donderdag 15 mei 2003

Joan Armatrading luistert niet naar muziek


In haar ruim dertigjarige carrière heeft de Britse singer-songwriter Joan Armatrading nooit achter trends aangehold. In haar werk is ze altijd zichzelf gebleven. Daar heeft Armatrading een simpele verklaring voor: "ik weet niet hoe je trends moet volgen". En ze luistert ook al niet naar muziek.

Joan Armatrading werd op 9 december 1950 geboren op het Caribische eiland St. Kitts. In 1958 stak ze de Atlantische Oceaan over naar Groot-Brittannië. Daar ontmoette ze begin jaren '70 bij de musical Hair tekstschrijfster Pam Nestor. Uit de samenwerking vloeide in 1972 Armatradings debuutalbum Whatever's for Us voort. Daarmee is Armatrading een van de eerste zwarte vrouwen in Groot-Brittannië die folk maakt. Hoewel ze dat wel flink doorspekt met reggae en soul. Armatrading werkte met het neusje van de zalm samen, van leden van Fairport Convention tot Little Feat en Bruce Springsteens E-Street Band.

1976 is het jaar van de doorbraak voor Armatrading met haar titelloze album. Love and Affection lanceert haar in de hitlijsten en levert haar een top 10 hit op. Het duurt echter nog vijf jaar voordat Armatrading ook in de Verenigde Staten een hit scoort (met Me Myself I in 1980). Een grote ster werd Armatrading in de VS echter niet, maar ze kreeg wel een trouwe fanschare. Ook in eigen land heeft Armatrading nooit over succes te klagen gehad. Niet voor niets omspant haar carrière inmiddels al ruim dertig jaar. En haar oeuvre is ook bijzonder consistent.

"Dit is Joan"

Het is moeilijk doorkomen aan de telefoon. De ene keer lijkt de lijn dood, soms komen er vreemde tonen uit de hoorn, dan wordt er een voicemail aangeschakeld. Na een paar pogingen neemt een vrouw met een schorre stem op. "Hallo?"

Ik stel me voor en vertel dat ik bel voor het interview met Joan Armatrading. "Dit is Joan", zegt de vrouw aan de andere kant van de verbinding, die overigens erg kraakt en Armatrading is nog net verstaanbaar. De verbinding zou later in het gesprek ook nog verbroken worden. Maar het is wel een directe lijn naar Armatradings kleedkamer in de Liverpool Philharmonic Hall, waar ze zich voorbereidt op een optreden later die avond.

Joan Armatrading BA Hons DLitt HonDMus MBE

Tijd voor de eerste vraag. Joan Armatrading bracht eind maart haar achttiende album Lovers Speak uit, wederom een state-of-the-art sophisticated pop-folk plaat. Het was tevens haar eerste plaat in acht jaar. Maar Armatrading heeft in de tussentijd niet stilgezeten.

"Hahahaha! Ik heb veel gedaan. Ik heb een universitaire graad gehaald [een Bachelor's Degree in kunst alsmede een eredoctoraat aan de universiteit van Birmingham voor haar gehele oeuvre, en ze mag zich nu Joan Armatrading BA Hons DLitt HonDMus MBE noemen - PS]. Ik heb nog getoerd na mijn vorige album [What's Inside uit 1995]. Ik haalde mijn graad terwijl ik toerde, dat is hard werken. Maar ik wilde het graag. Ik was ook bezig met schrijven."

Tussen de bedrijven door zette Armatrading zich ook in voor Zuid-Afrika. Ze is een van de initiatiefnemers van UKUZA, een organisatie die zich inzet voor het welzijn van de zwarte bevolking in Zuid-Afrika, nu het land veel veranderingen doormaakt sinds de afschaffing van de apartheid. In die rol ontmoette Armatrading diverse keren Nelson Mandela, en schreef en zong een nummer voor hem tijdens het Tribute to Nelson Mandela concert in Londen in 2000. Mandela danste het hele nummer lang.

"Ik weet niet hoe je trends moet volgen"

In wanhopige pogingen met de tijd mee te gaan, hebben veel muzikanten belachelijke, geforceerde novelty platen gemaakt. Joan Armatrading is daarentegen altijd opvallend consistent gebleven, en heeft zich nooit door de waan van de dag laten leiden.

"Ik kan het niet uitleggen, zo ben ik altijd geweest. Ik weet niet of dat goed of slecht is, maar dat is wat ik doe. Ik probeer de nummers te schrijven waarvan ik denk dat ik ze kan schrijven, en niet de nummers die trends volgen. Ik weet eigenlijk niet hoe je trends moet volgen. Als iemand rapt, of garagerock maakt... Het is niet goed als ik zou proberen dat soort muziek te maken, want zo zit ik niet in elkaar. Het is beter om dat over te laten aan de mensen die daar goed in zijn, want dat is natuurlijk voor hen. Wat voor mij natuurlijk is, is de muziek schrijven die ik schrijf. Het is beste om natuurlijk te blijven."

"Ik luister niet naar muziek"

Opvallend is dat voor een doorgewinterde, zelfs academisch onderscheiden muzikant, Joan Armatrading weinig naar muziek luistert. "Ik luister niet veel naar muziek eigenlijk. Natuurlijk ken ik wel wat muziek, maar ik luister nooit naar de radio, of koop platen."

Verbazingwekkend dat een muzikant niet naar muziek luistert. "Hahahaha! Weet je, ik schrijf veel, ik toer. Als ik werk hoef ik niet ook nog eens andere muziek te horen", grapt ze. "Hahahaha!!!"

Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl

woensdag 14 mei 2003

Fugees - Greatest Hits

Het was te verwachten; een Fugees-reünie blijft maar uit, de solocarrières van de leden lijken te stagneren, dus dan brengt de platenmaatschappij maar een verzamelaar uit om de inkomstenstroom gaande te houden. Dat biedt gelijk voor het publiek een mooie kans om de Fugees in de juiste proporties te zien. Want als er één band is die zwaar overschat wordt, dan zijn het de Fugees wel.

De Fugees debuteerden in 1994 met Blunted on Reality. Een zeer middelmatig album, dat bij uitkomen al meteen in de vergetelheid raakte. Terecht. Het was dan ook verbazingwekkend toen het tweede album The Score in 1996 werd ontvangen als de terugkeer van Jezus op aarde. Waarschijnlijk door een sluwe promotiecampagne van de platenmaatschappij tuinden de recensenten en vervolgens het publiek in de 'scam' dat de Fugees een uitzonderlijk getalenteerde band was. Een band die aan de haal ging met allerlei genres ("muzikale reis"). Eindelijk was er een hiphop-act die niet gemakzuchtig leunde op samples, maar zelf instrumenten bespeelde. En geen boze negers, ze zongen namelijk ook nog. Genoeg om hen tot genieën te bombarderen.

In hun enthousiasme zag men over het hoofd dat de Fugees per saldo helemaal niet zo bijzonder waren. Een band uit elk ander genre was hier niet mee weggekomen. Tel maar eens op: ze zangkwaliteiten van Lauryn Hill zijn hooguit voldoende, maar ook lang niet altijd zuiver (zeker live niet). Wyclef is als rapper onderontwikkeld, als gitarist matig. Praz rapt hier en daar wat, maar zijn verdere rol is wat onduidelijk. De muziek is verder toch wat te simpel, bevat weinig rijkdom en is grotendeels zelfs saai, monotoon, spanningsloos.

Ironisch genoeg zijn de Fugees op hun best als ze covers spelen. En dat doen ze verdacht veel, en verdacht gemakzuchtig. Ze geven de covers bar weinig eigen invulling. Vergelijk Killing Me Softly bijvoorbeeld maar eens met de versie van Roberta Flack (overigens ook een cover); weinig verschil. En hun veelzijdigheid is in werkelijkheid niet meer dan het knippen en plakken van genreconventies.

Wat de Fugees groot heeft gemaakt, en wat ze slim weten uit te spelen, is dat ze een belofte inhouden (waar ze door alle loftuitingen waarschijnlijk zelf ook in geloven). Hun muziek heeft de schijn van een visie, een complexiteit, een illusie dat de band in de toekomst grote dingen gaat doen. Zo was het solodebuut van Hill (The Miseducation of...) vrij sterk, en kwam ze vorig jaar met een zwaarmoedig akoestisch live-album (MTV Unplugged No. 2.0), vol getergde songs en een heuse huilbui. Doe maar lekker serieus, volgt de rest van de wereld vanzelf. Daar heeft Wyclef ook een handje van; hij loopt op het podium dan wel te schreeuwen, te springen, de handstand te doen, karatetrappen uit te delen en in palen te klimmen. Maar hij neemt ook met een doodserieuze blik zijn gitaar ter hand en duikt in videoclips ook op terwijl hij met een ernstig gezicht zit te spelen. Voeg daar nog eens een vogelvlucht door muzikale genres aan toe, en men trapt erin, men vreet het. Terwijl die belofte maar niet wordt ingelost.

Deze Greatest Hits (Sony Music) zou de wereld weer met beide benen op de grond moeten trekken. Het documenteert uitvoerig het beperkte kunnen van de Fugees. Behalve de verplichte hits Fu-Gee-La, Ready or Not en Killing Me Softly staan er ook diverse - overbodige - remixen op, alsmede live-materiaal. En live tonen de Fugees hun ware gezicht. Dan blijkt dat de zweem van muzikaliteit vooral het product is van eindeloos afmixen in de studio. Vooral schrijnend is Lauryn Hill. Die zingt zo vals, dat de vraag zich opdringt waarom ze ooit een microfoon in haar handen heeft gekregen. En dat is niet een eenmalige misser, die klacht is veelgehoord.

Deze dubbelaar legt de pijnlijke waarheid eindelijk eens bloot. De Fugees waren geen nieuwe muzikale revolutie, geen nieuwe wonderkinderen, maar hooguit een eclectische novelty act. De enige reden waarom deze schijven gekocht mogen worden is om deze auditieve fraude eindelijk eens aan het licht te brengen. De Fugees zijn het onderpand van een lening die nooit wordt terugbetaald.


Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.

Tupac Shakur - 2Pac vs.

Het is een bekend gegeven dat kunstenaars vaak pas na hun dood beroemd worden. Vincent van Gogh is een schoolvoorbeeld. Een eigentijdser voorbeeld is de in 1996 doodgeschoten rapper/acteur Tupac Shakur. Na zijn dood groeide 2Pac uit tot een heuse mythe, voor sommigen zelfs een profeet. Terecht?

De mythe is sterk overdreven. Wat 2Pac de wereld heeft nagelaten is een handjevol prima films en verder generieke gangsta rap albums, en postuum uitgegeven vrachtwagenladingen met inferieur restmateriaal. 2Pac is technisch nooit een getalenteerde rapper geweest, zijn teksten waren achterhaald en zijn productie liet te wensen over. De hele legende om 2Pac heen is in de eerste plaats het product van een uitgekiende campagne van de commercie, wiens cretologie vervolgens werd nagepapegaaid door mensen die niet wisten waar ze het over hadden.

Wat dan ook nuttig zou zijn geweest was een documentaire die de mythe om 2Pac heen enigszins zou ontkrachten, of hem in ieder geval in de juiste proporties zou plaatsen. Tupac vs. (Xenon/Zyx) doet dat niet. Maker Ken Peters versterkt de legende alleen maar, en geeft er ook nog een misplaatste intellectuele invulling aan.

De hoes verraadt het al met de woorden "Icon. Philosopher. Martyr." Dat 2Pac een icoon is kan niet ontkend worden. Zijn gezicht staat op ontelbare vlaggen over de hele wereld, om maar een eenvoudig voorbeeld te noemen.

Filosoof is al iets anders. We horen in een exclusief interview in de gevangenis (waarin hij midden jaren '90 een straf uit zat voor aanranding) 2Pac inderdaad wat bespiegelingen uitkramen, maar dat zijn voornamelijk de belegen samenzweringstheorieën dat donkere krachten (lees: de Amerikaanse regering) de zwarte gemeenschap willen uitroeien en dat daarom crack en aids zijn uitgevonden. Verder dweept hij met boeken die hij heeft gelezen. Al zijn ideeën heeft hij van anderen. En bovendien, als 2Pac zo intellectueel was, waarom stonden zijn platen dan vol met uitgekauwde gangsta rap teksten? In 2Pac vs. komt hij vooral naar voren als een lichtelijk megalomane narcist, die zichzelf continu in het midden van de belangstelling ziet. Hij is welbespraakt, zeker niet dom, maar dat maakt hem nog niet tot een intellectueel.

Waarom 2Pac een martelaar was wordt onvoldoende beantwoord. De documentaire (en 2pac zelf) stelt dat hij de spreekbuis was van de woedende zwarte jeugd in Amerika, die gefrustreerd is over het racisme en het uitblijven van een toekomst. 2Pac kreeg veel kritiek van de media en politici omdat hij geweld zou verheerlijken. 1+1=2. Maar hoe je het ook wendt of keert, 2Pac werd gewoon het slachtoffer van enkele onzuivere figuren om hem heen.

2Pac vs. schildert Shakur voortdurend af als een genie die op ingenieuze wijze een alter ego schiep dat de gehele zwarte jeugd in de binnensteden belichaamde. Dat kan wel zijn, maar daarmee wordt voorbij gegaan aan het feit dat 2Pac hierin niet de enige, en ergo: niet de eerste was. Toen 2Pac in opkomst was, was gangsta rap in 'the Black CNN' zin allang doodgebloed. Bovendien is wat 2Pac deed veel beter gedaan door rappers als Ice-T, Ice Cube of de Geto Boys. Sowieso trekt de documentaire 2Pac los van hiphop, alsof hij erboven staat. Hiphop is wel de spreekbuis van jong zwart Amerika (de eerder genoemde Black CNN functie), en hoewel 2Pac een van de bekendere exponenten van de subcultuur is, blijft hij een onderdeel daarvan.

Daar komt bij dat 2Pac vs. Shakur nogal overdreven verafgoodt. Hij wordt in hetzelfde pantheon geplaatst als de zwarte leiders Martin Luther King en Malcolm X. En men gaat zelfs nog verder door hem een godenstatus toe te dichten: 2Pac was een Zwarte Jezus. Als bewijs voor deze godenstatus wordt aangevoerd dat 2Pac wereldwijd miljoenen platen verkocht. Dat zal best, maar zegt weinig. De meeste mensen kochten zijn cd's simpelweg omdat ze de muziek leuk vonden. Laten we wel wezen: 2Pac was gewoon een popster. Bovendien zou dat inhouden dat elke artiest met een wereldhit een halfgod is.

De dubieuze kanten van 2Pac worden gebagatelliseerd tot een schijnbare tegenstrijdigheid van zijn persoonlijkheid. Hij zou vooral verkeerd begrepen zijn, omdat hij altijd is afgeschilderd als een duivel, terwijl dat slechts zijn alter ego was, een klein onderdeeltje van zijn gehele persoon. Dat kan wel zijn, maar zijn misdaden worden wel erg makkelijk terzijde geschoven. Zo zegt 2Pac in het interview in de gevangenis dat hij nooit iemand verkracht heeft, maar veroordeeld is omdat hij een vrouw op haar achterwerk sloeg. Niemand die hem een kritische vraag stelt. En het gevecht in 1992, waarbij een 6-jarig jongetje dodelijk getroffen werd door een kogel, wordt niet eens genoemd. Toegegeven, de aanklacht tegen Shakur werd ingetrokken, maar moet voor de feitelijke belans op z'n minst vermeld worden.

2Pac vs. is vormgegeven in een snelle, opgewonden beeldtaal met korte, flitsende beelden, flarden tekst en pakkende soundbites over beats, die daardoor een sensationele lading krijgen. Het geheel is erg onrustig en vermoeiend. 2Pac vs. is beslist een intelligente documentaire over de vermoorde rapper, maar valt ten prooi aan idolatrie. Daarmee valt de documentaire tussen wal en schip. De overdreven bewierroking zal niet-fans weinig kunnen bekoren. De fans zullen teleurgesteld zijn over het gebrek aan muziek en worden afgeschrikt door het vele gepraat. Hoe dan ook is het vermoeiend om een dik uur naar een duizelingwekkende videoclip te kijken.

donderdag 17 april 2003

Hoe Bush rijk wordt van de oorlog

De Amerikaanse president Bush verdient indirect een fortuin aan de oorlog in Irak, via de geheimzinnige investeringsmaatschappij Carlyle Group, die wapentuig levert aan het Amerikaanse leger. George Bush sr. is adviseur van deze invloedrijke groep met wereldwijde connecties, zelfs met Bin Laden.

Het hoofdkantoor van de Carlyle Group bevindt zich middenin het centrum van de macht; aan de Pennsylvania Avenue in Washington, tussen het Witte Huis en het Capitool in. De Carlyle Group is geen bekende naam, en het bedrijf wil dat ook graag zo houden. Maar de invloed van de investeringsmaatschappij is groot.

George Bush senior: topadviseur
De Carlyle Group werd in 1987 opgericht en wordt bestuurd door voormalige hoofdrolspelers in de internationale politiek. Het bedrijf wordt dan ook wel 'the ex-presidents' club' genoemd. Oud-minister van Defensie (in het kabinet van president Ronald Reagan) en voormalig adjunct-directeur van de CIA Frank Carlucci is directeur, de voormalige Britse premier John Major is voorzitter van Carlyle Europe, oud-minister van Buitenlandse Zaken en Financiën James Baker (respectievelijk onder Reagan en Bush sr.) is een topadviseur, en oud-president George Bush senior is topadviseur.

Ook Bush jr. werkte voor Carlyle
Maar ook de huidige president Bush heeft directe banden met Carlyle gehad. In 1990 werd hij benoemd tot directielid van een van Carlyles eerste aankopen, de vliegtuigvoedsel producent Caterair. Het bedrijf werd met verlies weer verkocht, en in 1992 vertrok Bush om gouverneur van Texas te worden. In die functie benoemde Bush enkele leden van de commissie die de investeringen van een pensioenfonds voor leraren beheerde. Dezelfde commissie besloot later om honderd miljoen dollar van de belastingbetaler te investeren in de Carlyle Group.

Eigenaar van producenten van oorlogstuig
De vele bedrijven waarvan de Carlyle Group eigenaar is zijn producenten van onder meer van apparatuur, voertuigen en wapens voor het Amerikaanse leger. United Defense maakt bijvoorbeeld raketlanceersystemen die op de Amerikaanse fregatten in de Golf worden gebruikt, alsmede andere lanceersystemen en gevechtsvoertuigen. Het bedrijf is op zijn beurt eigenaar van Bofors, een Zweedse munitiefabrikant. Maar Carlyle bezit ook de Franse krant Le Figaro en het bedrijf dat de flessen van het limonademerk Dr Pepper bottelt. In Nederland heeft de Carlyle Group ook belangen; eind vorig jaar werd kabelbedrijf Casema aan de investeringsmaatschappij verkocht.

Niettemin beweert de Carlyle Group dat slechts zeven procent van zijn fondsen geïnvesteerd is in defensiebedrijven, wat veel minder zou zijn dan andere investeringsmaatschappijen.

Connecties met familie Bin Laden
Carlyle heeft over de hele wereld connecties, waaronder enkele zeer opmerkelijke. Sinds 1995 investeert de familie Bin Laden in Carlyle. De familie houdt vol dat ze al lang geleden de banden met hun beruchte lid Osama hebben verbroken. Bush sr. zou de Bin Ladens twee keer hebben bezocht ten behoeve van Carlyle. Overigens zou de investering geannuleerd zijn en doet Carlyle geen zaken meer met de Bin Ladens.

Sinds 11 september 2001 is de betekenis van Carlyle gegroeid. De IT Group kreeg in het najaar van 2001 diverse contracten van de Amerikaanse regering om met antrax besmette gebouwen schoon te maken, waaronder het Hart Senate Office Building, het kantoor van de Amerikaanse senator Tom Daschle. Carlyle bezit 25 procent van de IT Group.

De oorlog in Afghanistan, en nu in Irak, waren voor de dochters van Carlyle een perfecte gelegenheid om hun oorlogstuig te leveren aan het Amerikaanse leger. Indirect komt dit ten goede aan de portemonnee van de werknemers van Carlyle, waaronder dus de vader van de huidige Amerikaanse president Bush. De oud-president wordt betaald met aandelen in de Carlyle Group, en verdient derhalve aan bijvoorbeeld de Irak-oorlog. Als zoon ligt het voor de hand dat de huidige president Bush erfgenaam is.

'Gerecyclede samenzweringstheorieën'
De Carlyle Group vindt het verhaal, uitvoerig omschreven in het boek The Iron Triangle - Inside the Secret World of the Carlyle Group van de gerenommeerde Amerikaanse journalist Dan Briody (dat deze maand verschijnt), echter niet meer dan een paranoïde samenzweringstheorie. "Pel de lagen van feitelijke fouten en zelfgenoegzaamheid weg en alles dat je overhoudt zijn insinuaties zonder grond", zegt woordvoerder Chris Ullman. "Dit boek is een verzameling gerecyclede samenzweringstheorieën gemaskeerd als onderzoeksjournalistiek."

Invloed op regeringsbeleid
Het is weliswaar moeilijk om de vinger te leggen op de mate waarin Carlyle invloed uitoefent op het beleid van de Amerikaanse regering, maar de nauwe band tussen medewerkers van Carlyle en leden van de regering is een feit.

Carlyle zelf ontkent voor de regering te lobbyen om belangenverstrengeling te voorkomen, maar de vraag is welke pet Baker en Major dragen als ze in Londen in Bush' voordeel een toespraak geven over de vermadelijde presidentsverkiezingen van 2000. Of als minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell een toespraak geeft op een banket van Carlyle.

Het is bekend dat verkiezingscampagnes in de Verenigde Staten gefinancierd worden door het bedrijfsleven. George Bush junior staat bekend als de 'pro-business president'. Het is een dubieus gegeven, maar het wordt extra wrang als presidenten rijk worden van een oorlog die ze zelf voeren.

Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.

woensdag 13 november 2002

Tom Jones - Mr. Jones

Er was eens een knappe wetenschapper, die op een afgelegen onbewoond eiland fossielen van dinosaurussen vond. Met behulp van geavanceerde DNA-techniek kon hij de oerwezens weer tot leven wekken. Zo krijgen de carrières van Cher en Tom Jones om de zoveel tijd weer een nieuwe opleving. Het is fantastisch, maar eigenlijk alleen voor de (bankrekeningen van de) betrokkenen. Voor de rest van de wereld is deze zielige vertoning vooral een bron van ergernis, medelijden of leedvermaak.
In het geval van Tom Jones vonden zijn managers dat het weer de hoogste tijd was voor de zoveelste verjongingskuur. En zo werd de voormalige bouwvakker weer eens met elektroschokken gereanimeerd en in een studio gedropt met een jonge producer die momenteel hot is: Wyclef Jean.
De chemie tussen deze twee genieën was ongekend. Tom Jones was er zo lyrisch over dat hij spontaan in hiphop-slang begon te praten. Schijnbaar was de magie van hun werkrelatie zo fenomenaal dat deze niet op een geluidsdrager te vatten was; Mr. Jones is namelijk een wanproduct van de bovenste plank.
Wyclef weet weer eens zijn toebedeelde status van meesterproducer geheel niet waar te maken, en levert Jones een basis van goedkope, weke elektronische beats met kitscherige synthaccenten. De demo van een driestuiver Casio-keyboard levert beter werk af.
Intussen is het evident dat Jones verdwaald, ja zelfs gedesoriënteerd is. Hij weet nog net het ritme bij te houden, maar zingt houterig en vlak. Jones probeert er maar het beste van te maken, en omdat hij zich in het gezelschap van Afro-Amerikanen bevindt, gooit hij er maar wat Ebonics doorheen.
Mr. Jones bereikt een hilarisch dieptepunt op de cover van Leadbelly's klassieker Black Betty. Jones zingt als een speelgoedrobot waarvan de batterijen op beginnen te raken. De luisteraar weet niet meer of hij moet lachen of huilen.
Mr. Jones is een volstrekt overbodig product van een wanhopige artiest, die niet meer weet waar hij mee bezig is. Deze man moet tegen zichzelf in bescherming genomen worden.

Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.

donderdag 29 augustus 2002

Southern African Wildlife College

Zuid-Afrika bezit een rijke natuur en het land is daar ook trots op. Maar de natuur wordt bedreigd door milieuvervuiling en de jacht. Om dat in te dammen zijn goed opgeleide natuurparkbeheerders nodig. In Zuid Afrika, tussen Hoedspruit en Klaserie en nabij het Kruger Nationaal Park, zetelt het Southern African Wildlife College, een instituut waar rangers worden bijgeschoold tot 'protected area managers'.

Verslaggever Peter Schong woont voor Planet Internet de VN top in Johannesburg bij. Natuurbeheer is een belangrijk thema. Het Wereld Natuur Fonds toont met het Southern African Wildlife College hoe Zuid-Afrika daaraan werkt.

Een betere plaats om als ranger de praktijk te leren lijkt er niet te zijn. Na bij Nelspruit de snelweg te hebben verlaten rijd je vervolgens ruim honderd kilometer door typisch Zuid-Afrikaanse plattelandsdorpen, waar de mensen in kleine betonnen huisjes wonen en kinderen en koeien over de weg lopen. Na Klaserie sla je opeens rechtsaf, en rijdt dan tien kilometer door een dor savannegebied. Tussen de poort en het Wildlife College wordt de bezoeker op een minisafari getrakteerd. Zebra's en impala's die rustig op de grindweg rondscharrelden, rennen verschrikt voor de auto uit. Uitstappen is streng verboden, het is goed mogelijk dat er in het gele gras een leeuw op de loer ligt.Het terrein van het Wildlife College is dan ook omheind met een elektrisch hek. Maar dat houdt niet alle gevaarlijke dieren buiten; slangen en schorpioenen komen nog door de mazen binnen. Egyptische cobra's, zwarte mamba's, rotspythons boomagama's en pofadders zijn al diverse keren op de campus aangetroffen. Het is dus uitkijken waar je loopt en je moet altijd je schoenen uitschudden voordat je ze aantrekt.

Behoud van natuurerfenis
In 1993 kwam de Southern African Nature Foundation (SANF) op het idee om een wildlife college te stichten, om Zuid-Afrikanen op te leiden om hun erfenis van de natuur te managen. Het Wereld Natuur Fonds schonk een deel van het Kempiana landgoed om het Wildlife College op te bouwen. De Duitse regering financierde de eerste fase van de bouw. Ook Nederland droeg zijn steentje bij. Het WNF staat het Wildlife College gedurende vijftien jaar financieel bij door de oprichting van het South Africa Conservation Education Trust. Maar op termijn moet de school zelf rond kunnen komen. In 1995 en 1996 werd de school gebouwd, en in 1997 gingen de eerste cursussen van start.

Het Wildlife College ziet scholing als sleutel tot de rehabilitatie en het behoud van de natuurgebieden. De leerlingen worden opgeleid tot 'protected area managers', die het natuurtoerisme in goede banen moeten leiden, en tegelijk natuurgebieden moeten beschermen. Behalve in de nodige kennis over de natuur, worden de studenten ook in managementtaken onderwezen, zoals bijvoorbeeld het beheer van financiën en personeelszaken.

Carrièrekansen voor rangers
De opleiding is bestemd voor bestaande rangers die al in dienst zijn van natuurbehoudorganisaties. De studenten komen behalve uit Zuid-Afrika, ook uit landen als Mozambique, Zambia en Namibië. Dit jaar volgen bijna vijftig studenten een opleiding. Het Wildlife College is bedoeld als aanvulling op de praktijkervaring die de rangers al hebben. Bovendien moet de opleiding hun carrièkansen vergroten. Veel rangers maken na het volgen van een cursus aan het Wildlife College promotie en stromen door naar leidinggevende functies.

Het Wildlife College biedt twee langere opleidingen, de certificate en de diploma course, die elk een jaar duren. De certificate course is vooral inleidend van aard, de diploma course is voor gevorderden en bevat ook een managementelement. De cursussen van het College zijn praktijkgericht, en zijn ontwikkeld in samenwerking met natuurbehoudgroepen, alsmede universiteiten. Momenteel wordt gewerkt aan in lijn krijgen van de opleidingen met de Zuid-Afrikaanse onderwijsstandaard. Het Wildlife College beschikt niet over een vaste lerarenstaf, maar werkt met deskundige gastsprekers uit de praktijk, die voor de diverse modules worden ingehuurd. Het College biedt behalve de eenjarige opleidingen ook korte, op maat gesneden cursussen.

Erop uit
Het is maandagmorgen en enkele studenten in de diplomaklas moeten presentaties geven over de milieuproblemen in hun land. Vervolgens worden de bedreigingen in een bredere context geplaatst. Het milieu in Afrika wordt namelijk niet alleen bedreigd door bijvoorbeeld de industrie, de oorzaken hebben een groter verband. Het hangt samen met sociale problemen als werkloosheid, armoede en zelfs ziekten als AIDS.

Verder leren de studenten hoe ze als ranger in een natuurpark het publiek attent kunnen maken op het belang van milieubescherming. De studenten moeten hun doelgroepen identificeren, en de boodschap daarop afstemmen. Zo leren de studenten bijvoorbeeld dat schoolkinderen die een natuurpark bezoeken, het beste iets leren door middel van een activiteit. Om een goed idee te krijgen van hoe natuurparken hun publiek informeren, zal de volgende dag een bezoek aan het nabij gelegen Kruger Nationaal Park gebracht worden.

De volgende morgen vroeg, om half 8, verlaat de bus met de diplomaklas de campus op weg naar het Krugerpark. Bij de poort stappen de studenten uit om rond te kijken naar de informering van het publiek. Zo bestuderen de studenten een toerbus met luidsprekers, een uithangbord met de diverse excursies, en beschrijvingen van de dieren in het park.

Het was eigenlijk een eenvoudige opdracht. De studenten maakten enkele notities en amper tien minuten later zitten ze weer in de bus om de rest van de dag op safari te gaan. De snikhete bus voert de studenten door het dorre savannegebied, vol adembenemende ontmoetingen met de dieren.

Twee olifanten lopen op de weg voor de langzaam naderende bus uit. Ze voelen zich opgejaagd en wijken af het veld naast de weg op. Daar zetten ze hun tocht voort, af en toe wat bladeren van de bomen trekkend met hun slurf. Elders loopt een kudde olifanten over een drooggevallen rivierbedding, op zoek naar water. In de verte is te zien hoe een kudde olifanten over een helling richting een rivier loopt. De bus snelt naar de plek op de weg waar de kudde naar verwachting zal oversteken. De dieren hadden de bus echter al opgemerkt en hebben hun route verlegd. Later op de dag steekt een hele kudde olifanten de weg over vlak achter de bus. Ze hebben een jonkie met een gebroken achterpoot bij zich. De moeder briest naar de bus om deze op afstand te houden.

De volgende dag vindt er een excursie plaats naar Blyde River Canyon, een schitterend natuurpark bestaande uit imposante, kleurrijke rotspartijen die een groot stuwmeer omringen. De ranger vertelt de studenten hoe hij zijn publiek informeert over het belang van natuurbehoud. Niet door middel van dia- en filmvoorstellingen en lezingen, maar met activiteiten als rafting en abseilen. Vandaag gaat de diplomaklas echter niet raften, hoewel dat wel tijdens een eerdere excursie is gedaan. Met een schitterend uitzicht op het vredige meer, dat echter wel wordt bevolkt door nijlpaarden en krokodillen, brainstormen de groepjes over hun ranglijst van doelgroepen. De lunch wordt genuttigd bij een paradijselijke waterval, waarna de studenten hun doelgroepgerichte presentaties oefenen voor een beoordeling door hun klasgenoten.

Het Southern African Wildlife College lijkt een droomopleiding, als je allemaal oogstrelende landschappen mag bezoeken. Maar het is ook hard werken. Voor de examens zijn geen herkansingen mogelijk, onvoldoendes moeten met andere onderdelen gecompenseerd worden. De studenten zijn dan ook uiterst gemotiveerd, daaraan kunnen hun zuipende en studiefinancieringverzwelgende Nederlandse collega's nog een voorbeeld nemen. Maar bovenal heeft de natuur deze goed opgeleide en breed onderlegde rangers hard nodig.


Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl

maandag 1 juli 2002

Meshell Ndegeocello is vrij als een vogel

De commerciële zon heeft nooit zo op Meshell Ndegeocello geschenen. Slechts de happy few konden het complexe en eigenzinnige werk van de bassiste en vocaliste waarderen. De artistieke en kritische zon bescheen haar echter wel fel. Ndegeocello bouwde een indrukwekkend sessie-CV op en door haar vroege experimenten met funk, jazz, soul en hiphop wordt ze gezien als een pionier van de Nu Soul en voorloper van artiesten als Erykah Badu en D’Angelo.

Ndegeocello (Swahili voor ‘vrij als een vogel’) ziet zichzelf echter niet als pionier. “We proberen allemaal te zijn als Curtis Mayfield, Chaka Khan of Roberta Flack. Er is niets nieuws onder de zon. Dat staat ook in de Bijbel”, zegt Ndegeocello bescheiden door de telefoon. Deze no-nonsense-houding klinkt ook door in Ndegeocello’s muziek. Ze laat zich door niemand iets wijsmaken, getuige haar scherpe observaties in haar teksten. Maar ook qua muzikale strategie volgt ze haar eigen weg.

Na eind jaren tachtig meegedraaid te hebben in de go-go scene van Washington D.C., waar Ndegeocello speelde met prominente bands als Little Bennie & The Masters en Rare Essence, tekende ze begin jaren negentig bij Madonna’s Maverick-label. Naar eigen zeggen vanwege de creatieve vrijheid die het label haar bood. In 1993 verscheen Ndegeocello’s debuutalbum Plantation Lullabies, een grensverleggende plaat waarin Ndegeocello funk, soul jazz en een dosis hiphop vermengde. Het album werd goed ontvangen en werd zelfs voor vier Grammy Awards genomineerd. Maar de verkoopcijfers waren matig, evenals die van de opvolgers Peace Beyond Passion (1996) en Bitter (1999).

Maar waar het grote publiek het liet afweten, kon Ndegeocello zich wel verheugen op lof van critici en collega-muzikanten. In 1995 werd ze met de Orville H. Gibson Guitar Award beloond als beste bassist, en verscheen ze als eerste vrouwelijke bassiste op de cover van het tijdschrift Bass Player. Daarnaast werd Ndegeocello een veelgevraagd sessiemuzikante, en speelde ze baspartijen in voor een indrukwekkende keur aan artiesten. Inmiddels mag ze Prince, Alanis Morissette, Mick Jagger, Madonna, de Black Rock Coalition en Lenny Kravitz op haar curriculum vitae vermelden.

Desondanks is Ndegeocello allerminst zelfvoldaan over haar prestaties, en voelt zich dan ook niet miskend. “Als ik naar erkenning zocht zou ik depressief worden. Ik wil genoeg krijgen om mijn muziek te kunnen blijven spelen. En of ik genoeg erkenning krijg is niet aan mij om te beoordelen. Zo narcistisch ben ik niet. Op sommige dagen denk ik: ‘moet ik ermee stoppen?’ Vandaag denk ik dat ik moet stoppen en een kunstopleiding gaan volgen. En sommige dagen voel ik me goed, en dan besef ik dat ik alles heb wat mijn hartje begeert, namelijk dat ik gewoon mijn muziek kan spelen.”

Haar sessiewerk ziet Ndegeocello vooral als leerzame ervaringen. “Het is alleen iets waarvan ik de rekeningen betaal”, grapt ze. “Nee, ik vind het heerlijk. Je kunt rondhangen met grote muzikanten, dat is een geschenk. En ik leer er veel van.”

Maar erkenning van het grote publiek is vooralsnog uitgebleven. Waarom dat is, ‘moet je maar aan de popcultuur vragen’. “Ik zie er niet uit als Janet Jackson, ik zing geen makkelijk in het gehoor liggende popliedjes.” Niet dat het Ndegeocello een worst zal wezen. “Het is jammer dat het publiek zo dom is. Toen ik opgroeide luisterde ik naar van alles; Miles Davis, Pat Metheny, Jaco Pastorius, Joni Mitchell. Tegenwoordig moet je onnozel en onwetend zijn en twee akkoorden spelen zodat iedereen kan begrijpen wat je doet. En dat ga ik gewoon niet doen.”

Ndegeocello vindt dat muziek de laatste decennia conservatiever is geworden. “Absoluut. Maar ik probeer de mensen uit te zoeken die nog steeds muziek willen horen.” In de jaren zeventig leek ook het publiek in zijn muzieksmaak stukken progressiever, gezien bijvoorbeeld het commerciële succes dat iemand als David Bowie met behoorlijk complexe en donkere muziek genoot. Maar Ndegeocello gelooft niet dat het publiek conservatiever is geworden. “Mensen als Dave Matthews en veel andere acts doen het heel goed, en er zijn nog veel mensen op de wereld die muziek willen horen.”

Ndegeocello maakt zich geen zorgen dat deze groep kleiner wordt. “Er is gewoon een groep die nog moet ontdekken dat er ook nog iets anders is”, zegt ze, verwijzend naar het MTV-publiek.

“De industrie market muziek voor een kleine demografische groep, alleen jonge mensen van 14 tot 21 jaar oud. Daarom luisteren veel mensen buiten die leeftijdsgroep naar oudere muziek. Maar als de platenmaatschappijen de mensen voor vol gaan aanzien en niet alleen voor tussen de 14 en 21, dan zou de wereld er anders uitzien. En de kunst lijdt eronder. Ik bedoel, die mensen die naar muziek luisteren zijn er wel, ze kijken alleen geen tv. Ik kijk geen tv. Ik lees, ik zoek andere dingen, ik ga op zoek naar mijn eigen informatie. Ik zoek naar denkende mensen, geen geprogrammeerde mensen.”

“Mensen maken tegenwoordig alleen nog maar platen om het geld. Noem bijvoorbeeld de laatste klassieke plaat die je hebt gehoord. Die je een jaar geleden hebt gekocht en waar je nog steeds naar luistert en die je altijd op kan zetten. Iets wat vorig jaar uitkwam en klassiek was? Luister naar wat je zegt, je luistert naar oudere muziek. Wat heb je nou recentelijk gekocht dat je echt aanspreekt? Dat anders is, niet klinkt als wat dan ook?”

Maar over naar Ndegeocello’s gloednieuwe album, Cookie: The Anthropological Mixtape, wederom een complex, gesofisticeerd hoogstandje waarin hiphop, go-go, funk, soul, spoken word, jazz en rock samen worden gesmolten. Maar in tegenstelling tot veel van haar crossover-collega’s, omzeilt Ndegeocello moeiteloos de valkuilen die het fuseren van genres met zich meebrengt. Nergens plakt ze gemakzuchtig clichés aan elkaar.

Cookie klinkt alsof Ndegeocello ‘There’s a Riot Goin’ On’ van Sly & The Family Stone door een tijdmachine heeft gehaald en een technologische behandeling heeft gegeven. De sound is geavanceerd, intricate en uiterst gelaagd. De muziek is tot in detail uitgewerkt. Zo zitten er minutieuze veranderingen in de ritmiek die pas bij een secure beluistering van de muzikale opbouw opvallen. Ondanks de complexiteit en rijkdom klinkt Cookie opmerkelijk rauw en ruimtelijk.

Cookie is een briljant album dat ontegenzeggelijk een van de beste van het jaar is. Ndegeocello komt dicht in de buurt van muzikale perfectie die sinds ‘Gaucho’ van Steely Dan zelden aan de dag is gelegd. Het risico van perfectie is dat de muziek glad, klinisch en dus gevoelloos wordt, maar evenals Walter Becker en Donald Fagen weet Ndegeocello zich hiervoor te behoeden. Dat bewijst de hand van een ware meesteres.

Wel vraagt de titel om nadere uitleg. “Het album zou eerst Cookie Goldberg heten. Het is net als dat nummer van Stevie Wonder, “He’s Misstra Know-It-All”. Dat gaat over een gozer die een sell-out is, hij doet alles voor geld. Cookie is daarvan de moderne versie. The Anthropological Mixtape gaat over antropologie en sociologie. Ik praat over dit tijdperk. Ik wilde dat het mixtape werd die de geest van onze tijd omschreef. En de mixtape slaat ook op hoe ik aan mijn muziek kwam toen ik jong was.”

En ook hier komt Ndegeocello’s skepsis over de popmuziek om de hoek kijken. “De radio draaide alleen de top 100. En er was altijd underground-muziek die je nog niet had gehoord, en wel superfunky was, maar niet op de radio gedraaid werd. En ik wilde ook zo’n plaat maken. Ik word weinig op de radio gedraaid, maar veel mensen verspreiden mijn muziek via mixtapes.”

Ndegeocello deinst er niet voor terug haar muziek te voorzien van scherpe politieke stellingnames. Zo levert ze op het openingsnummer van Cookie, “Dead Nigga Blvd.”, kritiek op haar zwarte medemens: “So tell me are you free?/ While we campaign for every Dead Nigga Blvd./ So young motherfuckers can drive down it in your fancy cars/ Free/ You try to hold on to some Africa of the past/ One must remember it’s other Africans that helped enslave your ass.” Ook krijgt de manier waarop zwarten worden afgeschilderd in hiphop-videoclips ervan langs: “You sell your soul like you sell a piece of ass/ Slave to the dead white leaders on paper and welfare cases/ Rapists and hoes/ All reinforced your tv show/ Exotic and beautiful videos.” Ndegeocello ziet muziek dan ook als een medium. “Kijk naar Bob Dylan, Richie Havens, Jimi Hendrix, Stevie Wonder, Bob Marley. En ik wil praten over de geest van mijn tijd. Waar ik doorheen ga.”

En daar komt meteen ook Ndegeocello’s frustratie over de muziekindustrie om de hoek kijken. “Het is voor mij moeilijk om te slagen in een business waarin je moet zingen over een bepaald iets, er op een bepaalde manier moet uitzien, om in de doelgroep te passen. Mijn plaat plaatst vraagtekens bij al deze generalisaties, want het zijn tenslotte maar generalisaties. Toen ik Bitter maakte, moest ik van een blanke horen dat ik geen zwarte muziek maakte. En ik heb dan zoiets van: ik luister naar allerlei soorten muziek, jazz, punk, van alles. Het is triest dat omdat ik zwart ben, ik ook maar één soort muziek mag maken.”

Niettemin heeft Cookie een funkier, meer op hiphop georienteerd geluid dan zijn voorganger. “Ik heb Cookie zeker funkier gemaakt, want ik had zoiets van: OK, ik kan een funkplaat maken en nog steeds hetzelfde zeggen, het blijft nog steeds interssant. Ik hou van funk, maar ik wilde iets maken dat anders was, funky maar anders.”

Het mag inmiddels duidelijk zijn dat Ndegeocello leeft voor (haar muziek). Met groot enthousiasme vertelt ze over haar idolen, muzikanten als Miles Davis (“ik wil mijn ‘Big Fun’ maken”) en Prince (“hij is de killin’est gitarist, fuck Eric Clapton”). “Dat kun je nog steeds opzetten en een ervaring hebben. Zo probeer ik het te maken, dat je iets nieuws hoort. Dat qua structuur anders is. Daarom probeer ik een publiek te vinden waarvoor ik kan spelen. Al speel ik voor maar 500 mensen, als ik mijn muziek maar kan spelen. Als ik een miljoen platen verkocht zou ik doodgaan. Ik wil niet als Britney Spears zijn.”

Het is deze houding ten opzichte van haar vak en kunst die Ndegeocello niet vastketent aan enige verplichting. Ze hoeft zich door niemand te laten vertellen hoe haar muziek moet klinken, waar haar teksten over moeten gaan, of hoe ze eruit moet zien. Ndegeocello doet haar naam eer aan: ze is vrij als een vogel.

Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.