel. De goddelijke engel vertelt je de goede woorden, geeft je goede muziek, goede geluiden, een goede mix.’ Soms strijkt ook de duivel op Scratch’ schouder neer. ‘Je moet niet naar hem luisteren. De duivel probeert alles wat goed is te verstoren. Dat mag je nooit toelaten. Maar het goede zal zegevieren over het kwade. Dus geen probleem.’

Tegenwoordig zit er niet zo veel muziek meer in Lee Scratch Perry. ‘Ik heb thuis een kleine computerstudio, maar die is niet te vergelijken met mijn oude studio op Jamaica. Alleen een drumcomputer. Ik maak niet meer zo veel muziek als vroeger. Ik heb zo’n twee maanden geleden voor het laatst een track gemaakt. De markt is niet zo goed meer. In Londen en Jamaica zijn minder platenlabels. Dat komt door het downloaden. Mensen willen niet meer betalen, dus het verdient niet genoeg.’

De 73-jarige muzikant treedt nog regelmatig op. ‘We doen vijftien optredens op een rij, dan hebben we een pauze en dan nog eens tien. Het gaat me nog gemakkelijk af. Ik ben happy op het podium.’




Gek
Het is een bekend gezegde dat de scheidslijn tussen geniaal en gek dun is. In het geval van Lee Scratch Perry is die lijn er zelfs helemaal niet. Berucht is de brand in de Black Ark Studio in 1979. Perry zou de studio in de fik hebben gestoken tijdens een zenuwinzinking - vermoedelijk het gevolg van uitputting en drank- en drugsmisbruik, nadat hij eerst alles had ondergekalkt met onbegrijpelijke religieuze leuzen. Getuigen verklaarden dat hij daags voor de brand achteruit door Kingston liep terwijl hij met een hamer op de grond sloeg. Anderen beweren dat Perry de boel in de hens stak om criminelen die hem afpersten, de loef af te steken. Weer een andere theorie is dat kortsluiting de oorzaak van de brand was. Of een Duitse fan was de dader. Perry werd gearresteerd op verdenking van brandstichting maar vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs. De zaak is nooit opgelost.

Kwade geesten
Perry heeft altijd volgehouden dat hij zelf de boel platbrandde om kwade geesten uit te drijven. ‘De dingen begonnen uit de hand te lopen. De energie was er niet meer. God zei tegen me: je moet het in brand steken, de negatieve energie eruit spoelen, zodat je de positieve energie weer voelt.’ Een deel van zijn oeuvre ging verloren, maar spijt heeft Perry nooit gehad. ‘Als God iets zegt, is het perfect. God maakt geen fouten. Ik doe altijd precies wat God zegt.’

Eenden
Investeerders die Perry hielpen de studio te herbouwen, troffen tot hun ontsteltenis een vijver met eenden aan in de studio en een broodrooster op het tuinhek. ‘It means I am a toaster and I am not a boaster’, was Perry’s verklaring. ‘Hahahaha’, schatert hij door de telefoon als hem wordt gevraagd naar de eenden. ‘Waarom niet? Ik hou van eenden. Ze zijn zeer intelligent. Ze maken deel uit van de natuur. Ze kunnen niet praten, maar ze houden van je. Ik zie ze als mijn kinderen. Hahahahaha! Ik wilde ze gewoon gelukkig maken. ’



Clean
Vroeger functioneerde Perry op hele sloten rum en grote hoeveelheden wiet, cocaïne en psychedelica. Maar de tijden zijn veranderd. ‘Ik rook niet meer, ik drink niet meer. Ik ben veranderd. Ik ben nu zo’n tien jaar gestopt.’ Vrouwlief Mireille houdt hem clean en gezond. ‘Dat is haar taak. Haha.’
Het gaat goed met Lee Scratch Perry, beweert hij. ‘Als je me nu ziet, geloof je je ogen niet. Kom je naar de show? Dan zal je zien dat ik kerngezond ben.’


Dit artikel is eerder verschenen in Dagblad De Pers

zaterdag 7 november 2009

Liedje

“Liedje”. Altijd al een stom woord gevonden. Het heeft iets lulligs. Maar dat doet er verder niet toe. Het is ook een onderwerp dat regelmatig opduikt in de popjournalistiek en dat mij stoort: het dogma van het liedje. Recensenten vinden dat muziek niet goed is als het geen liedje is.
De eerste keer dat het me opviel was tien jaar geleden toen de Red Hot Chili Peppers hun comebackalbum Californication uitbrachten. De ongeremde gekte had plaatsgemaakt voor degelijke songs. Eindelijk hadden de Peppers liedjes leren schrijven, oordeelde een recensent.
Alsof ze toen pas een goede band waren geworden die voorheen geen behoorlijke plaat kon maken. Maar die gekte en onbevangenheid was juist hun forte en dat maakte de Peppers in de steriele en conservatieve jaren tachtig juist zo interessant. En laten we eerlijk wezen, de Peppers klinken met ingang van Californication uitgeblust en hun platen zijn bij lange na niet meer zo memorabel als Freaky Styley.
Een recenter voorbeeld is The Dead Weather. Horehound zou geen goede plaat zijn want er staan geen goede liedjes op. Het is maar een jamplaat. Schijn bedriegt. Horehound is niet fladderig, schetsmatig en onaf, maar dynamisch, afgerond (knap en opvallend voor zo'n jonge band) en barst van de catchy hooks. Het misleidende van Horehound is het dissonante geluid, niet te verwarren met een gebrek aan melodieusiteit.
Los daarvan zie ik het probleem niet. Wat is er mis met jamplaten? Het enige dat telt is dat de muziek goed is. Want zonder songstructuur is muziek ook mooi en wel zo avontuurlijk en rijk. En ik heb nog nooit iemand horen klagen dat The Grateful Dead urenlang jamden op een thema. De kunst is om de spanning vast te houden.
Het is een westerse conventie dat muziek een duidelijk herkenbare structuur moet hebben. Anders raakt men de weg kwijt. Het is hetzelfde muzikale 'Occidentisme' en ook 'rock/folkcentrisme' waarmee experimenten met jazz inferieur worden geacht. Daar kan Joni Mitchell over meepraten. Het uitgesponnen The Hissing of Summer Lawns was moeilijker te verteren dan de liedjesplaat Blue.
Het is een kwestie van een open vizier. Reset je hoofd, leg het wetboek weg en onderga de muziek. Laat het je overkomen, laat je meevoeren. Dat was de boodschap van Miles Davis met Bitches Brew, die daarmee een heel nieuw genre schiep: de jazzrock ofwel fusion, waarin het negeren van dogma's en conventies het uitgangspunt was. Want werkt het doorbreken van conventies niet juist verfrissend?
Als het liedje het criterium is, vallen heel wat grote klassieke componisten, klassiekers (ik denk aan There's a Riot Goin' On van Sly & The Family Stone, Fun House en Raw Power van Iggy & The Stooges, Trout Mask Replica van Captain Beefheart, Swordfishtrombones van Tom Waits) tot zelfs hele genres (minimal music, experimentele muziek, ambient, maar punk net zo goed) buiten de boot.
Begrijp me niet verkeerd, ik begrijp en waardeer zeker een goed liedje. Het is grote kunst om een vernuftig liedje te schrijven. Compact, eenvoudig, effectief, gevoelig. Burt Bacharach is daarin bijvoorbeeld een meester. Maar het een sluit het ander niet uit.

Dit artikel verscheen eerder op DePers.nl.

donderdag 29 oktober 2009

The Dead Weather: Band niet gepland


Jack White’s The Dead Weather biedt 5 bands voor de prijs van 1 én de beste rockplaat van het jaar.
‘Jack, hou op!’, gilt Alison Mosshart in de telefoon. ‘Hij zit te klieren.’ De verveling slaat toe in de tourbus van The Dead Weather die onderweg is naar Edinburgh. Jack White laat de woordvoering liever aan zijn zangeres over, om de enige vrouw in zijn band vervolgens te treiteren.
The Dead Weather is op tournee, nadat ze dit voorjaar met Horehound misschien wel de beste (rock)plaat van het jaar afleverden. Loeiende hardrock die toch gelaagd, gedetailleerd en uitgebalanceerd is. Veel recensenten waren evenwel teleurgesteld dat er op het album geen echte liedjes stonden. Maar dat is een dogma van popjournalisten. Wat doet het er toe als de muziek goed is? Niemand verweet The Grateful Dead een gebrek aan songstructuren. Maar het is ook onzin: de nummers op Horehound zijn geen eindeloze niet uitgewerkte jams met kop noch staart, ze zijn compact en gebouwd rondom catchy hooks.
Afgerond
Een opvallend afgerond geluid juist voor een band die nog maar een paar maanden bestond en in feite bestaat uit vijf bands: Mosshart is zangeres van The Kills, White is zanger en gitarist van The White Stripes en The Raconteurs, Dean Fertita is toetsenist en gitarist van de Queens of the Stone Age en Jack Lawrence is bassist van The Greenhornes en The Raconteurs. Zie daar maar eens eenheid in te brengen. Waar sluiten de afgemeten bluesrock van The White Stripes, de punkachtige garagerock van The Kills, de rock&roll van The Greenhornes, de gitaarrock van The Raconteurs en de stonerrock van QOTSA op elkaar aan?
‘Het zijn inderdaad heel verschillende bands, maar de basis is bij ons allen de blues. Ook al hebben we er allemaal onze eigen interpretatie van, onze wortels liggen in de blues’, legt Mosshart uit. ‘Ik vind het moeilijk de vinger erop te leggen hoe we onze sound geschapen hebben. Ik zou het geen democratisch proces noemen. Dat werkt toch nooit trouwens. We waren gewoon vier muzikanten in een ruimte die samen jamden. We begonnen met niks en na een uur hadden we al een nummer. Bij het maken van Horehound was niks gepland of afgesproken. We begonnen gewoon te jammen en na een tijdje drukten we de opnameknop in. We hebben Horehound in drie weken opgenomen en we hebben ons niet gehaast.’
Officieel werd de band begin dit jaar opgericht, maar de leden kennen elkaar al jaren. Vorig jaar toerden The Kills en The Raconteurs samen. ‘We zaten voortdurend in de bus samen te jammen. Zo ontstonden de songs en de band. We waren helemaal niet van plan een band te vormen.Het voelt wel als een echte band, niet als een gelegenheidsformatie of project.’
Ego clash
Superbands worden maar al te vaak geplaagd door botsende ego’s. Crosby, Stills, Nash & Young is een beroemd voorbeeld. Jack White is een hyperproductief muzikaal genie en misschien wel de invloedrijkste rockmuzikant van dit decennium. Voeg er drie zwaargewichten aan toe en je hebt het recept voor een oorlogsband. ‘Nee hoor, er was geen ego clash’, zegt Mosshart echter. Heeft White een groot ego? Het is even stil. ‘Nee… Jack hou nou op!’ ‘Iedereen steunde elkaar’, zegt Mosshart. ‘Er waren geen attitudes. Het werkt niet als je grote ego’s in de band hebt. We hebben begrip en respect voor elkaars creatieve passies en willen allemaal gewoon iets maken dat briljant is.’
De imposante staat van dienst van Jack White werkte niet intimiderend. ‘Ik vond het juist uitdagend en het voelde ook als erkenning. En het is natuurlijk niet zo dat de andere leden net komen kijken’, aldus Mosshart.
Nieuw album
De chemie is nog niet uitgewerkt want The Dead Weather is al begonnen aan een tweede album dat eind dit jaar moet verschijnen, zegt Mosshart. ‘We hebben nu zo’n vijftien ideeën en vijf nummers zijn al af.’
Weer klinkt een schreeuw. ‘Rot nou op Jack, of ik sla je op je bek!’



Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers