dinsdag 17 april 2012

Ramsey Lewis: 'Geen idee hoe je uitverkoopt'

Ramsey Lewis nadert langzaamaan de tachtig en brengt zijn tachtigste album uit waarop de jazzpianist zijn oude werk nog eens overdoet. Ramsey Taking Another Look is toch geen afscheid? “Hahaha! Nee hoor, helemaal niet”, stelt de vitaal klinkende Lewis me gerust.

Ramsey Lewis (Chicago, 1935) begon op zijn vierde met pianospelen en begeleidde luttele jaren later al het kerkkoor waarvan zijn vader dirigent was. Toen hij als prille twintiger met zijn eerste trio debuteerde op de plaat, had hij zijn sporen al verdiend in de jazzscene van Chicago. Aan complexe hardbop waagde hij zich niet, zijn toegankelijke stijl was stevig geworteld in de rhythm & blues. Daarbij mocht hij graag aan de haal gaan met bekende songs en thema’s. Ramsey Lewis was de meester van de cover: die transformeerde hij geheel tot een eigen creatie. Zo scoorde hij in de tweede helft van de jaren zestig grote hits met covers van Dobie Gray's The In Crowd en de McCoys-kraker Hang On Sloopy. In de jaren zeventig legde Lewis zich toe op de toen in zwang zijnde jazzfunk. Herenigd met Maurice White, toen drummer van Earth, Wind & Fire, maakt hij het succesvolle album Sun Goddess. Twee decennia later bleek dat werk onder hiphoppers een dankbare bron voor samples, maar jazzcritici geven er tot op de dag van vandaag niet bepaald hoog van op. “MOR, easy-listening disco music”, moppert The Rough Guide to Jazz, terwijl de gezaghebbende Penguin Guide to Jazz, die toch ‘the first comprehensive, critical listing covering all jazz recordings currently available’ pretendeert te zijn, Lewis kennelijk niet relevant genoeg achtte om hem überhaupt op te nemen.

Hoe kwam u eigenlijk op het idee voor Taking Another Look?
“Eind 2010 in Japan suggereerde iemand dat ik weer met een kwintet ging spelen. Vervolgens kwam ik terug in de VS en toen zei iemand anders precies hetzelfde. Na de feestdagen heb ik wat jongens gebeld voor een jamsessie. Alleen om te kijken hoe het voelde, wat er zou gebeuren. We gebruikten nummers van Sun Goddess. We begonnen gewoon te spelen en mijn God dat voelde zó goed. Ik belde mijn vrouw op dat ik over een uur thuis zou zijn. Pas drie uur later kwam ik hijgend binnen. Mijn vrouw vroeg: wat is er aan de hand? Ik had zó veel plezier.”

Wat voor nieuws heeft u aan de oude nummers toegevoegd?
 “De improvisatie en de ritmes. De tijd verandert de stukken. Charles Heath (drums) en Joshua Ramos (bas) speelden hiphop-patronen. Daardoor speelden wij onze solo’s op een andere manier.”




Waarom heeft u uw trio van toen (met bassist Cleveland Eaton en percussionist Morris Jennings) niet gebruikt?
“Cleveland Eaton doceert tegenwoordig in Alabama. En ik heb geen idee waar Morris Jennings tegenwoordig is. Ik weet niet of hij nog steeds in Chicago woont.
Maar daarnaast wilde ik met een jonge band spelen. Joshua is 28, Charles is 34. Die gasten hebben zo veel energie. Dat heb ik geleerd van Miles Davis en Art Blakey. Toentertijd besefte ik niet waarom zij met jonge muzikanten werkten, zoals Art Blakey met Lee Morgan en Miles Davis met Herbie Hancock en Tony Williams. Maar nu begrijp ik dat dit een heel nuttige dimensie aan de muziek geeft: energie, nieuwsgierigheid, de wil om een stap verder te gaan, frisse ideeën. Ze proberen nieuwe dingen. Ze zitten nog niet vastgeroest. Ze hebben nog niet van: dit werkte goed, laat ik het weer doen. Ze zijn eager.”

De critici vonden uw werk te commercieel. Wat vindt u van die kritiek?
“De eerste zestien albums schreven de jazzcritici dat we een goed trio waren, een nieuw geluid hadden, we kregen veel steun. En op het zeventiende album zetten we een nummer, slechts één van de tien, The In Crowd. In eerste instantie vonden de jazzcritici dat prima. Dergelijke nummers hadden we ook op onze eerdere platen gezet. Maar na een maand of drie werden de critici kwaad op ons, omdat de verkoopcijfers richting popcijfers gingen. De plaat ging van de jazzlijsten naar de poplijsten en kwam tussen The Beatles en Elvis Presley te staan. En toen zeiden de critici opeens: he sold out. Welnu, hoe verkoop je uit? Veel van mijn vrienden spelen hardbop, en zij vragen zich dat vaak af. Als je een plaat maakt duim je ervoor dat mensen hem kopen. Soms lukt dat en soms niet. Ik weet niet hoe je moet uitverkopen.”

dinsdag 10 april 2012

Commodore 64


Jack Tramiel, oprichter van Commodore, is zondag overleden. De computerpionier werd 83 jaar.

We schrijven 1986. 'Wanneer krijgen we nou een computer?', vroeg ik, acht lentes jong, aan mijn moeder. 'Dit jaar', antwoordde ze. Je ging in die tijd niet over een nacht ijs voor de aanschaf van een computer. Mijn ouders hadden een stapel brochures van allerhande computers in huis gehaald om zich optimaal te oriënteren op hun Eerste Computer, hun Eerste Stap Naar De Digitale Toekomst Die Voor De Deur Staat. Tussen de folders zat er eentje van de Philips MSX. Ondanks mijn atheïstische opvoeding bad ik dat mijn ouders die níet zouden kopen. Dat was zo'n saai ding met een zwart beeldscherm en groene letters, waarmee je alleen taal- en rekenspelletjes, en vooruit, Galgje, kon spelen. Een vriendje had er een. Zoontje van onderwijzers, dan weet je het wel. Dezelfde computer hadden we ook op school. Vurig hoopte ik dat we die toffe spelcomputer kochten die een ander vriendje had: de Commodore 64. Met Bruce Lee, Pitfall, Pole Position, Pacman. Met bewegende poppetjes in kleur. Maar mijn vader, een fel tegenstander van plat vermaak, vond dat de computer nuttig en educatief moest zijn.

Mijn gebeden werden verhoord en de belofte ingelost. Op oudjaarsdag reden papa, mama en mijn grote broer naar de Maxis in Muiden. Aan het einde van de middag kwamen ze terug met een witte sporttas met daarop een hoekige blauwe C. De Commodore 64 werd eruit getild. Maar het was niet de karakteristieke donkergrijze met zwarte toetsen. Mijn vader had de Commodore 64 Personal Computer aangeschaft, met de zakelijke lichtgrijze tint die de pc's hadden die toen op de markt kwamen. Een nuttige computer. Het verschil met de normale Commodore 64 is me echter altijd ontgaan, of liever gezegd, ik heb nooit de moeite genomen om het uit te zoeken want ik wilde gewoon gamen.



In 1986 nog geen USB-sticks. Nee kinderen, opa werkte toen nog met cassettebandjes op de Commodore 64. Met vriendjes en klasgenoten wisselde je spelletjes uit op bandjes. Moest je eerst het bandje een stukje afspelen om de data in te laden, dan een nieuw bandje erin om de kopie op te nemen. Hele middagen was je bezig. En dan in een schriftje noteren bij welk nummer op de teller het spelletje begon. Om tijd te besparen probeerde ik de bandjes te kopiëren op een dubbel cassettedeck, maar daar kreeg je crappy files van. Hard moesten we lachen als we de spelletjesbandjes op de stereo speelden. 'Krrriieggggprrrriieeeekggggggg', hoorde je dan. Hilarisch vonden we dat. In mijn naïviteit probeerde ik wat er zou gebeuren als je een audiotape op de Commodore 64 afspeelde. Misschien zie je dan wel de noten en de teksten op het beeldscherm! De uitslag van het experiment laat zich raden.

dinsdag 3 april 2012

De vrouwen van laatbloeier Johnny Dowd

Foto's: Kat Dalton

Stalkers, obsessie, zelfmoord, strippers en hoeren. Welkom in de zwartgallige en verknipte wereld van Johnny Dowd. Op No Regrets bezingt de singer-songwriter de vrouwen die hij in zijn 64-jarige leven heeft gekend. "Of vermoord."

U zingt over de vrouwen in uw leven. Waarom?
"We hadden eerst een paar liedjes die waren gebaseerd op vrouwen die ik ooit heb gekend. Of heb vermoord. Hahaha! Nee, dat was een grapje, dat moet je niet opschrijven. Maar dat was een goed organisatieprincipe."
Welke ervaringen heeft u met vrouwen?
"Goed, slecht en neutraal. Op een bepaald moment in mijn leven besefte ik dat alle vrouwen met wie ik ben omgegaan – zowel romantisch als niet – dezelfde lijst met klachten over mij hadden Ik realiseerde me dat ik wel eens het probleem kon zijn."
Is het album een soort therapie?
"Nee. Ik weet best wat met mij mis is. De songs zijn een mix van verschillende vrouwen. Je begint met de een en die loopt over in een andere. Op een gegeven moment herken je ze niet meer."
Is het allemaal gebaseerd op ware gebeurtenissen?
"Je moet het met een korreltje zout nemen. Ik begin altijd met iets kleins en verzin er een hoop omheen. Het is bovendien lastig om een waargebeurd verhaal te laten rijmen."
U zei net dat de meeste vrouwen dezelfde klachten over u hadden. Waar klaagden ze over?
"Dat ik niet luister, egocentrisch ben, onbetrouwbaar, vergeetachtig. Toen ik jong was, was ik vrij wild. Maar ik ben nu niet meer dezelfde persoon als toen ik veertig was."
U heeft uw leven gebeterd?
"Ik ben een aardiger geworden, zeker. Hoop ik. Ik luister nu naar kritiek. Ik probeer me te houden aan de Gulden Regel: behandel anderen zoals je zelf behandeld wil worden. Ik besefte dat ik mensen niet behandelde op de manier waarop ik zelf behandeld zou willen worden. Dat leek me niet fair."
Waarom deed u dat dan?
"Ik was gewoon jong, denk ik. Niet dat ik gemeen was hoor. Ik was vooral met mezelf bezig."
Toch is de titel van het album No Regrets.
"Aanvankelijk was de titel Regrets, I Have a Few. Maar dat vond ik te lang, dus werd het gewoon No Regrets. Ik heb wel spijt van sommige dingen, maar ik kan er nu toch niks meer aan veranderen. Ik kan niet meer teruggaan naar de vrouwen met wie ik veertig jaar geleden iets had, en vragen of ze spijt hebben dat ze me ooit hebben gekend."

woensdag 14 maart 2012

Zita Swoon Group wil geen Afrikaans kleurtje

Wait for Me van de Zita Swoon Group is een rasechte Afrikaanse plaat geworden, want de Belgische groep neemt geen genoegen met een exotisch sausje. ‘Dat is een verdoken vorm van kolonialisme.’

Op het podium zet de Zita Swoon Group een groove in die het Amsterdamse Bimhuis binnen dendert als een kudde losgebroken olifanten. Zangeres Awa Démé schopt haar slippers uit en wiegt ritmisch heen-en-weer. Door de glaspartij achter hen prikt de zon door het wolkendek. Een glimlach krult de mond van voorman Stef Kamil Carlens. Het is gelukt. De missie om westerse en Afrikaanse muziek te versmelten is geslaagd.
Wait for Me is een rijke plaat met Americana en Africana volbloed in het DNA. Een knappe prestatie, want de makke van veel crossoverprojecten is dat ze slechts een uitheems vernislaagje hebben. ‘Ik was op mijn hoede dat het niet muziek zou worden met een exotisch kleurtje. Dat wou ik ab-so-luut niet’, vertelt Carlens later, als de opnames voor het VPRO-programma Vrije Geluiden erop zitten. ‘Ik wou dat het echt een samenwerking werd. Daarom heeft het ook zo lang geduurd om die songs te maken. Niet zo van hier een vleugje balafon en daar een stemmetje. Om het heel cru te zeggen, vind ik dat een verdoken vorm van kolonialisme. Ik wou echt samenkomen, echt begrijpen.’

dinsdag 14 februari 2012

Kitschy Whitney

Alsof Leo Blokhuis zojuist de Holocaust had ontkend, zo werd er maandagavond aan tafel bij De Wereld Draait Door gereageerd toen hij stelde dat Whitney Houston de nodige draken op haar naam heeft staan. De onderkaak van Trijntje Oosterhuis klapte van verbazing en ontsteltenis op het tafelblad. Hoe durfde hij?

Terwijl Blokhuis slechts herhaalde wat muziekcritici en -liefhebbers Whitney Houston al vanaf het begin hebben nagedragen: haar muziek was glad en inhoudsloos.

zaterdag 10 december 2011

Bobby Womack: 'Uit het niets ging het beter’

Bobby Womack en ik, 17 juni 2011

“Ik heb dit nog nooit eerder verteld”, kraait Bobby Womack opgetogen met zijn karakteristieke raspstem. Wellicht is het te danken aan mijn beeldschone Keniaans-Limburgse collega dat de 67-jarige soulveteraan op zijn praatstoel zit. Bobby Womack geeft geen interview, Bobby Womack kletst. Eindeloos. Er is nauwelijks een speld tussen te krijgen, elke vraag die je stelt herinnert hem aan een of ander verhaal. En zo zit je urenlang met de zelfbenoemde 'last soul man' op zijn hotelkamer.


Ondanks zijn enorme staat van dienst lijkt Bobby Womack enigszins ondergewaardeerd te zijn. In het rijtje van de grootmeesters van de soul ontbreekt zijn naam dikwijls. Noem Bobby Womack en de reactie is steevast: “Van Womack & Womack?” Maar dat is zijn broer Cecil.

“Ik kan je daar een verhaal over vertellen. Ik had er geen idee van dat zij zo hot waren. Ik kende hun nummers eigenlijk niet eens omdat ze in Amerika niet zo groot waren, maar hier in Europa waren ze gigantisch. Ik was eens in Europa en checkte in bij een hotel en de receptionist vroeg: ‘Bent u van Womack & Womack?’ ‘Nee dat is mijn broer’, antwoordde ik. ‘U bent niet van Womack & Womack? Oh ik zie dat we vol zitten.’ Toen zei ik maar dat we inderdaad Womack & Womack waren. Die man zei: ‘Waarom zei u dat niet? We hebben een suite voor u.’”

Is Bobby dan in ieder geval rijk geworden? “Geestelijk wel. Anderen zijn rijker geworden omdat ze me niet hebben betaald. We zijn allemaal genaaid. Ik ben inmiddels wijs genoeg om zelf de vaseline mee te nemen.”

Een inktzwart en bloedrood liefdesverhaal

Foto: Vivian Johnson

Willy Vlautin (43) komt Paradiso uit lopen met twee blikjes Heineken in zijn hand. “Laten we lekker buiten gaan zitten, het is prachtig weer.” Recordweer zelfs. Het is de warmste 1 oktober ooit. We nestelen ons achter de poptempel aan de gracht, waar bootjes met feestende mensen en slechte Eurohouse voorbij glijden. Het Leidseplein gonst van de drukte. Boven de stad ronkt een politiehelikopter. Die houdt een oogje in het zeil omdat op het Spui krakers en de ME elkaar in de haren vliegen.

De broeierige sfeer staat in schril contrast met de claustrofobische verstilling van het afgelegen houthakkersdorp ‘waar het zes maanden per jaar regent’ uit The High Country, het nieuwste album van alt.countrygroep Richmond Fontaine. Op het negende album combineert voorman Willy Vlautin zijn beide disciplines. Naast negen albums publiceerde de singer-songwriter namelijk ook drie al even lovend ontvangen romans, waarvan het debuut The Motel Life volgend jaar als film in de roulatie zal gaan met in de hoofdrollen Kris Kristofferson, Stephen Dorff en Dakota Fanning. The High Country is volgens eigen zeggen een song novel, een liedjesroman. Een ambitieus project, waarbij het vooral de kunst was een balans te vinden tussen vorm en inhoud. Je moet het verhaal vertellen zonder de songs in de weg te zitten.
“Dat is altijd mijn grootste probleem als songwriter geweest”, bekent Vlautin. “Vroeger voerden de teksten de boventoon. Ik heb wel een paar goede songs verpest met de teksten. Of ik formuleerde de tekst zo precies dat het ten koste ging van de melodie. De catchy nummers zijn altijd eerst de muziek, de niet-catchy liedjes de tekst eerst. Als ik een liedje schrijf gaat het om het gevoel. Dan heb ik het verhaal in mijn hoofd en probeer ik het in dat gevoel te passen, zodat dat overkomt als je het nummer luistert. Het heeft me jaren gekost om de juiste balans te vinden, en ik worstel er nog steeds mee. Onze producer J.D. Foster leerde me te zeggen wat ik wilde te zeggen zonder zo veel woorden nodig te hebben. Ik probeer altijd een heel verhaal in drie minuten te passen. Soms lukt dat, vaak gaat het mis.”