zaterdag 15 oktober 2005

Public Enemy: Too Black, Too Strong

Public Enemy is de grootste hiphopgroep aller tijden. It Takes a Nation of Millions to Hold Us Back is de beste hiphopplaat aller tijden. Zelfs een van de meesterwerken van de popmuziek. Vijftien jaar na hun piek is PE nog niet van de troon gestoten.
En dat voor een formatie die bijna van de rest van de wereld was onthouden. In eerste instantie was Public Enemy geen ‘band’ en had de groep niet de ambitie om überhaupt een plaat te maken. Ook politiek stond nauwelijks op de agenda.
De geschiedenis van Public Enemy begint aan de Adelphi universiteit in Long Island, waar Carlton Ridenhour, beter bekend als Chuck D, begin jaren tachtig voor grafisch ontwerper studeert. Chuck en Hank Boxley, beter bekend als Hank Shocklee, presenteren een toonaangevend hiphopprogramma op het collegeradiostation WBAU en als het collectief Spectrum City organiseren ze lokale feesten. WBAU wordt de thuisbasis voor het toekomstige Public Enemy. Eric ‘Vietnam’ Sadler is een lokale muzikant waarmee Chuck en Shocklee promo’s voor hun programma maken. Keith Shocklee, Hanks broer, voegt zich eveneens bij het gezelschap. Schoolgenoot en klassiek pianist William Drayton (hij beheerst zelfs 17 instrumenten), toen nog MC DJ Flavor en tegenwoordig beter bekend als Flavor Flav, hing geregeld rond in de studio. In het lokale feestcircuit wordt contact gelegd met de DJ Norman Rogers alias DJ Mellow D en beter bekend als Terminator X. De beveiliging van de feesten die Chuck en Shocklee organiseren komt in handen van Richard Griffin en zijn organisatie de Unity Force, later omgedoopt in The Security of the First World (S1W).
Public Enemy No. 1
Eind 1984 knutselt Chuck D de track Public Enemy No.1 in elkaar aan de hand van een sample van Blow Your Head van Fred Wesley and the J.B.’s en rapt eroverheen met zijn kenmerkende krachtige stem. Chuck draait Public Enemy No. 1 regelmatig in zijn radioprogramma en de rauwe, dreigende track wordt opgemerkt door Rick Rubin, een van de oprichters van Def Jam Recordings, het label dat dankzij Run-DMC en L.L. Cool J was uitgegroeid tot het mekka van de hiphop. Rubin is direct onder de indruk van Chuck D en wil hem een platencontract aanbieden. Chuck D is midden twintig en vindt zichzelf echter te oud om een plaat te maken omdat de meeste rappers bijna tien jaar jonger zijn. Bovendien ambieerde hij een carrière in radio of de journalistiek. Rubin blijft echter een half jaar lang dagelijks bellen en uiteindelijk gaat Chuck overstag. Het is echter niet alleen Chuck D die uiteindelijk een contract tekende bij Def Jam. Hij komt met heel leger naar het label; samen met Hank en Keith Shocklee, Eric ‘Vietnam’ Sadler (nu de Bomb Squad), WBAU-baas Bill Stephney, Flavor Flav, Terminator X, Professor Griff en de S1W’s gaat Chuck met Rubin in zee. De naam is Public Enemy en dat is meteen de eerste statement van de groep: zwarten zijn staatsvijanden.
Yo! Bum Rush the Show
In maart 1987 komt het debuutalbum Yo! Bum Rush the Show uit. Het geluid van hiphop is de laatste jaren ingrijpend veranderd. De funky disco sound en zorgeloze raps van de old skool hebben plaatsgemaakt voor de harde, uitgeklede beats van L.L. Cool J en de met loeiende rockgitaren gelardeerde tracks van Run-DMC. Boogie Down Productions en Schoolly D rappen over het gewelddadige straatleven en Eric B & Rakim vernieuwen het hiphopgeluid met James Brown-samples en complexe rijmschema’s.
Niettemin is het publiek totaal niet voorbereid op Public Enemy. DJ’s draaien de instrumentale versies van de nummers, omdat ze Chuck D geen goede rapper vinden.
De verkoopcijfers vallen tegen. Op Rebel Without a Pause refereert Chuck D aan de koele ontvangst van de groep: “They praised the music - this time they play the lyrics/Some say no to the album, the show” en “Radio - suckers never play me/On the mix they just OK me”.
Midden jaren tachtig overspoelt crack de zwarte getto’s van Amerika. Gecombineerd met het voor de minima desastreuze beleid van de conservatieve president Ronald Reagan, is de zwarte gemeenschap uit het lood geslagen en heeft volgens Chuck D nieuwe leiders nodig. Chuck D is in 1960 geboren in een intellectueel nest en groeide op in de tijd van de zwarte emancipatiestrijd. Het stoort Chuck dat jonge zwarten in de jaren tachtig niet meer weten wie Malcolm X en Martin Luther King waren. Als muziekliefhebber was Chuck D bovendien opgegroeid met Marvin Gaye, Curtis Mayfield en James Brown, die hun muziek gebruikten als politieke spreekbuis. Al deze factoren inspireren Chuck D tot de missie van Public Enemy.
It Takes a Nation of Millions to Hold Us Back
Is Public Enemy in 1987 nog een vreemde eend in de bijt, het jaar erop verhangt de groep de bordjes voorgoed met It Takes a Nation of Millions to Hold Us Back. Geïnspireerd op het politieke engagement en de sonische innovatie van Marvin Gaye’s klassieker What’s Going On, combineert Public Enemy controversiële politieke teksten en een uniek, krachtig geluid en complexe productie tot een meesterwerk en een instant classic. It Takes a Nation… slaat in als een bom tot ver buiten de hiphopscene. Tot dan werd hiphop afgedaan als een ‘fad’ en zelfs muzikale degeneratie. Public Enemy rekent met die opvatting af en bewijst dat hiphop wel degelijk muzikaal uitdagend en inhoudelijk intelligent kan zijn. Met name in de rock valt PE in goede aarde. De invloed van Public Enemy, en met name de stem van Chuck D, is terug te horen in vele bands. Madonna samplet PE en Duran Duran covert 911 is a Joke.
It Takes a Nation... verandert ook de hiphop ingrijpend. Het tempo van de beats gaat omhoog, het noisy-geluid wordt op grote schaal overgenomen en hiphop wordt politieker. Groepen als Boogie Down Productions (geleid door KRS-One), X-Clan Poor Righteous Teachers en de Jungle Brothers gebruiken hun muziek als pamflet voor een nieuw zwart bewustzijn en afrocentrisme. Chuck D en KRS-One geven lezingen op universiteiten. 1988 Is ook het jaar dat gangsta rap wordt geboren; op Straight Outta Compton verhaalt N.W.A. zonder een blad voor de mond te nemen over het criminele en gewelddadige leven in de getto’s van Los Angeles. In tegenstelling tot generaties zwarte entertainers weigeren rappers te grijnzen om de gunst van het blanke publiek te krijgen. Ze zijn geen Oom Tom meer en pikken het niet langer gekoeioneerd te worden en noemen zichzelf Public Enemy en Niggaz With Attitude en schreeuwen: “Fuck Tha Police!” De slavernij is definitief afschaft en zwarte emancipatie komt voortaan met een 9mm.
Blank Amerika, in het neoconservatieve tijdperk van de presidenten Reagan en Bush, schrikt zich een hoedje. Hier is een zwarte groep gekleed in legeruniformen en met subversieve ideeën en die het radicale – en in hun ogen antiblanke en antisemitische – gedachtegoed van de zwarte islamitische leider Louis Farrakhan uitdragen. Chuck D verklaart dat hiphop ‘de zwarte CNN’ is, omdat de muziek de spreekbuis is van de monddode, in de steek gelaten zwarte jeugd in de getto’s, terwijl de reguliere – blanke – media dat verzuimen. Tegelijk hekelt Chuck D zwarte radiostations omdat ze in zijn ogen te laf zijn om hiphop te draaien. Chuck D gooit verder olie op het vuur door tegen blanke heilige huisjes te schoppen: “Elvis was a hero to most/But he never meant shit to me you see/Straight up racist that sucker was simple and plain/Mother fuck him and John Wayne”, rapt hij op de single Fight The Power van de soundtrack van Spike Lee’s racismedrama Do The Right Thing (1989). De rapper verwijt blanken de zwarte cultuur te stelen, te verwateren en vervolgens te presenteren als een blanke uitvinding. That spells trouble...
De problemen blijven inderdaad niet uit. Het door Chuck D zelf ontworpen Public Enemy-logo wordt akelig realistisch als de groep doodsbedreigingen krijgt. De media, politiek en veiligheidsdiensten volgen met argusogen Public Enemy. De teksten en uitlatingen van de groep worden geanalyseerd en bekritiseerd. In 1990 stuurt de FBI een rapport naar het Amerikaanse Congres getiteld “Rap Music and its Effects on National Security”, waarin Public Enemy wordt genoemd.
Professor Griff
De standpunten die Public Enemy verkondigt kunnen niet altijd door de beugel. Vooral Professor Griff trekt regelmatig fel van leer tegen homo’s en joden. Het gaat uiteindelijk mis als Griff in 1989 in een interview met de conservatieve krant de Washington Times zegt dat ‘joden verantwoordelijk zijn voor het leeuwendeel van het kwaad in de wereld’. De pleuris breekt uit en Chuck D is gedwongen Griff uit de groep te zetten, ook al meent hij dat de krant Griffs citaat uit zijn verband heeft getrokken. Griff stapt over naar het label van Luke Skyywalker (2 Live Crew), maar zijn solowerk is weinig memorabel.
Door alle heisa loopt Public Enemy’s derde album Fear of a Black Planet vertraging op. In maart 1990 komt het album dan eindelijk uit. Op Welcome to the Terrordome en Anti-Nigger Machine behandelt Chuck D de recente perikelen: “Crucifixion ain't no fiction/So called chosen frozen/Apology made to who ever pleases/Still they got me like Jesus” en “Once they never gave a fuck about what I said/Now they listen and they want my head”.
Fear… bevat ook een cameo van rapper Ice Cube, die uit N.W.A. was gestapt en zijn solodebuut AmeriKKKa’s Most Wanted door de Bomb Squad liet produceren. Op zijn album maken ook Chuck D en Flavor Flav hun opwachting.
Waar Public Enemy door de media van antiblank racisme wordt beticht, zet de groep op haar volgende album, Apocalypse 91... The Enemy Strikes Black, een opvallende stap: ze coveren zichzelf met de blanke rockband Anthrax op Bring the Noise. Het is duidelijk een poging hun blanke publiek te consolideren. Het album, het eerste zonder de Bomb Squad, verschijnt in het najaar van 1991 en wordt goed ontvangen. Terminator X brengt in het voorjaar van 1991 zijn eerste, overigens sterke soloalbum uit: Terminator X in the Valley of the Jeep Beets. Ook lanceert Public Enemy een nieuwe telg: Sista Souljah moet de zwarte vrouw aanspreken.
Dal
De groep is op zijn hoogtepunt en na pieken komen dalen. Greatest Misses, een compilatie van zes remixen, zes nieuwe track en een live-opname, wordt slecht ontvangen. Binnen de groep zijn er problemen ontstaan. Flavor Flav kampt met een cocaïneverslaving en brengt korte tijd in de cel door wegens mishandeling van zijn vriendin.
Het grootste probleem van Public Enemy is echter dat de tijden ingrijpend zijn veranderd. Het politieke tijdperk in hiphop is voorbij. De gangsta rap van de Amerikaanse westkust domineert de hitlijsten. In New York gaat hiphop terug naar zijn roots en richt zich op techniek en esthetiek. Opeens is Public Enemy passé. In de jaren negentig levert de groep een reeks albums af die op momenten na het oude niveau niet halen. Chuck D maakt een matig soloalbum en publiceert zijn boek Fight the Power, waarin hij schrijft over Public Enemy, evenals de zwarte emancipatiestrijd.
In de jaren negentig ontwikkelt Chuck D ook grote belangstelling voor het internet. Hij werpt zich op als voorvechter van het gratis downloaden van muziek. Dat leidt tot een scheiding met Def Jam, die niets voelt voor Chucks plannen om het nieuwe album van Public Enemy op internet aan te bieden.
Tegenwoordig is Public Enemy meer een los project dan een band. De leden ontplooien uiteenlopende activiteiten. Chuck D is presentator van het politieke praatprogramma On The Real op Air America Radio en columnist voor diverse media. Ook geeft hij nog altijd lezingen op universiteiten. Professor Griff bracht in 2001 zijn vijfde soloplaat uit en leidt de metalrapband 7th Octave. Flavor Flav heeft een reality-programma op VH1 met actrice Brigitte Nielsen en Terminator X heeft een struisvogelfokkerij in North Carolina. Voor begin 2006 staat een nieuw album gepland: Rebirth of a Nation, op het Guerrilla Funk-label van de gelijkgestemde rapper Paris.
Een comeback van Public Enemy zit er waarschijnlijk niet in. Mainstream hiphop is vandaag de dag gepreoccupeerd met seks en ‘bling’ en de invloed van de groep (en zielsverwanten) is nog maar marginaal. Er is echter nog steeds geen rapper of groep opgestaan die Public Enemy naar de kroon steekt met dezelfde briljante combinatie van muzikale en inhoudelijke visie, intellectualiteit en conceptualisatie, en daarmee tot ver buiten de hiphop hoog in aanzien staat. Vijftien jaar na hun piek is Public Enemy nog steeds de grootste hiphopgroep aller tijden.

Selectieve discografie

Yo! Bum Rush The Show (Def Jam 1987)
Public Enemy’s debuut is nog steeds een onderschat album. Het wordt beschouwd als een demo, waarschijnlijk omdat Public Enemy nog niet politiek is maar een soort hardcore b-boy lifestyle etaleert. Het is frappant om Chuck D te horen rappen over zijn auto: “Cruising down the boulevard/I’m treated like some super star.” Het is vooral de presentatie van PE die politiek lijkt. Op de hoes oogt de groep als een militie die zich onder het licht van een peertje voorbereidt op een coup. Het album klinkt even woedend als de felle politiek geëngageerde muziek waarmee PE een jaar later beroemd en berucht mee zou worden. Yo! Bum Rush the Show heeft de tand des tijds uitstekend doorstaan en kan zich anno 2005 nog meten met de avant-gardistische hiphop uit de Def Jux-stal. De productie, bestaande uit uitgeklede, ijskoude mokerbeats en de industrial, found sound-samples, klinkt nog steeds vernieuwend.
It Takes a Nation of Millions to Hold Us Back (Def Jam 1988)
Op It Takes a Nation… heeft Public Enemy in feite zijn identiteit gevonden. Het geluid van de Bomb Squad was uitgekristalliseerd tot een ware Apocalyps, een nagenoeg oneindig gelaagde georganiseerde chaos van samples en noise. Het album heeft de energie van een turbine, de woede van een punkband uit Oost-Berlijn, de stroomlijning en trefzekerheid van een kogel uit een Tsjechisch sportgeweer en de romantiek van een Noord-Koreaanse militaire parade. It Takes a Nation… dendert uit de speakers als de atoombom op Hiroshima. Het is verbluffend hoe de Bomb Squad organische samples van James Brown en Kool and the Gang weet om te vormen tot een soort sirenes. De scratches van Terminator X – zogeheten transformer-scratches, waarbij het geluid wordt onderbroken wat een vervormend effect geeft – waren indertijd revolutionair. Chuck D neemt een breed scala aan onderwerpen op zijn vork, van racistisch gemotiveerde rechtszaken tegen rappers vanwege het samplen (Caught, Can We Get A Witness?), dienstweigering omdat Amerika zwarten in de steek laat maar wel gebruikt voor het leger (Black Steel in the Hour of Chaos) en hersenloze televisie (She Watch Channel Zero?!). De grootste prestatie van It Takes a Nation... is misschien wel dat het album niet bezwijkt onder zijn eigen gewicht. De factor Flavor Flav is een meesterzet in het Public Enemy-schaakspel; hij is de ‘comic relief’ die het verteerbaar maakt zonder dat het geheel aan kracht inboet. It Takes a Nation is één van de beste en belangrijkste platen van hiphop en popmuziek in het algemeen.
Fear of a Black Planet (Def Jam 1990)
It Takes a Nation… wordt algemeen beschouwd als Public Enemy’s beste album, maar misschien is Fear of a Black Planet dat juist. Op alle fronten demonstreert de groep gegroeid te zijn. Flavor Flav blijkt meer te zijn dan alleen een clown en op 911 is a Joke opent hij de aanval op de hulpdiensten die in de getto’s steevast te laat komen. Vergezeld door Ice Cube en Big Daddy Kane richt Chuck D zijn pijlen op Hollywood, die zwarten voorstelt als dommeriken die altijd de klappen opvangen en nooit als advocaten (Burn Hollywood Burn). Ook bekritiseert hij zwarten die uit financieel en sociaal gewin trouwen met blanken (Pollywanacraka). PE begeeft zich op glad ijs door in het dubieuze Meet the G that Killed Me openlijk blijk te geven van homofobie. Chuck D stelt homo’s op één lijn met drugsverslaafden en verwijt hen verantwoordelijk te zijn voor de verspreiding van AIDS. De stijl van de Bomb Squad is op Fear... verder uitgekristalliseerd. De producties zijn nog even complex, maar het geluid is organischer, funkier, ruimtelijker en gevarieerder. Zo is Welcome to the Terrordome snoeihard en compromisloos, terwijl Pollywanacraka een rustige track is waarop Chuck D bijna onherkenbaar ontspannen rapt. Het heeft album een uitgekiende sequens die de luisteraar al bij de eerste gitaarsample in het album zuigt en meeneemt op een reis door Public Enemy’s gedachtewereld en tot de laatste woorden (het open einde “the future of Public Enemy got a...”) aan de speaker gekluisterd houdt. Van alle Public Enemy albums heeft Fear... de tand des tijds het beste doorstaan en het album is na vijftien jaar nog geen spatje gedateerd. Onlangs werd het album opgenomen in de Library of Congress.
Apocalypse 91… The Enemy Strikes Black (Def Jam 1991)
Het laatste klassieke en memorabele album van Public Enemy is al een kleine stap terug. De Bomb Squad is gereduceerd tot executive producer en de productie is in handen van hun protégés de Imperial Grand Ministers of Funk. De productie is dan ook lang niet zo ingenieus meer en klinkt meer als een imitatie van de Bomb Squad-formule. Niettemin bevat Apocalypse 91 meer dan genoeg meesterlijke tracks. De single Shut ‘Em Down is ijzersterk, en By The Time I Get to Arizona is een van de hoogtepunten uit Public Enemy’s oeuvre. Inhoudelijk is Chuck D nog even scherp. Op Arizona... hekelt hij de zuidelijke staat vanwege zijn weigering Martin Luther King Day in te voeren als feestdag en 1 Millions Bottlebags, een aanval op de drankindustrie. De remake van Bring the Noise met Anthrax is tamelijk overbodig. Al met al is Apocalypse een prima album, maar onevenwichtig en een eerste signaal dat Public Enemy over zijn hoogtepunt heen is.
It Takes a Nation – The First London Invasion Tour 1987
Oudere Nederlandse hiphopfans zullen het zich nog goed herinneren; in het najaar van 1987 reisde de Def Jam Tour door Europa en deed ook de Jaap Edenhal in Amsterdam aan. De tournee bood de top van de hiphop: Run-DMC, Beastie Boys, L.L. Cool J, Eric B & Rakim en natuurlijk Public Enemy. Het VPRO-programma Firma Onrust maakte opnames, maar die liggen ergens in het omroeparchief. Gelukkig is het legendarische concert dat PE destijds in Londen gaf nu op dvd verkrijgbaar. Fragmenten van het optreden zijn al bekend van It Takes a Nation of Millions to Hold Us Back. De beeldkwaliteit laat te wensen over, maar het stoort niet. Het concert is een brok energie. De show wordt afgewisseld met interviewfragmenten en unieke beelden achter de schermen. Dat levert hilarische momenten op, zoals Flavor Flavs ontmoeting met een oude Britse dame, Flavor Flav die jus d’orange over Chuck D morst en Flavor Flav die kibbelt met Terminator X. Verder bevat de dvd interessant audiocommentaar van Chuck D die anekdotes over de toer vertelt, zoals over de grenscontrole in Oost-Duitsland toen Public Enemy in Berlijn ging optreden. Want vergis je niet; toen stond de Berlijnse muur er nog, waren Reagan en Thatcher aan de macht, en zat Nelson Mandela in de gevangenis.

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

dinsdag 4 oktober 2005

Iran wil werelddominantie

Maandenlang ruziën de Europese Unie en de Verenigde Staten met Iran over het atoomprogramma van dat land. De kwestie gaat echter veel verder dan kernenergie en -wapens. Iran wil niets minder dan dominantie over de regio en de wereld.

Iran als kernmacht is de nachtmerrie van het Westen.
Het moslimfundamentalistische land is al ruim een kwart eeuw de aartsvijand van de Verenigde Staten, en werd door president Bush gerekend tot de ‘as van het kwaad’. De vrees is dat in het zwartste doemscenario, Iran met een kernbom de wereld kan gijzelen, of dat de atoomtechnologie in handen komt van terroristen.

Geheimzinnig
Iran probeert de internationale gemeenschap gerust te stellen door te zeggen dat het atoomprogramma voor uitsluitend vreedzame doeleinden bestemd is, namelijk de opwekking van energie. Echter, voor een land met een zuiver geweten is Iran erg terughoudend wat betreft transparantie van zijn nucleaire activiteiten. De samenwerking met het Internationale Atoomenergieagentschap (IAEA) is schoorvoetend en wisselvallig; inspecteurs mochten reactors bezoeken, maar delen van de administratie waren ‘zoek’. Sommige documenten mochten wel door de inspecteurs wel ingezien maar niet meegenomen worden. Uit de informatie die Iran wel vrijgaf, bleek hoeveel het land had achtergehouden.

Geen hard bewijs
Maar hard bewijs dat Iran inderdaad aan kernwapens werkt, is er niet. Amerikaanse regeringsexperts moesten in augustus toegeven dat de uraniumsporen die twee jaar geleden in een Iraanse reactor gevonden werden, afkomstig waren van besmette Pakistaanse apparatuur en geen bewijs waren voor een clandestien kernwapenprogramma.
De kwestie is echter veel groter dan kernwapens. Irans overkoepelende ambitie is om de regio te domineren en te vormen naar zijn eigen inzicht. Dat streven botst direct met de VS, die ook het Midden-Oosten willen hervormen naar hun eigen smaak.

Meerdere supermachten
Iran schuift zijn aspiraties niet onder stoelen of banken. Generaal Yahya Safavi, opperbevelhebber van de Revolutionaire Garde, verklaarde deze zomer in een toespraak voor hoge marineofficieren dat de missie van Teheran was om ‘een multipolaire wereld’ te scheppen waarin ‘Iran een leidende rol speelt’. Met andere woorden: als het aan Iran ligt zijn de VS niet langer de enige wereldmacht.

President Mahmoud Ahmadinejad deed daar een schepje bovenop. Het ultieme doel van het buitenlandbeleid van Iran is niets minder dan ‘een regering voor de hele wereld’ onder leiding van de Mahdi, het sjiitische equivalent van de christelijke Messias. De Mahdi verschijnt aan het einde der tijden en zal dan de ongelovigen vernietigen en een islamitisch rijk stichten waar moslims in vrede kunnen leven. Ahmadinejads doctrine komt neer op de export van een radicale islam. De VS vertonen hun laatste stuiptrekkingen, ze zijn een ‘ofuli’, de macht van de zonsondergang, terwijl Iran de ‘toluee’, de zonsopgang van de islamitische republiek, vormt. Overheersing van het Midden-Oosten is in de ogen van Ahmadinejad het ‘onbetwistbare recht van de Iraanse natie’.

Opgezwollen retoriek lijkt het, maar het is Ahmadinejad bittere ernst. En de tekenen zijn gunstig voor Iran. Van oudsher speelt Iran een leidende rol in de geschiedenis van de islam. Iran is één van slechts twee moslimlanden die nooit door Westerse mogendheden gekoloniseerd zijn (de andere is Turkije, maar dat land trekt in de ogen van de moslimwereld te veel naar het Westen toe). Het land heeft een centrale ligging in de ‘islamitische boog’ die zich van de Atlantische Oceaan tot de Grote Oceaan uitstrekt. Iran beschikt over veel olie die snel in waarde stijgt.

Groeiende invloed
Ironisch genoeg profiteert Iran van de door de VS geïnitieerde ‘war on terror’. In twee buurlanden zijn voor Iran vijandige regimes verwijderd; Saddam Hussein in Irak en de Taliban in Afghanistan. Iran speelt handig in op de ontstane machtsvacua. De invloed van Iran in Irak, waar tweederde van de bevolking ook sjiitisch is, is aanzienlijk. In het zuiden van Irak zitten sjiitische bondgenoten van Iran in stadsbesturen en veiligheidsdiensten. Het stikt er bovendien van door Iran getrainde en gefinancierde milities. Ook in het soennitische centrale deel van Irak en het Koerdische noorden laat Iran zich gelden, zij het minder opvallend. Na de terugtrekking van Syrië uit Libanon afgelopen voorjaar, is Iran de grootste buitenlandse invloed geworden in de vorm van Hezbollah.

Amerika kan niets doen
Voor de VS lijkt Iran niet bang te zijn. Tijdens de islamitische revolutie van 1979 sprak Ayatollah Khomeini al de beruchte woorden: “Amerika kan niets doen!” En het was waar. In november 1979 gijzelden studenten medewerkers van de Amerikaanse ambassade in Teheran en hielden hen bijna anderhalf jaar vast. De VS stonden machteloos. De boodschap van Iran was duidelijk.

Welvaart
Economische sancties knepen Iran af, maar tegenwoordig vaart het land wel door olieopbrengsten, die goed zijn voor 200 miljoen dollar per dag. Iran heeft nu een begrotingsoverschot van 25 miljard dollar. Hoe meer internationale onrust over het Iraanse atoomprogramma en een eventuele aanval, hoe groter de zorg over de wereldwijde olievoorziening, hoe hoger de olieprijs en de inkomsten van Iran. Door deze rijkdom kan Iran het zich veroorloven om zijn middelvinger op te steken naar Amerika en Europa.
Wel vreest Iran voor zijn nationale veiligheid als er een regionale wapenwedloop ontstaat. Turkije en Saudi-Arabië hebben te kennen gegeven ook het bezit van kernwapens na te streven als Iran een atoombom heeft. Die oorlogsdreiging heeft economische onzekerheid tot gevolg, waardoor miljarden dollars naar het buitenland wegvloeien.

Iran is onstuitbaar. Stopzetting van het atoomprogramma zal Iran er niet van weerhouden zijn invloed in de gedestabiliseerde regio verder uit te breiden. De IAEA kan de kwestie doorverwijzen naar de VN-Veiligheidsraad, maar Iran heeft al sancties doorstaan en die maken geen indruk meer. Bovendien heeft Iran met zijn oliebronnen een sterke troef in handen. President Ahmadinejad dreigde zaterdag nog met het dichtdraaien van de oliekraan. Voor een Amerikaanse aanval hoeft Iran niet te vrezen, de VS hebben hun handen al vol aan buurland Irak. De vrees is dat Iran met een kernbom de wereld kan gijzelen, maar in feite doet het land dat nu al.

Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.

zaterdag 24 september 2005

Vroeger, toen hip-hop nog leuk was

Nu zelfs je oma het modewoord urban in de mond neemt, kan het geen kwaad om eens terug te blikken naar de begindagen van hip-hop, toen het nog een straatcultuur was en MTV nog niet eens bestond.

12 November 1974 noemt Afrika Bambaataa als de officiële geboortedatum van hip-hop. Waar hij deze accuratesse op baseert is onduidelijk, maar het is wel in deze tijd dat DJ Kool Herc met zijn mobiele soundsystem spontane feesten hield in de parken in de New Yorkse achterbuurt South Bronx en hip-hop uitvond.

“Hip-hop was set out in the dark, they used to do it out in the park”, rapte MC Shan in The Bridge, een ode aan de subcultuur in 1987. Voor het gemak deed Shan aan geschiedvervalsing en gaf hij zijn wijk Queensbridge in de borough Queens de credit van het uitvinden van hip-hop. Het kwam hem op een fikse uitbrander van Bronxite KRS-One te staan (de legendarische beef tussen KRS’ Boogie Down Productions en Shans Juice Crew). In zijn antwoord South Bronx (1987) gaf KRS verder inzicht in hoe die eerste feesten zich voltrokken: “Power from the street light made the place dark.”

Het was in deze periode dat Jamel Shabazz door New York pendelde met zijn Canon AE-1 camera en de opkomende straatcultuur vereeuwigde. Deze zomer verscheen zijn tweede boek A Time Before Crack, waarin tientallen van zijn foto’s, gemaakt tussen 1975 en 1984, verzameld werden. We zien tieners gekleed in old skool Adidas-trainingspakken, Lee-spijkerbroeken, leren jassen met bontkraag, met aan hun voeten Puma-gympen met dikke, gekleurde veters en op hun hoofd een Kangol-zonnehoed. Ze kijken in de camera van achter hun gigantische Cazal-brillen en poseren met hun ghettoblasters. Veel bravoure, maar geen ‘thugs’.

Iets uit niets
Shabazz is niet de enige fotograaf die de jonge jaren van hip-hop vastlegde op de gevoelige plaat. Vorig jaar verscheen Hip-Hop Files - Photographs 1979-1984 van Martha Cooper. In 1985 verwierf Cooper al in beperkte kring, maar wel wereldwijd, faam met haar boek Subway Art en de documentaire Style Wars. Beide werken gelden als ijkpunten. Hier is het allemaal begonnen. De kanslozen uit de ‘Boogie Down Bronx’ creëren met niets, vanuit het niets, iets. Graffiti is slechts één van de creatieve uitingen die vrijkomen uit de armoede. Samen met breakdance, DJ-ing, en het rappen vormt graffiti uiteindelijk de basis voor een vorm van zelfexpressie die niets kost, uit alle hoeken en gaten inspiratie put en dit herschikt en omvormt tot een nieuw geheel: hip-hop.

Crack
Shabazz en Cooper tonen hip-hop in zijn jeugd, nog vol onschuld. Die onschuld is tevens de scherpe afbakening van A Time Before Crack. In 1985 overspoelde crack de zwarte getto’s van Amerika. De goedkope, synthetische cocaïne trof de toch al arme en schier leefbare binnensteden ‘harder dan een vuistslag van Mike Tyson’, schrijft kunstenaar/schrijver/fotograaf James “Koe” Rodriguez in het slotwoord van A Time Before Crack. De onbedorven kinderen op Shabazz’ foto’s transformeerden in meedogenloze criminelen en graatmagere, tandenloze straathoertjes die bevielen van verslaafde baby’s die ze vervolgens verkochten voor een nieuwe fix. Bijna van de ene op andere dag waren de tijden voorgoed veranderd. Jonge zwarten spraken elkaar niet meer aan met ‘brother’ maar met ‘nigga’. Hele wijken veranderden in platgebrande oorlogsgebieden, compleet met het geweld dat normaal is in de Gazastrook maar ongehoord voor het machtigste land ter wereld dat mensen op de maan zet. De verwoesting documenteerde Shabazz in zijn debuut Back in the Days (2001).

Gangsta rap
Niet toevallig verandert midden jaren tachtig ook het geluid van hip-hop. De zorgeloze discosound van de Sugarhill Gang moest plaatsmaken voor de snoeiharde mokerbeats van L.L. Cool J en de loeiende gitaarriffs van Run-DMC. Niet langer rapten de MC’s over hun unieke talent om elk feest te laten slagen. In de South Bronx rapte de toen nog dakloze KRS-One over crack en drugsdealers, vanuit Philadelphia verhaalde Schoolly D over zijn bende de Park Side Killers en cocaïne en in Los Angeles vertelde Ice-T over bendeoorlogen tussen de Bloods en Crips. Gangsta rap was geboren.

Liefdevol en rauw
A Time Before Crack en Hip Hop Files zijn terugblikken op een tijdsperiode die bepalend was voor de cultuur, maar kan net zo goed worden gezien als een steunbetuiging aan alle kansarme citykids waar ook ter wereld. Ook zonder Hummer en je bek vol bling bling kun je plezier maken en respect afdwingen: voor een ‘turtle’ heb je aan een kartonnen doos voldoende en een mooie piece maak je met ‘geleende’ spuitbussen. De foto’s van Shabazz en Cooper zijn liefdevol en rauw tegelijk. Liefdevol omdat het de jeugd laat zien zoals ze is. Puur en zonder bijbedoeling. Rauw omdat het straatjeugd is. Niet iedereen zal het waarderen wanneer hij niet naar buiten kan kijken doordat de metroramen door liefdevolle jeugd volgespoten zijn. De energie spat van alle foto’s af. New York City-stylee op zijn best. We zien foto’s van breakers op kartonnen dozen, schrijvers rennend over metrowagons en vrolijke gezichten op de befaamde blockparties.

De onbedorvenheid van hip-hop zoals die naar voren komt in het werk van Shabazz en Cooper, wekt nostalgische gevoelens op. Nu hip-hop is geannexeerd door MTV en winstbeluste platenmaatschappijen die de muziek uithollen met kant en klare formules van seks, geweld en bling, is het nuttig om te zien hoe rijk de hip-hop-cultuur in werkelijkheid is. Vergis je niet, hip-hop is meer dan alleen rap, voor jong zwart Amerika is het alles dat ze kennen en hebben, de dagelijkse realiteit, de lucht die ze inademen. Ooit begon hip-hop met kansarme jongeren die middels een do-it-yourself-attitude hun leven zin wilden geven en hun eigen plaats in deze verdorven wereld probeerden te verwerven. Of, om het aloude graffiti-credo te gebruiken: Make your mark on society, not in society!

Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl. Co-auteur: Mayko Bakker

vrijdag 9 september 2005

Seventies-seks met `Frank & Eva'

De seksuele revolutie volgens Pim en Wim.

De jaren zeventig, veel mensen denken er met warme nostalgie aan terug. De jaren zeventig was het tijdperk van de seksuele revolutie. De jaren zeventig waren ook het tijdperk van Pim en Wim, ofwel de filmmakers Pim de la Parra en Wim Verstappen, die met Blue Movie en Frank en Eva een eigen kleine revolutie ontketenden.

Een schokgolf ging door Nederland toen in 1971 Blue Movie uitkwam. Hugo Metsers speelt zedendelinquent Michael, die na zijn gevangenisstraf in een flat in de Bijlmer komt te wonen. Terwijl hij achter tralies zat is de seksuele moraal in de samenleving ingrijpend veranderd. Iedereen doet het nu met iedereen. Michael gaat met iedere vrouw in het gebouw naar bed en uiteindelijk groeit het appartementencomplex uit tot één grote seksindustrie.

Blauwdruk
Door de expliciet in beeld gebrachte seks (zelfs met de blik van tegenwoordig gaat het nog ver) werd Blue Movie in een mum van tijd beroemd en berucht. De film trok zo'n 2,5 miljoen bezoekers en staat daarmee nog steeds in de top 3 van de succesvolste Nederlandse films. De filmkeuring werd om zeep geholpen. Retrospectief bezien is Blue Movie wellicht de blauwdruk voor de Nederlandse film, die door de jaren heen een reputatie verwierf door zijn hoge seksgehalte. Zeker is dat de eigenzinnige en uitgesproken Pim en Wim in de jaren zeventig de voorhoede van de Nederlandse cinema vormden.

Seks bracht geld in het laatje, dus Blue Movie kreeg een vervolg met VD, Frank en Eva en Alicia. In Frank en Eva is de hoofdrol opnieuw weggelegd voor Hugo Metsers. De welgeschapen Frank is niet in de wieg gelegd voor trouw en gaat met elke vrouw naar bed die hij kan krijgen. Verder wordt Frank elke avond dronken in het café van Lex Goudsmit en uit hij de leegte van zijn bestaan in nepzelfmoorden. Eva is inmiddels zwanger van Frank en wil vastigheid. Dat levert natuurlijk problemen op.

Frank en Eva staat bol van de seks, die evenals in Blue Movie confronterend in beeld wordt gebracht. Zo naait Frank Eva 'helemaal kapot' tot ze 'niet meer kan lopen', vingert Frank een dame in het café en neukt hij Sylvia Kristel 'full frontal' onder de douche. Functioneel naakt is het allerminst, de onanie van Pim en Wim druipt ervan af. Overigens kwamen ze daar ook eerlijk voor uit, Verstappen verklaarde dat hij hield 'van de geur van seks op de set'.

Vrije seks bestaat niet
Maar zowel Blue Movie als Frank en Eva zijn meer dan een reeks seksscènes waar een verhaaltje omheen is verzonnen. Pim en Wim onderkennen het plezier van vrije seks en brengen er zelfs een ode aan, maar ze maken duidelijk dat het plezier slechts oppervlakkig is. Het rondneuken heeft uiteindelijk voor alle betrokkenen desastreuze gevolgen. Vrije seks bestaat niet omdat seks niet vrijblijvend is. Als het op liefde, menselijk contact en verantwoordelijkheid aankomt, falen Hugo Metsers' personages in zowel Blue Movie als Frank en Eva: als Michael de vrouw van zijn dromen (Carrie Tefsen) heeft is hij impotent en Frank kan zich niet binden aan Eva maar hij kan ook niet zonder haar. En verwijst de naam van het bedrijf VD uit de gelijknamige film niet naar 'venereal disease', het Engelse woord voor geslachtsziekte?

Frank en Eva heeft niet de onbekommerde lach-of-ik-schiet-lol van de Tiroler sekskluchten. De ondertoon is zwaar en de film handelt over de morbide schaduwzijde die seks kan hebben. Niettemin doet Frank en Eva terugverlangen naar de jaren zeventig, een periode lang vóór de normen en waarden-discussie van premier Balkenende, toen dit soort films nog gemaakt konden worden. Lang leve het Sodom en Gomorra!


Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl

maandag 15 augustus 2005

Miles Davis’ eerste kwintet - Vijftig jaar 'Round About Midnight


Miles Davis was als herboren toen hij terugkeerde in New York in het voorjaar van 1954. Tijdens een eenzame opsluiting op de boerderij van zijn vader in Illinois was hij op eigen kracht van zijn heroïneverslaving afgekomen. Miles borrelde over van de energie en nieuwe ideeën.

Lees ook:

Davis was door zijn heroïneverslaving zo goed als afgeschreven. Hij wist dat hij het onderste uit de kan moest halen om het publiek weer voor zich te winnen. Waar Miles in het verleden door zijn drugsgebruik er met de pet naar gooide, had zijn spel een nieuwe intensiteit, passie en technische kwaliteit. Hij werkte hard aan zijn geluid en omringde zich met topmuzikanten als saxofonist Sonny Rollins, bassist Percy Heath en drummer Art Blakey. In 1954 nam Davis met wisselende bezettingen enkele sterke albums op voor Blue Note en Prestige, waaronder het meesterwerk Walkin’. Intussen bracht Capitol eindelijk Birth of the Cool uit, het historische cool jazz album dat Davis in 1949 en 1950 opnam met zijn nonet. Miles was op de terugweg naar de top en dat had het publiek in de gaten.

Newport
Miles consolideerde zijn comeback in juli 1955 op het Newport Jazz Festival. Op het laatste moment werd hij toegevoegd aan de All Star-band met onder meer Zoot Sims, Gerry Mulligan, Percy Heath, Connie Kay en Thelonius Monk. De combinatie van Miles met Monk was opmerkelijk; de twee hadden op kerstavond in de legendarische Rudy Van Gelder studio slaande ruzie gekregen. Niettemin vestigde Davis voorgoed zijn naam met een compositie van nota bene Monk: ‘Round About Midnight. Miles speelde zijn solo met gedempte trompet, wat zijn geluid zou gaan karakteriseren. De passie die Miles in solo legde deed het publiek aan de grond genageld staan. Hier werd geschiedenis geschreven.

“Iedereen ging uit z’n dak. Ik kreeg een staande ovatie. Iedereen keek me aan alsof ik een koning was”, schreef Davis in 1989 in zijn autobiografie. “Alle muzikanten daar behandelden me als een god, en dat allemaal om een solo die me lang geleden zo veel moeite had gekost om onder de knie te krijgen.”
Nu was Davis klaar om een eigen band te vormen. Als eerste rekruteerde hij drummer Philly Joe Jones, pianist Red Garland en bassist Paul Chambers. Nu zocht Miles nog een saxofonist naast hem. Sonny Rollins genoot zijn voorkeur, maar Rollins weigerde en liet zich opnemen om van de heroïne af te kicken.


Miles speelt 'Round Midnight met zijn tweede grote kwintet in Berlijn in 1967

John Coltrane
Philly stelde voor om de jonge, onbekende John Coltrane te vragen. Davis reageerde echter sceptisch. Hij herinnerde zich nog dat Coltrane het een paar jaar eerder aflegde tegen Sonny Rollins. Maar Davis zat omhoog en had snel een saxofonist nodig voor een engagement in Baltimore, en had door Rollins’ afwezigheid geen keuze. Philly belde Coltrane, die zijn vaste aanstelling bij toetsenist Jimmy Smith in Philadelphia vaarwel wuifde en zich maar wat graag bij het Miles Davis Quintet voegde, omdat hij bij Davis de kans kreeg zich te ontwikkelen. Het was in deze tijd dat Miles voor het eerst zijn reputatie vestigde dat hij een goede neus voor nieuw talent had. Paradoxaal genoeg kreeg hij tegelijk kritiek dat hij werkte met onbekende, beginnende muzikanten in plaats van ‘all stars’.

Het kwintet werd al snel een sensatie in de jazzscene. Jazzliefhebbers en hipsters dromden om Miles Davis en zijn nieuwe band te horen. In het publiek bevonden zich niemand minder dan Frank Sinatra, Tony Bennett, Ava Gardner, Elizabeth Taylor, Marlon Brando en James Dean.

Ongelofelijk
Davis was in zijn nopjes. Het kwintet speelde ‘sneller dan ik kon geloven, de muziek die we speelden was ongelofelijk”, schreef de trompettist in zijn autobiografie. “Het was zo bad dat me de rillingen langs het lijf liepen, en bij het publiek ook. Man, de shit die we in korte tijd speelden was beangstigend, zo beangstigend dat ik mezelf moest knijpen om te zien of ik er wel echt bij was.”

Het Miles Davis Kwintet keerde de jazz binnenstebuiten. Miles’ vloeiende, ronde toon (vaak met demper) was een breuk met de heersende conventies. De trompettist was sterk beïnvloed door de pianist Ahmad Jamal, wiens lichte en harmonieuze spel de tenen van de jazzpuristen deed krommen. Zij schreven de pianist af als een ordinaire cocktailbarpingelaar, maar Davis bewonderde echter Jamals raffinement, understatement, beheersing en gebruik van ruimte. Hij instrueerde zijn pianist Red Garland dan ook om in de stijl van Jamal te spelen.

Ook de ritmesectie van het kwintet viel op, die functioneerde als een strakke eenheid terwijl ze individueel en autonoom musiceerden. Bassist Paul Chambers ontplooide technieken in zijn spel die nooit eerder in de jazz waren toegepast, zoals het gebruik van de strijkstok. Drummer Philly Joe Jones zou met zijn ‘Philly lick’, een rimshot op de vierde tel, nog generaties na hem beïnvloeden.

De grootste ster van het firmament was John Coltrane. Hij was vrijwel onbekend, maar maakte razendsnel naam. Zijn introspectieve spel had geen precedent of referentiepunt. Coltranes geluid contrasteerde bovendien mooi met Miles’ coole toon, en stuwde Miles’ spel tot grote hoogten. Het was even wennen, maar Coltranes stijl sloeg in als een bom en het was duidelijk dat men hier te maken had met een grootheid.

Columbia
Newport had Miles’ carrière in de lift gebracht. Een van de getuigen van Miles’ historische solo op ‘Round About Midnight was George Avakian, de jazzproducer van Columbia. Hij frequenteerde in het najaar van 1955 ook de Café Bohemia in Greenwich Village, een hippe club waar het kwintet een vast engagement had. Columbia wilde zijn magere jazzstal uitbreiden en Miles Davis was de man die ze zochten. Voor jazzmuzikanten was een contract met Columbia een droom; kleine jazzlabeltjes als Blue Note en Prestige konden hun artiesten niet veel geld bieden en Columbia kon dat wel. Bovendien vond Davis dat Prestige hem onderbetaalde. Van Columbia kreeg hij een voorschot van 4000 dollar, plus een jaarsalaris van 300.000 dollar. Dat is vet voor artiesten maar – nog steeds - ongekend voor jazzmuzikanten.

Davis wilde maar wat graag in zee met Columbia. Maar hij zat nog vast aan zijn contract met Prestige. Labelbaas Bob Weinstock wilde zijn paradepaard niet kwijt, en Avakian wilde de rijzende ster graag onder zijn vleugels nemen. Daar moest dus een fikse afkoopsom uitonderhandeld worden. Na maandenlang getouwtrek was de uitkomst dat Davis genoeg materiaal voor vier albums voor Prestige zou opnemen.
In twee marathonsessies werden Steamin’, Workin’, Cookin’ en Relaxin’ opgenomen. Het materiaal was gevarieerd; het kwintet speelde populaire stukken als If I Were A Bell (uit de musical Guys and Dolls), maar ook pure jazzcomposities als Oleo van Sonny Rollins. Wat er op papier uitziet als een haastklus, klonk in werkelijkheid allerminst als een contractuele verplichting. Het vierluik behoort nog altijd tot de beste platen van Miles en de jazz als geheel.

In oktober 1956 dook het kwintet voor het eerst de Columbia-studio in voor de opnames van ‘Round About Midnight. De titel is niet toevallig gekozen; waarschijnlijk wilden Davis en Columbia het momentum van Newport maximaal uitbuiten. Het ingetogen, gevoelige openingsnummer ‘Round Midnight, waarin Miles’ trompet lijkt te fluisteren, is ‘vintage’ Miles. Het album was een stap vooruit voor het kwintet wat betreft verfijning van hun composities. De band was door maandenlang optreden volledig op elkaar ingespeeld.

Flamboyant
In deze tijd begon Miles Davis zich steeds meer te profileren als een flamboyante persona. Op de hoes van ‘Round About Midnight schijnt een rode spotlight op de trompettist, die peinzend en strak in het pak gestoken poseert met een hippe zonnebril en zijn trompet. De boodschap is duidelijk: Miles is een en al klasse. Als geen ander besefte Davis dat muziek en talent alleen geen platen verkoopt, imago is minstens zo belangrijk. Om zijn dandyimago te versterken gebruikte Miles zijn ruime voorschot van Columbia om dure kleren en een witte Mercedes Benz te kopen.

“Ik kleedde me weer heel goed: pakken van Brooks Brothers en op maat gemaakte Italiaanse pakken”, schreef Miles in zijn autobiografie. “Ik herinner me dat ik er op een avond zo gelikt uit zag dat ik mezelf in de spiegel stond te bewonderen. Harold Lovett [Davis’ manager] was erbij. Ik moest die avond optreden en hij ging mee. Dus ik zei tegen hem: ‘Man, I’m cleaner than a motherfucker in this blue suit.’ Hij knikte en ik voelde me zo goed dat ik de deur uit ging zonder trompet. Met opgeheven hoofd liep ik de deur uit en Harold riep: ‘Hé Miles, denk je dat ze je clean in de Bohemia willen zien zonder trompet?’ Man, wat moest ik lachen.”

Davis ontwikkelde zich tot een keiharde onderhandelaar die hoge gages uit optredens sleepte en eisen durfde te stellen aan zijn klanten. Davis’ hautaine gedrag leidde ook tot irritaties. Vooral zijn gewoonte om met zijn rug naar het publiek te spelen of van het podium te lopen tijdens solo’s van zijn bandleden, viel niet in goede aarde. Miles wuifde de kritiek weg door te zeggen dat hij geen entertainer was maar een simpelweg een trompettist, en dat hij de aandacht van het publiek voor de solo’s van zijn bandleden niet wilde afleiden met zijn aanwezigheid.

Een onbedoelde factor in Miles’ image was zijn stem. De trompettist moest begin 1956 een gezwel aan zijn strottenhoofd operatief laten verwijderen. De artsen adviseerden Davis zijn stem enkele weken niet te verheffen, maar het noodlot wilde dat hij ruzie kreeg met iemand uit de muziekindustrie en hem uitkafferde. De rest van zijn leven had Miles zijn legendarische schorre stem.

Scheuren
Binnen het kwintet begonnen zich de eerste scheuren te vertonen. Miles was clean, maar de rest van de band ging zich te buiten aan drank en drugs. Dat drukte op de prestaties van het kwintet. Leden kwamen te laat of helemaal niet opdagen voor optredens, of hun spel was ondermaats. Uiteraard irriteerde dat Davis. In oktober 1956 kwam het tot een uitbarsting. John Coltrane kwam voor de zoveelste keer te laat voor een concert in het Café Bohemia en op het podium stond hij te knikkebollen van de heroïne. Miles kon zich niet beheersen en in de kleedkamer gaf hij Coltrane een klap in zijn gezicht en sloeg hem in zijn maag. Thelonius Monk was hiervan getuige en zag zijn kans schoon om de inmiddels gevierde saxofonist een plaats in zijn band aan te bieden.

Davis vervulde zijn verplichtingen aan Café Bohemia door Coltrane te vervangen door Sonny Rollins, die inmiddels uit de afkickkliniek was. In het najaar van 1956 ontbond hij het kwintet tijdelijk, ook omdat hij deel uitmaakte van een Europese tournee van prominente jazzmusici. Na zijn terugkeer in de VS aan het eind van het jaar herenigde Davis het kwintet. De oude problemen speelden echter al gauw weer op en in april 1957 ontsloeg Miles John Coltrane en Philly Joe Jones definitief. Sonny Rollins volgde Coltrane op. Philly werd vervangen door Art Taylor. Miles’ eerste grote kwintet was niet meer. De band werd een jaar later wel herenigd als sextet met saxofonist Julian ‘Cannonball’ Adderley erbij en nam het klassieke Milestones op. Maar Miles was, zoals altijd, alweer verder aan het kijken.

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

vrijdag 1 juli 2005

Wederopbouw Irak is een fata morgana

“Is het de opoffering waard? Het is het waard.” Zalvende woorden sprak de Amerikaanse president Bush dinsdag. Zijn onderdanen hebben elke fiducie in de wederopbouw van Irak verloren. Het geweld heeft de omvang van een burgeroorlog en los van op zichzelf staande succesjes staat de wederopbouw zo goed als stil.

De gemiddelde inwoner van Bagdad merkt weinig van de wederopbouw. Stroomuitvallen van enkele uren achtereen zijn alledaags. In een stad waar het ’s zomers 50 graden Celcius kan worden en airco’s van levensbelang zijn, is dat een grote bron van ergernis. Om het nog zacht uit te drukken. Tel daar nog eens een allesbehalve optimaal functionerende waterleiding bij op. Een torenhoge werkloosheid en de onveiligheid trekken een wissel op de levenskwaliteit.

Achteruitgang
President Bush beloofde dat het nieuwe Irak een welvarend land met een hoge levensstandaard voor alle inwoners zou worden. Maar het gros van de Irakezen vindt dat ze er sinds de val van Saddam Hussein alleen maar op achteruit zijn gegaan. Die onvrede kan ook worden gestaafd met cijfers; volgens het VN-Wereldvoedselprogramma is 27 procent van alle kinderen onder de vijf jaar ondervoed. Negentig procent van de Iraakse steden heeft geen behoorlijke riolering. Een derde van de Irakezen heeft geen beschikking over schoon drinkwater.

Maar als we de officiële cijfers mogen geloven, wordt er aan de weg getimmerd om de Iraakse infrastructuur weer op te bouwen. Sinds 2003 heeft USAID (United States Agency for International Development) ruim vijf miljard dollar uitgegeven aan de wederopbouw van Irak. Wekelijks publiceert USAID een update van de wederopbouwactiviteiten, waarin trots kond wordt gedaan van de prestaties.

In onder meer Kirkuk en Bagdad worden elektriciteitscentrales gebouwd. Er wordt meer elektriciteit gegenereerd dan in de tijd van Saddam. In Karbala wordt een waterzuiveringsinstallatie aangelegd. De olieproductie zit met 2,17 miljoen vaten per dag bijna op vooroorlogs niveau (2,5 miljoen). De van oudsher gecentraliseerde economie wordt hervormd tot een marktmodel. Er wordt samengewerkt met gemeenschappen om hun behoeften te inventariseren. Ruim een half miljoen kinderen krijgen spullen voor school of andere lesprogramma’s. Duizenden politieagenten en militairen worden opgeleid.

Gegoochel met cijfers
Bij de cijfers van USAID kunnen echter vraagtekens geplaatst worden. “Het is een cijferspel”, zei Reinoud Leenders, Midden-Oostenanalist van de denktank International Crisis Group (ICG) en auteur van een kritisch rapport over de wederopbouw, in januari tegen de Arabische zender al-Jazeera.

Leenders berekende dat van de 18,4 miljard dollar die het Amerikaanse Congres vrijmaakte voor de wederopbouw, slechts 1,5 miljard is uitgegeven. Veertig procent daarvan is bovendien gespendeerd door buitenlandse organisaties aan beveiliging. Uiteindelijk is slechts 900 miljoen dollar daadwerkelijk aan wederopbouwprojecten besteed, schat Leenders.

Corruptie
De wederopbouw wordt tevens geplaagd door corruptie. Vorige maand constateerde Stuart Bowen, bijzonder inspecteur-generaal voor de wederopbouw van Irak, dat honderd miljoen dollar is verdwenen, waarschijnlijk in de zakken van corrupte functionarissen.

De ICG publiceerde vorig jaar een uiterst kritisch rapport over de wederopbouw. De Coalition Provisional Authority (CPA), het voormalige Amerikaanse bestuur, maakte ‘schokkende fouten’. Het ontbrak aan planning, de behoeften van burgers werden genegeerd, gelden werden te traag geïnvesteerd, de focus lag te veel op lange-termijnprojecten in plaats van nijpende, urgente problemen die het dagelijkse leven bemoeilijkten.

Geweld is obstakel
Een belangrijk obstakel voor de wederopbouw is het geweld. Opstandelingen gebruiken wederopbouwprojecten als doelwit voor aanslagen en sabotage. Werknemers – al dan niet buitenlands - zijn prooien van opstandelingen voor ontvoeringen en moorden. De VS moeten daardoor meer geld uitgeven aan bewaking (eind 2004 ging 22 procent van alle aanbestede contracten naar bodyguards). Of projecten worden algeheel afgeblazen.

Maar het excuus dat de onveiligheid de wederopbouw ondermijnt is slechts ten dele waar, vinden critici. “Er zijn veel delen van het land die relatief veilig zijn”, zegt Isam al-Khajafi, directeur van Iraq Revenue Watch, een divisie van het Open Society Institute, dat zich inzet voor democratisch en transparant bestuur.

Voor een groot deel wordt de woede en frustratie van Irakezen veroorzaakt door het gevoel dat ze worden uitgesloten van wederopbouwprojecten, menen critici. Weinig contracten werden toegekend aan Iraakse bedrijven. Het Open Society Institute rapporteerde in september 2004 dat slechts twee procent van de 1,5 miljard dollar aan contracten die werden betaald met olieopbrengsten, naar Iraakse bedrijven ging.

Bovendien hebben Irakezen het gevoel dat buitenlandse ondernemingen liever buitenlanders in dienst nemen. Officieel werken er tachtigduizend Irakezen aan wederopbouwprojecten; de beroepsbevolking telt 6,7 miljoen Irakezen. Maar naar schatting zijn er twintigduizend buitenlandse werknemers in Irak (IPS). Niettemin komt de onvrede onder de Irakezen de veiligheidssituatie niet ten goede, waarschuwt het Open Society Institute.

De voortgang van de wederopbouw verloopt dus allerminst vlekkeloos. Maar welke dingen gaan eigenlijk wel goed?

In veel gebieden wel succes
Mariwan Kani, journalist en Irakees, constateert dat in de meeste delen van Irak de wederopbouw redelijk goed verloopt. “In het Koerdische deel in Noord-Irak worden huizen, ziekenhuizen, scholen, universiteiten en hotels gebouwd. Dat verloopt goed”, zegt Kani tegen Planet.nl. “In Zuid-Irak verloopt het redelijk. Mensen hebben meer geld dan in de jaren negentig, jongeren kunnen weer plannen maken, bijvoorbeeld om te trouwen. De steden zijn schoner. Ik hoorde van een vriend dat ze Nasiriyah gingen schoonmaken. Een paar dagen later kwam hij daar, hij had het nog nooit zo schoon gezien.”

De problemen concentreren zich volgens Kani vooral in de soennitische gebieden, met name in sommige wijken in Bagdad en steden als Mosul en Ramadi. De (media-)aandacht gaat te veel uit naar de aanslagen, vindt Kani. “Het gaat niet uitstekend, maar de aandacht voor de aanslagen overschaduwt de aandacht voor de andere ontwikkelingen. Er gebeurt veel meer in Irak. Er wordt weer muziek gemaakt, er worden weer boeken uitgegeven, er wordt weer gesport.”

Irak-deskundige Pim van Harten is het echter grondig met Kani oneens. Op macro-economisch niveau verkeert de wederopbouw in een impasse, werpt hij tegen.

“Het geweld heeft de wederopbouw volledig van de agenda geblazen. Er ligt heel veel stil,” zegt Van Harten. “Het offensief in Fallujah [april 2004 – red.] begon omdat er een paar Amerikaanse contractors gelyncht werden. Dat kon toen nog, dat je een paar Amerikanen een stad in stuurt voor de wederopbouw. Dat kan nu echt niet meer.”

Verder constateert Van Harten dat de door de Amerikanen ingezette liberalisering van de economie, waarbij staatsfabrieken werden afgestoten, hebben geleid tot een enorme werkloosheid. De CIA schat de werkloosheid op 25 à 30 procent, maar de Universiteit van Bagdad zelfs op 70 procent. Volgens Van Harten is geld geen probleem. “Geld is er genoeg, er moet alleen een manier gevonden worden om het te besteden.”

Lokale successen
Op lokaal niveau worden wel succesjes geboekt. “Wat betreft de aanleg van scholen en wegen zijn er veel lokale verschillen”, aldus Van Harten. “Dat komt doordat de verhoudingen tussen de provincies en Bagdad zijn veranderd. Vroeger werd alles centraal geregeld. Tegenwoordig kunnen provincies zelf onderhandelen. Toen de Amerikanen nog formeel de macht hadden konden gouverneurs met hen wel eens wat ritselen.”

“De succesverhalen zijn lokale verhalen, en die hebben een tijdelijk karakter”, vervolgt Van Harten. “De interim-regering werkt aan een nieuwe Iraakse grondwet, en ze zijn er nog niet uit of het een federale staat gaat worden.” Het is dus mogelijk dat de huidige autonomie van de provincies op termijn weer ingeperkt wordt.

Middenstand bloeit
Middenstanders maken een bloeiperiode door. “Kleine middenstanders doorstaan altijd alle oorlogen”, zegt Van Harten. “Je ziet nu een boom van kleine middenstanders. De consumentenmarkt groeit. Uit Koeweit worden koelkasten geïmporteerd, tv’s uit Dubai.”

Op de nationale economie heeft het echter weinig effect. “Grote bedrijven hebben behoefte aan stabiliteit.”

Het zal veel vergen om de neerwaartse spiraal om te buigen en de belofte van een welvarend, vreedzaam land waar te maken. Maar dat is ook niet verwonderlijk in een land dat decennia lang is uitgemergeld door oorlog, sancties en tirannie. En om Bush’ vraag te beantwoorden of het de opoffering waard is: de VS hebben geen keuze. Zonder de Amerikaanse militaire aanwezigheid is het einde helemaal zoek. Maar de VS hebben in beginsel de morele plicht Irak op te bouwen. Daartoe verplichtten de VS zich met de invasie. Oud-minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell waarschuwde Bush al een half jaar voor de oorlog: “U wordt de trotse eigenaar van 25 miljoen mensen. U bezit al hun hoop, aspiraties en problemen. U bezit het allemaal.”


Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.

woensdag 15 juni 2005

Bossa nova: puur natuur


Ipanema, Rio de Janeiro, 22 december 2004. De zomer is begonnen, maar daar is niets van te merken. De regen stort uit de donkere hemel. Een kluitje surfers pakken als verzopen katten hun boeltje. Dit lijkt niet op het Ipanema dat wereldberoemd werd door de bossa nova-hit The Girl from Ipanema van Stan Getz, João en Astrud Gilberto en Antônio Carlos Jobim.

Lees ook:



  • Antônio Carlos Jobim: elke noot een juweel
  • Interview: Sérgio Mendes: sambajazz
  • Interview: Marcos Valle, bossa nova avonturier
  • 14 Braziliaanse platen die je gehoord moet hebben


  • Toch was het in dit welgestelde stadsdeel van Rio dat componist/pianist/gitarist ‘Tom’ Jobim midden jaren ’50 de bossa nova uitvond. Geïnspireerd door de cool jazz van Miles Davis, Chet Baker, Gerry Mulligan en Barney Kessel, alsmede Franse impressionistische en romantische componisten als Claude Debussy en Fryderyk Chopin, verfijnde Jobim de samba tot de bossa nova. Het is wat te kort door de bocht om Jobim alle krediet te geven voor het uitvinden van de bossa nova; ook singer/songwriter/gitarist João Gilberto, pianist/songwriter Newton Mendonça, dichter Vinícius de Moraes, zanger Carlos Lyra, gitarist/arrangeur Roberto Menescal en gitarist/songwriterBaden Powell ook genoemd moeten worden als medegrondleggers en pioniers.

    Nieuwe stijl
    De bossa nova (dat ‘nieuwe golf’ of ‘nieuwe stijl’ betekent) is ritmisch complexer en subtieler dan de samba, en qua harmonie en melodie rijker. In plaats van het traditionele binaire sambaritme, kenmerkt bossa nova zich door een diversere syncopatie. De standaard ritmesectie van drums en bas werd aangevuld met syncoperend getokkel op de akoestische gitaar. De melodie, harmonie en het ritme werden op een dynamischer wijze geïntegreerd dan in de samba. De zang is ingetogener dan in de samba. Het geluid van bossa nova is onderkoeld en gecontroleerd, maar tegelijkertijd warm en intiem. “Isso é Bossa Nova, isso é muito natural” (“Dat is Bossa Nova, het is zeer natuurlijk”), is een zin uit Jobims Desafinado.



    Overigens zijn er meerdere theorieën over het begin van bossa nova. Zo wordt de oorsprong al in de jaren ’40 gelegd, toen de ‘samba canção’ een rage was. Muzikanten als pianist en zanger Johnny Alf vermengden de samba met jazz. Ook zangers als Dick Farney en Billy Blanco, die sterk beïnvloed waren door Amerikaanse crooners als Frank Sinatra, Bing Crosby en Nat King Cole, kunnen gezien worden als voorlopers van bossa nova.

    Over wat de eerste echte bossa nova plaat is, lopen de meningen uiteen. Velen zien het album Canção de Amor Demais van Elizeth Cardoso uit 1958 als het begin. Hierop zingt Cardoso Chega de Saudade van Jobim en Vinícius de Moraes. De gitarist die haar begeleidt is niemand minder dan João Gilberto, toen nog onbekend. Overigens schreef Jobim de ritmische vernieuwing van de bossa nova – het gebruik van de gitaar als ritme-instrument – toe aan Gilberto.

    Waarschijnlijker is dat het album Desafinado van Jobim en Newton Mendonça uit 1957 het eerste is, simpelweg omdat de plaat enkele maanden eerder verscheen dan Canção de Amor Demais en bovendien in de tekst van het titelnummer het genre voor het eerst een naam krijgt (de al eerder geciteerde regel “Isso é Bossa Nova, isso é muito natural”). En last but not least is Chega de Saudade mede geschreven door Jobim. De doorbraak van bossa nova naar het grote publiek kwam in 1959, toen João Gilberto met groot succes enkele nummers van Jobim opnam voor zijn debuutalbum Chega de Saudade.

    Rijk en hip
    Eind jaren ’50 viel de Braziliaanse jeugd uit vooral de sociale midden- en bovenklasse als een blok voor de subtiele ritmes en zachte melodieën van de bossa nova. Waar de samba muziek van de straat en uit de favela’s (sloppenwijken) was en handelde over de zware van leven in armoede, hing om bossa nova de sfeer van een hip en onbezorgd leven aan het zonnige strand van het rijke Ipanema.
    De gevestigde sambaorde vond de nieuwe stijl maar niks; bossa nova zou een slap aftreksel van de samba zijn. Sommige critici, zoals de puristische Braziliaanse muziekresearcher José Ramos Tinhorão, gingen zelfs zo ver als te zeggen dat bossa nova de Braziliaanse muziektraditie van de samba verkwanselde en de platte Amerikaanse cultuur verheerlijkte. Vooral de hedonistische teksten – tegenover de uit het leven gegrepen sambateksten – vielen niet in goede aarde.

    Internationale doorbraak
    Het duurde niet lang voordat de bossa nova de landsgrenzen zou overschrijden. In 1959 componeerden Jobim en Luis Bonfa de soundtrack voor de Braziliaanse film Black Orpheus (Orfeu Negro). De film – waarin de Griekse mythe wordt verplaatst naar Rio - wordt een internationaal succes en wint een Gouden Palm in Cannes, plus een Oscar en een Golden Globe voor de beste buitenlandse film. De soundtrack, die de film domineert, wordt eveneens een millionseller en maakt van Jobim en Bonfa supersterren.



    De Amerikaanse jazzscene spitste zijn oren. Eind jaren ’50 en begin jaren ‘60 keerden Amerikaanse muzikanten laaiend enthousiast terug uit Brazilië. In het kader van president John F. Kennedy’s Good Neighbours-programma maakte gitarist Charlie Byrd in 1961 met het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken een reis naar Brazilië, alwaar hij in aanraking kwam met de bossa nova en verliefd werd. Eenmaal terug was Byrd vastbesloten een bossa nova-plaat op te nemen. Naar verluidt speelde Byrd voor jazzsaxofonist Stan Getz enkele maten bossa nova, en draaide hij een paar tapes met muziek van Gilberto en Jobim. Getz werd direct gegrepen, en regelde met producer Creed Taylor dat hij een plaat kon opnemen met Byrd.

    Aldus geschiedde. In februari 1962 doken Byrd en Getz de studio in om in een luttele drie uur het album Jazz Samba op te nemen. Het nummer Desafinado werd een hit. Een maand na de opnamesessie kwam Jazz Samba op nummer 1 van de albumhitlijst, wat ongekend was voor een jazzplaat. Bossa nova sloeg in als een bom in de Amerikaanse jazzscene. In de maanden na de release van Jazz Samba gingen ook de saxofonisten Sonny Rollins, Zoot Sims, Coleman Hawkins, dwarsfluitist Herbie Mann, Kenny Dorham en Cal Tjader aan de haal met de exotische, bedwelmende nieuwe muziekstijl.

    Een historisch concert van Jobim, Gilberto en andere Braziliaanse topmuzikanten in Carnegie Hall in november 1962 consolideerde de internationale opkomst van de bossa nova. De prestigieuze concertzaal was uitverkocht en in het publiek bevinden zich niemand minder dan Peggy Lee, Miles Davis en Dizzy Gillespie. De muzikanten mochten op bezoek bij Jackie Kennedy in het Witte Huis. Sommigen sloten platencontracten af in New York.

    Getz boerde goed met de bossa nova, en dus liet hij de grondleggers Jobim en Gilberto overkomen naar New York voor een vervolg op Jazz Samba. Op 18 en 19 maart 1963 doken Getz, Gilberto, Jobim, bassist Tommy Williams (uit Getz’ band) en drummer Milton Banana (favoriet van Jobim) de A&R Studios in voor de opnames van wat een historisch album zou worden: Getz/Gilberto.

    The Girl from Ipanema
    Het album bevatte de hit die de wereldwijde doorbraak van bossa nova bewerkstelligde en voorgoed het gezicht van de stroming zou gaan bepalen: The Girl from Ipanema. De single betekende tevens het begin van de zangcarrière van Astrud Gilberto, de toenmalige echtgenote van João. Over de toedracht van haar cameo bestaat verwarring. Volgens Astrud zelf had João haar bij Getz aangedragen. Maar volgens Getz wilden João en Jobim niet dat Astrud op de plaat zou zingen, omdat ze maar een huisvrouw was en geen professionele zangeres. Getz erkende dat Astrud soms nogal vals zong, maar vond dat ze mooi klonk als ze in het Engels zong. Goed genoeg voor op de plaat. Daar kwam bij dat Astrud de enige was die het Engels beheerste. En Getz’ vrouw Monica voorzag de hitpotentie van Astruds zang. Ze kreeg gelijk. In een mum van tijd werd Getz/Gilberto goud. De National Academy of Recording Arts en Sciences hebben het album een plaats gegeven in de Hall of Fame.



    Midden jaren ’60 is bossa nova overal. Volgens Astrud Gilberto was het de juiste muziek op het juiste tijdstip. “Ik ben geen socioloog, maar het was een tijd dat mensen in de Verenigde Staten afgeleid wilden worden van hun zorgen. Er was een gevoel van ontevredenheid – misschien een hint van de oorlog die eraan zat te komen – en mensen hadden behoefte aan romantiek, iets dromerigs, als afleiding.”

    Verval
    Maar zoals het gaat met hypes, zet op een gegeven moment het verval in. Door de hausse aan artiesten en vooral platenbazen die een graantje van het succes wilden meepikken, was bossa nova verwaterd tot een lege formule en zelfs kauwgomballenpop. Het publiek verloor zijn interesse.
    Maar ook de tijden veranderden. De jeugd begon zich tegen de gevestigde orde te verzetten. De protestgeneratie diende zich aan. Niet verwonderlijk had dit in Brazilië een grote maatschappelijke impact. In 1964 was door een coup een militaire junta aan de macht gekomen die de bevolking onderdrukte. Dat had ook gevolgen voor de Braziliaanse muziek. Protestmuzikanten wisten een grote achterban te genereren. De zorgeloze bossa nova raakte achterhaald. Jonge muzikanten als Caetano Veloso en Gilberto Gil begonnen onder invloed van The Beatles te experimenteren met rock en vonden een nieuw genre uit: de tropicalia.

    Dat wil echter niet zeggen dat de bossa nova dood was. Een tweede bossa nova-generatie begon de stijl te hervormen, door maatschappijkritische teksten te schrijven of door het exotische jazzelement te vervangen door Braziliaanse inheemse en volksmuziek.

    De ontwikkelingen reden echter João Gilberto en Antônio Carlos Jobim niet in de wielen. Gilberto bleef ijzersterke platen maken, en Jobim bleef bossa nova verder ontwikkelen. In de jaren ’60 maakte hij platen voor diverse labels, waaronder CTI (het jazzlabel van Creed Taylor), Verve, maar ook grote platenmaatschappijen als Warner Bros. en MCA. Jobim verweef de bossa nova steeds meer met jazz en klassiek (ook door zijn samenwerking met arrengeur en dirigent Claus Ogerman). Tegelijk componeerde Jobim ook soundtracks voor films en tv-series in Brazilië. Gilberto en Jobim bleven graag geziene gasten in de jazzwereld, en ze speelden regelmatig op prestigieuze festivals als Montreux. Jongere Braziliaanse artiesten als Veloso noemden Gilberto als hun belangrijkste invloed.

    Nieuwe lichting
    De liefde voor bossa nova in de jazz ebde nooit weg. Met regelmaat duikt de bossa nova weer op platen op. Maar ook in bredere zin komt de bossa nova van tijd tot tijd in de herwaardering. Internationale artiesten als David Byrne, Sting en George Michael bliezen de oude bossa nova-krakers nieuw leven in op Red Hot + Rio (1996). In 2000 had Bebel Gilberto (de dochter van João Gilberto) veel succes met haar album Tanto Tempo, dat haar twee nominaties voor de Latin Grammy voor beste nieuwe artiest opleverde. Gilberto weet bossa nova te mengen met moderne stijlen als dance, zonder dat de ziel uit de muziek wordt gehaald. Op die manier blijft bossa nova ook voor een nieuwe generatie interessant. Dat geldt ook voor Maria Rita (dochter van de legendarische Braziliaanse zangeres Elis Regina) en producer Nicola Conte, uit wiens koker vaak interessante talenten komen, zoals zangeres Rosalia de Souza. Nieuwe bossa nova maar in meer traditionele vorm komt van Rosa Passos, een zangeres die zich heeft toegewijd aan Braziliaanse muziek in haar puurste vorm.



    Stilistisch heeft bossa nova al veertig jaar geen revolutie meer meegemaakt, en dat zit er ook niet meer in. Maar bijna een halve eeuw na zijn uitvinding heeft bossa nova nog niets van zijn aantrekkingskracht, schoonheid en magie verloren.



    Kopstukken
    Antônio Carlos Jobim
    Antônio Carlos Jobim (bijgenaamd Tom) zou eigenlijk architect worden, maar vond in plaats daarvan de bossa nova uit en ging de geschiedenis in als een van de godfathers van de Braziliaanse muziek. Het was Jobim die Garota de Ipanema (The Girl from Ipanema) schreef samen met dichter Vinícius de Moraes. Maar Jobim componeerde nog vele andere bossa nova standards: Águas de Março, Águas de Beber, Ela é Carioca, Corcovado, Desafinado en Só Danço Samba. Jobim was sterk beïnvloed door jazz en klassiek, en vooral zijn latere platen zijn orkestrale meesterwerken (Urubu, Stone Flower). Jobim overleed in 1994, maar wie met het vliegtuig landt in Rio, zal aangenaam verrast worden door het feit dat de internationale luchthaven is vernoemd naar ‘Tom’.

    João Gilberto
    João Gilberto was vanaf het eerste uur bij bossa nova betrokken en heeft het genre mede heeft gedefinieerd en grootgemaakt. De zeer invloedrijke zanger en gitarist geniet in Brazilië de eerbiedige bijnaam O Mito, wat zoveel betekent als de Legende. Dit ondanks zijn reputatie moeilijk in de omgang te zijn. In tegenstelling tot de ambitieuze muziek van Jobim, is de bossa nova van Gilberto tamelijk puur, en bestaat uit gitaar en zang. Zijn neuriënde en fluisterende zangstijl werkt zeer bedwelmend rustgevend. Gilberto leidt de laatste jaren een teruggetrokken leven. Zijn muzikale erfenis leeft voort in vrijwel elke Braziliaanse artiest, onder wie zijn dochter Bebel Gilberto.

    Astrud Gilberto
    Astrud Gilberto’s carrière begon bij toeval toen ze werd gevraagd de Engelse tekst van The Girl from Ipanema op het album Getz/Gilberto van saxofonist Stan Getz en haar toenmalige echtgenoot João Gilberto te zingen. De single werd een wereldhit en Astrud werd een belangrijk figuur binnen de Braziliaanse muziek. Hoewel Astrud Gilberto technisch geen sterke zangeres is, is haar naïeve stemgeluid zeer karakteristiek.

    Stan Getz
    Saxofonist Stan Getz heeft één van de meest karakteristieke geluiden van de jazz; hij is direct herkenbaar, ook voor niet-kenners. Zijn mellow sound leende zich uitstekend voor de bossa nova. Getz is medeverantwoordelijk voor de internationale doorbraak van bossa nova door zijn samenwerking met João en Astrud Gilberto en Antônio Carlos Jobim, waaruit de wereldhit The Girl from Ipanema voortkwam. Gedurende zijn loopbaan bleef zijn liefde voor de bossa nova een vaste constante in Getz’ werk.

    Bebel Gilberto
    De dochter van João Gilberto (maar niet van Astrud) en Miúcha (ook een belangrijk figuur in de bossa nova), tevens nichtje van Chico Buarque. Bebel debuteerde al op 7-jarige leeftijd op een plaat van haar moeder. Op haar 9e stond ze met moeder en Stan Getz op het podium van Carnegie Hall. Haar debuutalbum Tanto Tempo (2000) kreeg twee nominaties voor de Latin Grammy voor beste nieuwe artiest. In 2004 volgde en titelloos album. Bebel houdt de bossa nova fris door moderne genres erin te verwerken, zonder de oorsprong en de ziel uit het oog te verliezen.

    Andere belangrijke namen:
    Roberto Menescal
    Carlos Lyra
    Baden Powell
    Milton Banana
    Sérgio Mendes
    Chico Buarque

    Essential listening
    Stan Getz & João Gilberto featuring Antônio Carlos Jobim: Getz/Gilberto (Verve, 1963)
    Het album waarmee bossa nova internationaal doorbrak, door de single The Girl from Ipanema. Ook de overige nummers op het album zijn stuk voor stuk standards geworden, zoals Corcovado, So Danço Samba en O Grande Amor. Ook Desafinado, de hit van Getz’ eerdere bossa nova album Jazz Samba, krijgt een herbewerking. Ruim veertig jaar later is Getz/Gilberto nog steeds een van de beste bossa nova albums, en is de muziek nog altijd fris.

    Antônio Carlos Jobim: Stone Flower / Urubu / A Arte de Tom Jobim
    Eind jaren ’60 was de bossa nova over zijn hoogtepunt heen. Maar Jobim was nog niet uitgekeken op zijn uitvinding, en bleef de bossa nova verder ontwikkelen. Jobim nam de bossa nova als basis nam voor flirts met klassiek en jazz. Het resultaat zijn prachtige, ruimtelijke en smaakvol georkestreerde albums, waarvan Stone Flower (1970) en Urubu (1976) de hoogtepunten zijn. Op het jazzy Stone Flower werkte Jobim werkte samen met de crème van de jazz: Eumir Deodato, Ron Carter, Airto Moreira, Urbie Green, Joe Sample. Carter keert terug op het meer op klassiek georiënteerde Urubu, dat door Claus Ogerman werd gearrangeerd. De verzamelaar A Arte de Tom Jobim biedt een goed overzicht van het oeuvre van deze grootmeester.

    Antônio Carlos Jobim & Elis Regina: Elis & Tom
    In 1974 sloten twee Braziliaanse muzikale zwaargewichten de handen ineen voor het eenvoudig getitelde Elis & Tom. Het album bevat enkele bossa nova’s, maar is grotendeels emotioneel geladen en biedt een kijkje in de getroebleerde ziel van Elis Regina (één van de grootste zangeressen van Brazilië stierf een voortijdige dood door drank en drugs). Jobim doorspekt de muziek spaarzaam met orkestrale elementen, maar het geheel blijft kleinschalig. Een klassieker.

    João Gilberto: João Gilberto
    Toen bossa nova een uitgemolken formule was geworden, bleef João Gilberto trouw aan de muziek die hij mede had uitgevonden. De bossa nova die hij speelde was dan ook puur. Het titelloze album uit 1973 is bossa nova in zijn naakte essentie: het ritme en de melodie komen uit zijn gitaar. De muziek steekt verbluffend ingenieus in elkaar. Gilberto’s zang bestaat meestal uit niet meer dan geneurie, dat uiteindelijk een Zenachtig effect heeft. Bedwelmend.

    Bebel Gilberto: Tanto Tempo
    Bebel Gilberto’s debuutalbum (hoewel ze eigenlijk debuteerde met een titelloze EP uit 1986) kreeg twee nominaties voor de Latin Grammy voor beste nieuwe artiest. Tanto Tempo is grotendeels akoestisch, maar Bebel past ook dance-elementen toe. Tanto Tempo is het bewijs dat bossa nova ook in de 21e eeuw nog uitstekend kan meekomen.

    Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.