Posts tonen met het label Booker T. Jones. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Booker T. Jones. Alle posts tonen

zaterdag 21 mei 2011

Booker T. Jones - The Road From Memphis

Booker T. Jones won dan wel een Grammy voor Potato Hole (2009), zijn nieuwe album The Road From Memphis (luisterpaal) is wat mij betreft beter. Het uitstapje naar de rock (met The Drive-By Truckers) op Potato Hole was me te vrijblijvend. Op The Road From Memphis (met hiphopband The Roots) blijft Booker op eigen terrein, met beter resultaat. Hoekige, rauwe, funky beats die hem dwingen tot puntig spel.

En lees meteen even mijn interview met Booker T.

zaterdag 12 juni 2010

Booker T. is de MGs ontgroeid

Booker T. & Me backstage in 013 Tilburg, 26 mei 2010.
Booker T. kennen we natuurlijk van de MGs en evergreens als Green Onions. Maar voor de soullegende is er meer in het leven.

Klik hier voor het interview met Steve Cropper en Donald "Duck" Dunn

Booker T. Jones (65) heeft het wel gezien met de band die al een halve eeuw zijn naam draagt. Hij treedt nog wel op met de MGs, vorig jaar nog in Nederland, maar Jones is de band allang ontgroeid. Niet zo gek dat je hoofd naar iets anders staat als je net een Grammy Award hebt gewonnen voor je soloalbum Potato Hole (2009), een rockgeoriënteerd album dat Jones opnam met de Drive-By Truckers en Neil Young.

“In het begin van mijn carrière werd ik onder het kopje R&B geschaard. Vond ik prima hoor. Maar sinds de jaren zeventig heb ik mezelf verbreed. Ik ben altijd een liefhebber van rock geweest. Maar mijn rockkant kwam met de MGs nooit uit de verf. Ik heb vele kanten en heb altijd gezocht naar een balans tussen mijn verschillende facetten. Ik heb samengewerkt met Neil Young, Willie Nelson en Earl Klugh. Ik hou ook veel van gospel en klassiek, maar ook van hiphop. Ik heb net in New York veertien nummers met The Roots opgenomen voor mijn volgende album, dat een hiphop/R&B-plaat wordt. Die komt dit najaar uit.
De muziek die ik nu in mijn hoofd hoor is zo anders dan wat ik in de jaren zestig hoorde. The MGs zijn nog steeds een geweldige band met een fantastisch oeuvre en geschiedenis, maar een ander soort band. Het is geen rockband. En ook geen hiphopband.”



Eenvoud
Wat Booker T. & The MGs wel waren: meesters van de groove. Alles staat ten dienste van de groove. Steen voor steen opgebouwd. Nooit te veel, alleen wat nodig is. Simpel en effectief.
Als huisband van het toonaangevende soullabel Stax in Memphis speelden Booker T. & The MGs in de jaren zestig op de platen van soullegendes als Otis Redding, Rufus Thomas en Eddie Floyd. Maar Booker T. & The MGs scoorden zelf ook hits als Green Onions, Hip Hug-Her en Time is Tight. Ze waren architecten van de soul. Niet slecht voor een stel muzikanten die hun tienerjaren niet of nauwelijks ontgroeid waren.

Het uitgekiende geluid getuigt van een opvallende muzikale volwassenheid. Volgens Jones, een muzikaal wonderkind en multi-instrumentalist die als scholier al bij Stax werkte, kreeg de MGs-sound zijn vorm zonder veel geschaaf en gebeitel.

“Het klonk meteen al zo. Direct toen we begonnen te spelen. Het was een meeting of the minds”, zegt de toetsenist. “Er ging weinig overleg aan vooraf. Het was een wederzijds begrip dat we het simpel moesten houden. De neuzen stonden gewoon allemaal dezelfde kant op.”

De eenvoud en rauwheid van het Stax-geluid is precies waarom Booker T. er zich thuis voelde. “De muziek bleef altijd basic en funky. Niet zo uitgesponnen en gelaagd als bij Motown. De teksten, melodieën en songs waren altijd eenvoudig, toegankelijk en funky. Ik was behalve een werknemer ook een fan van Stax.”



Muziekgeschiedenis
De lijst met grootheden en klassiekers op de CV van Booker T. & The MGs is duizelingwekkend lang. Beseften ze destijds dat ze muziekgeschiedenis schreven?

“Soms wel ja”, zegt Jones. “Als we met Albert King speelden bijvoorbeeld. Er is een nummer, As The Years Go Passing By, waarop zijn stem zo prachtig is. There is nothing I can do, if you leave me, with a cry. Ik luisterde door de koptelefoon en ik wist meteen: dit gaat de geschiedenisboeken in. Dit is een klassieker. Albert King was de Frank Sinatra van de blues. Hij was beter dan Bobby Bland.”

“Dat gevoel had ik meteen toen ik Otis Redding voor het eerst ontmoette. Hij kwam binnen en vroeg of hij een liedje mocht zingen. Hij ging naast me zitten en zong een paar maten van These Arms of Mine. Dit is echt iets bijzonders, dacht ik. In die tijd hoorde ik Johnny Ace en B.B. King en andere blueszangers op de radio, maar Otis was een klasse apart. Hij legde er zo veel gevoel in.”

Rassenscheiding
Booker T. & The MGs schreven niet alleen muziekgeschiedenis, ook op andere vlakken was de groep baanbrekend. In de hoogtijdagen van de zwarte emancipatiestrijd waren Booker T. & The MGs de eerste band met zowel blanke (gitarist Steve Cropper en bassist Donald “Duck” Dunn) als zwarte (Jones en drummer Al Jackson, Jr.) leden. Dat was nogal wat in een land dat met veel pijn en moeite bezig was de rassenscheiding af te schaffen.

“Dat was wel lastig ja”, herinnert Jones zich. “De hotels waren toen gescheiden, dus we moesten in zwarte hotels of blanke hotels slapen. Restaurants waren gescheiden, dus we moesten apart eten. Vaak aten we dan maar in de auto. Of Steve en Duck moesten de kamers regelen en Al en ik slopen dan via de achterdeur naar binnen, want we konden niet gewoon de lobby binnenwandelen. Dus we moesten wel de nodige listen uithalen. Maar we hebben nooit met bedreigingen of geweld te maken gehad.”



Otis Redding
Een van de ‘great rock&roll deaths’ is die van Otis Redding. In december 1967 stortte zijn vliegtuig neer in een meer. Booker T. weet het moment dat hij het tragische nieuws hoorde nog precies.

“We waren op het vliegveld van Cincinnati. We zouden ‘s morgens vroeg terugvliegen van een optreden in Cincinnati naar Memphis. Al Jackson werd gebeld door zijn vrouw. Ik weet nog dat we aan de bar zaten en Al kwam terug met een bedroefd gezicht en vertelde dat Otis dood was. We konden het niet geloven.”

Moord
De boodschapper van het slechte nieuws, Al Jackson kwam zelf ook voortijdig aan zijn einde. In 1975 werd hij doodgeschoten in zijn huis in Memphis. Jackson zou zijn vermoord door inbrekers, maar uit het huis was niets ontvreemd en hij had zijn portemonnee nog op zak. Drie verdachten, onder wie Jacksons ex-vrouw, werden niet vervolgd. De zaak is nooit opgelost.

Jones weet ook nog steeds niet hoe de vork in de steel zit. “Die beroving klinkt me onlogisch in de oren. De politie heeft de zaak niet grondig onderzocht. Er is inderdaad ook een verhaal dat zijn ex-vrouw hem doodgeschoten heeft, maar dat was de eerste keer. Hij is namelijk twee keer neergeschoten. Van de eerste keer was hij hersteld. Hij was zelfs in staat om naar Californië te reizen. Ik heb hem toen gezien. Hij liet me de kogelwond op zijn borst zien. Verschrikkelijk. Dat was weken voor de fatale schietpartij. Ik dacht toen dat het was opgelost. De tweede keer is hij door iemand anders neergeschoten, niet door zijn ex. Maar wie het wel heeft gedaan weet ik dus niet.”

Jacksons sloppy drumstijl was bepalend voor de Stax-sound en de MGs. “Toen we Al Jackson verloren, zijn we veel kwijtgeraakt. The MGs hebben sindsdien nooit meer hetzelfde geklonken. Het is nog steeds een geweldige band, maar het is toch anders”, treurt Booker nog altijd. “Al had zo veel input in de band. Hij was een grote creatieve bron die afgesneden is.”

Jones noemt Jackson meerdere malen tijdens het interview, een teken dat de drummer nog altijd veel voor hem betekent. “Zijn dood heeft zijn weerslag gehad op mijn hele leven. Hij was mijn beste vriend.”

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

woensdag 17 februari 2010

Bill Withers: Een of andere zwarte man met een gitaar


Met dierbare standards als Ain't No Sunshine en Lean On Me heeft Bill Withers een plek in de galerij der groten verworven. Tegenwoordig komt er weinig muziek meer uit hem, maar wel een nieuwe documentaire.

Het is 1970 en de 32-jarige Bill Withers kan wel wat goed nieuws gebruiken. Zijn vriendin heeft de benen genomen. Inbrekers hebben zijn flat leeggehaald. Bij Boeing, waar Bill vliegtuigtoiletten maakt, is een ontslagronde aangekondigd. De eindeloze rondes langs platenmaatschappijen lopen op niets uit. De hoop op een carrière in de muziek, waarvoor Withers na negen jaar afzwaaide bij de marine en naar Los Angeles verhuisde, heeft hij zo goed als opgegeven. Voor de A&R-managers die hem keer op keer afwezen, heeft hij een cynische bijnaam bedacht: Antagonistic & Redundant.

Op een goede dag krijgt Withers een telefoontje van Ray Jackson van de Watts 103rd Street Rhythm Band (bekend van het hitje Express Yourself met Charles Wright). Jackson helpt Withers met het opnemen en shoppen van zijn demo's . Hij heeft beet bij het kleine labeltje Sussex. Eigenaar Clarence Avant is lyrisch over Withers' songs.

Voor hij het goed en wel beseft zit Withers in zijn huiskamer Ain't No Sunshine te spelen voor Booker T. Jones (Booker T. & The MG's), die zijn debuutalbum gaat produceren. "Ik verontschuldigde me dat ik nog geen tekst voor de brug had geschreven, dus ik herhaalde steeds I Know. Maar Booker zei: laat het zo."



Just As I Am
In juli 1971 duikt Bill Withers de studio in om zijn debuutalbum op te nemen met Booker T. & The MG's. Minus gitarist Steve Cropper dan, in zijn plaats is Stephen Stills.

Bill is bloednerveus. Hij schreef zijn nummers op het ritme van fabrieksmachines en met een akoestische gitaar in de huiskamer, met de bedoeling dat niet hij, maar anderen die zouden opnemen. En nu staat hij in een professionele opnamestudio met de beste muzikanten die je kunt krijgen.

Om Withers een vertrouwd gevoel te geven heeft Booker een krat neergezet, waarop Bill met zijn linkervoet het ritme stampt. Net als thuis. "Toch was ik zenuwachtig, tot Graham Nash, ja die Graham Nash, recht voor me ging zitten en met dat prachtige Engelse accent zei: je hebt geen idee hoe goed je bent. Wees gewoon jezelf en zing." En zie daar de titel van het album: Just As I Am.

Een even simpele als treffende titel. Just As I Am is een klein wonder van puurheid. Typisch een schepping die in de eenzaamheid van een zolderkamer tot stand is gekomen, zonder storende invloeden van buitenaf. In een tijd dat soul steeds meer sophisticated, psychedelisch en funky werd, klinkt Just As I Am een beetje ouderwets. Niet in de zin dat de muziek gedateerd is - daarvoor zijn de songs te urgent - maar in de zin van tijdloosheid. Just As I Am bevindt zich in zijn eigen tijdscapsule. Withers' komaf, hij groeide op in een afgelegen mijnwerkersdorp in West Virginia, is een belangrijke factor in het rootsy geluid.

Just As I Am is onmogelijk te categoriseren: is het soulfulle singer-songwriter, of singer-songwritersoul? "Ik was een of andere zwarte man op een stoel met een akoestische gitaar", omschrijft Withers achteraf de verwarring. Just As I Am is simpelweg een genre op zichzelf.

Bijna veertig jaar later heeft Just As I Am nog niets aan urgentie en schoonheid verloren. Het album is een krachtig staaltje rauwe emotie, intiem alsof Bill Withers je in zijn dagboek laat lezen. De teksten zijn doorleefd.

Grandma's Hands is een gevoelig, bluesy en ingetogen eerbetoon aan zijn oma die hem opvoedde (Withers' vader stierf toen hij twaalf was). Ain't No Sunshine en Hope She'll Be Happier zijn vermoedelijk autobiografisch (Withers’ vriendin had hem net verlaten). Zelfs de meest koele kikker zal niet ongevoelig zijn voor de pijn en eenzaamheid die Withers voelbaar maakt op Hope She'll Be Happier, over een man die 's avonds laat treurt om zijn vriendin die er met een ander vandoor is. Dat geldt ook voor I'm Her Daddy, over een man die na jaren tot zijn ontsteltenis en verdriet erachter komt dat hij een dochter heeft.

Het compacte album - slechts 35 minuten - heeft geen enkel zwak of loos moment en laat de luisteraar na afloop snakken naar meer.

Dat ondanks de verontrustende en ijzingwekkende slotakte Better Off Dead, vertelt door de ogen van een chronische en onverbeterlijke alcoholist die zelfmoord pleegt nadat zijn vrouw bij hem wegloopt. Het album eindigt met een pistoolschot. De luisteraar blijft muisstil achter.



Just As I Am wordt een groot succes. Ain't No Sunshine wordt een top-10 hit en levert Withers een Grammy op.

Still Bill
Hoe maak je een waardig vervolg op zo'n verbluffend debuut? Het kostte Bill Withers schijnbaar geen enkele moeite met Still Bill (1972). Tussen het toeren door neemt hij het album op met leden van The Watts 103rd Street Rhythm Band, die zijn tourband vormen. De muziek is rijker georkestreerd en meer sophisticated dan Just As I Am, maar heeft niets aan zijn earthiness verloren. Opvallend is hoe de muziek retefunky is en toch ingetogen en gecontroleerd. Dat is grotendeels toe te schrijven aan het ontspannen en onderkoelde spel van drummer James Gadson.

Still Bill is niet zo emotioneel intens als zijn voorganger. Daar staat tegenover dat de teksten op een nog hoger literair niveau staan. Withers vertelt meer schetsmatig en bedekt (en dus meer aan de verbeelding overlatend) over situaties en personages, opnieuw verhalend over zieke relaties, zoals een man die zijn vrouw van vreemdgaan verdenkt (Who Is He (And What Is He To You)?), een man die in weerwil van de adviezen van familie en vrienden in verwikkeld is in een strikt op lust gebaseerde relatie (Use Me). Withers brengt ook een ode aan de solidariteit in het kleine mijnwerkersstadje waarin hij opgroeide (Slab Fork, West Virginia) met Lean On Me.

Elk nummer op Still Bill is een klassieker: Who is He (And What is He to You?), Use Me, Kissing My Love, en natuurlijk het veel gecoverde Lean On Me. Still Bill is een broeierige, gelaagde plaat die steeds meer prijsgeeft. Still Bill is een afspiegeling van de plotselinge wending die Withers leven in korte tijd had genomen: van een ploeterende fabrieksarbeider naar een ster, van een eenvoudige plattelandsjongen die verzeild is geraakt in de grote stad tussen grotestadsmensen, maar in zijn hart nog de mijnwerkerszoon is.



Ook Still Bill wordt een hit. Lean On Me en Use Me en het album zelf gaan goud en staan wekenlang op 1. Lean On Me groeit uit tot een standard, dankzij covers door Mud en Club Nouveau. Creative Source scoort in 1974 een hit met Who Is He (And What Is He To You?).

Live at Carnegie Hall
Live at Carnegie Hall is de documentatie van een glorieuze avond in oktober 1972. Dat is al direct duidelijk bij het openingsnummer Use Me, waarbij het dak van de prestigieuze concertzaal er al af gaat. De intimiteit en interactie met het publiek is verbluffend, zie in zo’n grote zaal maar eens een huiskamersfeer te creëren. Het concert heeft de magische sfeer van zo'n avond waarop alles klopt.

Bill Withers wordt opnieuw begeleid door de Watts 103rd Street Rhythm Band en sluit muzikaal daarom naadloos aan op Still Bill, dat enkele maanden eerder werd uitgebracht. Hoogtepunten zijn Use Me - smaakvol aangevuld met bluesy gitaaraccenten van Benorce Blackmon, een opgefunkte versie van Better Off Dead - wat een sublieme opbouw!, het machinaal en toch akoestisch klinkende Lonely Town, Lonely Street en het bloedstollende anti-oorlogspamflet I Can't Write Lefthanded, verteld door de ogen van een verminkte veteraan.



Het makken van liveplaten is vaak dat in de energie van het livemoment de details van de oorspronkelijke versies verloren gaan. Maar dat geldt niet voor Live at Carnegie Hall. De muziek is even strak en zorgvuldig gespeeld als in de studio, nergens gehaast. De opwinding van de avond komt onverminderd de huiskamer binnen. Het is daarom een van de beste liveplaten ooit gemaakt.

Live at Carnegie Hall markeert het einde van Withers' prime. Niet dat het hierna bergafwaarts ging, er valt nog veel moois te beleven. Maar Withers' latere albums missen de eigenzinnigheid, spontaniteit en de magie van zijn eerste drie platen. Daarom behandel ik die selectief en beknopter.

+'Justments
+'Justments (1974) is een lastige plaat. Door de donkere, gedesillusioneerde toon (wellicht omdat zijn kortstondige huwelijk met actrice Denise Nichols dat jaar op de klippen was gelopen?) lijkt de muziek taai. Het geluid van +'Justments borduurt voort op het groovy Still Bill, maar is hermetischer gearrangeerd. Hoogtepunten zijn You, The Same Love That Made Me Love, Can We Pretend (met Jose Feliciano), het mooie Make a Smile For Me en het spannend funky Railroad Man.



+'Justments was Withers’ laatste plaat voor Sussex (het label ging korte tijd later failliet), eigenlijk de laatste echte Bill Withers plaat waar hij volledig zijn eigen geluid heeft. Wel begint de formule slijtageplekken te vertonen en dat besefte Withers zelf ook: direct na de voltooiing verbrak hij de samenwerking met de 103rd Street Watts Band. +'Justments is niet zo'n memorabel album als zijn voorgangers en bevat geen Bill Withers-klassiekers als Grandma's Hands. Het is daarom een van zijn meest ondergewaardeerde platen. Het duurt lang voordat +'Justments zich in je hart en hoofd nestelt, maar het is de investering zonder meer waard.

Making Music
Na een juridische strijd met het failliete Sussex over rechten, tekent Bill Withers bij de major Columbia, in de hoop van de problemen van een klein label af te zijn. Zijn eerste release voor zijn nieuwe werkgever is Making Music (1975). De sfeer is luchtig, al zijn de arrangementen overdadiger. Make Love To Your Mind, Sometimes a Song en Don't You Want to Stay? zijn stand-outs, maar verder boet het album aan kracht in door kitscherige strijkers en minder geïnspireerde composities.



Naked & Warm
Liefhebbers van de funky Bill Withers komen volledig aan hun trekken met Naked & Warm (1976). Withers heeft peper in zijn reet op puntige tracks als de single Close to Me, Naked & Warm, Where Are You en Dreams. Withers unieke eigen geluid is nu voorgoed overboord gezet en wellicht daarom wordt Naked & Warm vaak over het hoofd gezien, maar het is beslist een van Withers’ betere platen uit zijn latere periode. Hoog tijd voor een reissue.



Menagerie
Menagerie (1977) is typisch een plaat van zijn tijd: slicke softfunk die licht naar disco neigt. Waar Withers eerst juist een observator was van het leven, is escapisme nu het credo. Liefhebbers van het organische geluid van het vroege Withers-werk zullen moeite hebben met het gladde, overgeproduceerde geluid. Met sterke nummers als de hit Lovely Day, Lovely Night for Dancing en Wintertime is Menagerie een prima, hoewel een onevenwichtig album waarop het eigen geluid van Withers ver te zoeken is.



'Bout Love / Watch You Watching Me
Withers’ laatste twee albums 'Bout Love (1979) en Watch You Watching Me (1985) mag je overslaan. Het is respectievelijk futloze, inwisselbare Quiet Storm en steriele jaren tachtig pop.

Just the Two of Us
Gefrustreerd over de muziekindustrie stopt Withers midden jaren tachtig met platen maken. Toch weet hij juist in deze tijd een blijvende plek te branden op het netvlies van het grote publiek, in Nederland althans. Met saxofonist Grover Washington, Jr. scoort hij in 1980 een grote hit met Just the Two of Us (1980), wat hem tevens zijn tweede Grammy oplevert. In 1987 wordt Withers genomineerd voor een Grammy dankzij de cover van Lean On Me door Club Nouveau. En dan is er nog de remix van Lovely Day door onze eigen mixmeester Ben Liebrand, die nummer 4 haalt in de Nederlandse Top 40 in oktober 1988.



Sporadisch duikt Withers nog eens op, zoals op Jimmy Buffetts album License to Chill (2004). In 2005 wordt hij opgenomen in de Songwriters Hall of Fame. Vorig jaar verscheen Soul Power, de integrale registratie van het concert rond de legendarische bokswedstrijd tussen Muhammad Ali en George Foreman in Zaïre in 1974, waar Bill Withers optrad naast James Brown, Etta James en B.B. King. Interviews geeft Withers zelden, maar hij werkte wel mee aan een documentaire over zijn leven en loopbaan, met de geruststellende titel Still Bill.



Na vier decennia is Bill Withers uitgegroeid tot een original wiens werk door velen is gecoverd. Ain’t No Sunshine, Lean On Me en Grandma's Hands zijn standards geworden. Ook nieuwe generaties blijven Bill Withers ontdekken. Zijn muziek is een dankbare bron van samples voor rappers, waarvan de hit No Diggety van Blackstreet (1996) het succesvolste voorbeeld is.

Bill de klusjesman
Muziek is tegenwoordig bijzaak voor Bill Withers. Alhoewel hij in zijn home studio in Beverly Hills nog wel wat aanklooit, neemt hij liever een hamer en een zaag ter hand. "Ik leef voor Home Depot (de Amerikaanse Gamma). Ik rijd liever rond in een oude pick-up truck met 'Bill de klusjesman’ op de zijkant om lekkende toiletpotten te repareren, dan te werken in de muziekindustrie. Gelukkig kan ik dankzij muziek het leven van een timmerman op stand leiden. Ik ben gek op hout, hamers, spijkers, bouten en moeren."



Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

woensdag 18 maart 2009

Booker T. & The MG's spelen als ze zin hebben


De legendarische soulband Booker T. & The MG’s toert even door Nederland. Gewoon omdat ze daar tijd voor hadden. En zin.

Klik hier voor het interview met Booker T. Jones

Wat doe je als band als je muziekgeschiedenis hebt geschreven en je inmiddels de pensioensgerechtigde leeftijd hebt behaald? Dan leun je lekker achterover en kom je alleen je stoel uit als het jou uitkomt. En zo is het minitoertje van Booker T. & The MG’s door Nederland, hun enige optredens in Europa, meteen een vakantie. De bandleden vlogen op eigen gelegenheid naar Amsterdam, dus gitarist Steve Cropper en bassist Donald ‘Duck’ Dunn zien elkaar voor het eerst in de lobby van hun hotel.
‘Jij was hier gisteren al? Ik ben vanmorgen aangekomen’, zegt Cropper. Dunn heeft zijn vrouw meegenomen. Hun vakantie begon slecht. ‘Er was een probleem met de boarding passes, waardoor we tijdens de vlucht niet bij elkaar zaten. Mijn vrouw was woedend.’

Bijna vijftig jaar zijn Booker T. & The MG’s al bij elkaar. Ze begonnen begin jaren zestig als studiomuzikanten bij Stax in Memphis, het toonaangevende soullabel van grootheden als Otis Redding en Isaac Hayes. Hun handelsmerk: de groove. Alles staat ten dienste van de groove. Bij toeval werden Booker T. & The MG’s zelf sterren, als ze in 1962 in verloren studio-uurtjes Green Onions in elkaar sleutelen, wat een grote hit werd en tot op de dag van vandaag nog wel eens opduikt in tv-reclames. Booker T. & The MG’s werd een van de hotste sessiebands.



Een halve eeuw later zijn ze elkaar nog niet zat. Cropper: ‘Dat komt doordat we elkaar ook niet zo vaak zien. We hebben allemaal onze eigen projecten waarmee we bezig zijn. Booker zit bijvoorbeeld nu in Londen om een plaat (Potato Hole) te promoten die hij met Neil Young en de Drive-By Truckers heeft opgenomen. En Donald en ik hebben een meegespeeld op een album van Guy Sebastian, de winnaar van Australian Idol.’
Dunn: ‘Ik denk dat als we een half jaar lang met elkaar opgescheept zitten in een toerbus, we elkaar de hersenen wel zullen inslaan!’

Maar wat is dan de chemie waardoor Booker T. & The MG’s al zo lang samen spelen?
Cropper: ‘We hebben precies dezelfde muzieksmaak. Duck en ik zijn al vrienden sinds de basisschool en hielden altijd van rhythm & blues, vanwege de groove en niet zozeer de melodie. Vandaar ook het minimalistische geluid van onze muziek. Ik hou ook van jazz en klassiek, maar ik zou het nooit spelen. Daar moet je veel voor oefenen. Maar misschien ben ik wel gewoon lui.’

Toch zijn jullie begin jaren zeventig uit elkaar gegaan.
Cropper: ‘Dat zegt iedereen, maar we hebben gewoon een tijdje geen platen samen opgenomen. We hadden het druk met onze eigen dingen.
Daarnaast hadden we problemen met het management van Stax. We waren inmiddels veelgevraagde sessiemuzikanten, maar Stax beperkte ons in onze carrièrekansen. Booker moest bijvoorbeeld Simon & Garfunkel laten schieten en ik Frank Sinatra Jr. Plus er waren geschillen over de rechten. Dus Booker vertrok en daarna ik.
Maar soms speelden we nog wel samen, bijvoorbeeld in de Blues Brothers Band. We maken vaak de grap dat Booker en ik al vijftig keer gescheiden en hertrouwd zijn. Het is trouwens wel vaker voorgekomen dat we incompleet waren. In de jaren zestig is Booker er een paar jaar tussenuit geweest om te studeren. Isaac Hayes speelde dan vaak toetsen. Er zijn ook wel Booker T. & The MG’s platen met Isaac in plaats van Booker. Bootlegs dan. Zelfs wij horen niet of het Booker of Isaac is.’

Dunn: ‘Ik weet nog wel dat we ergens moesten optreden, en de zaal wilde per se Booker T. & The MG’s. Maar in plaats van Booker hadden we Isaac meegenomen. Niemand had het in het begin door, maar tijdens het derde nummer riep een meisje opeens: 'hé, dat is Booker T. helemaal niet!' Isaac probeerde zich achter zijn orgel te verschuilen.’



Jullie hebben op heel wat historische platen meegespeeld, bijvoorbeeld Sittin’ on the Dock of the Bay van Otis Redding. Beseften jullie destijds de waarde van jullie muziek?
Cropper: ‘Nee, we wisten helemaal niet waarmee we bezig waren. We wisten niet eens of iets een hit zou worden. Soms dachten we dat iets een hit zou worden, en dat werd het niet. En omgekeerd. De oprichter van Stax, Jim Stewart, vond het nooit goed genoeg.’

Dunn: ‘Dan zat hij achter dat raam in de studio met een ongeïnteresseerde kop. Soms leek het net alsof hij lag te slapen van verveling.’

Cropper: ‘Maar met die benadering wist hij wel het beste uit ons te halen. Hij leerde je te vechten voor waar je in geloofde, en je idee steeds meer te perfectioneren. Maar man, wat was hij moeilijk. Ik weet nog dat we met pijn en moeite Knock on Wood hadden opgenomen met Eddie Floyd. ‘Cropper, dit is gewoon ruk’, zei Jim. Vervolgens bleef het negen maanden op de plank liggen. We hebben het uiteindelijk op onze eigen kosten uitgebracht. Wat denk je? Het werd een grote hit.’

Veel oude bands zijn futloze oldies acts. Jullie niet. Hoe houden jullie de muziek fris?
Cropper: ‘Wat we net al zeiden, doordat we elkaar niet zo vaak zien. En we zien het niet als werk. We doen alleen maar dingen die wel leuk vinden. Als ik thuis kom dan smijt ik mijn gitaar in de hoek en pak ik mijn golfclubs.’
Dunn: ‘Of vishengel.’

Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers

woensdag 15 februari 2006

Booker T. & The MG’s: Architecten van de soul

V.l.n.r. Donald "Duck" Dunn, Booker T. Jones en Steve Cropper.

Als huisband van het Stax-label verkeerden Booker T. & The MG’s in de benijdenswaardige positie om grootheden als Aretha Franklin, Otis Redding, Wilson Pickett, Carla en Rufus Thomas en Sam & Dave te mogen begeleiden. Tussen de bedrijven door timmerden ze nog een handjevol klassiekers als Green Onions in elkaar. Je kunt stellen dat Booker T. & The MG’s architecten van de soul zijn.
Booker T. & The MG’s speelden op meer dan 600 Stax-opnames en kunnen soul standards als Eddy Floyds Knock on Wood, Otis Reddings (Sittin’ on) the Dock of the Bay en Wilson Picketts In the Midnight Hour op hun conto schrijven. Het geluid van Booker T. & The MG’s kenmerkt zich door een verbluffende eenvoud. Geen ingewikkelde solo’s, maar slechts accenten, zoals de stuwende Hammond-tonen van Jones en de vlijmscherpe gitaarriffs van Cropper. De muziek drijft puur op de bluesy, economische grooves en de bijna telepathische chemie tussen de bandleden.
In hun hoogtijdagen waren Booker T. & The MG’s de coolste studioband ter wereld (voor zover je kunt spreken van ‘coole’ studiobands). Ontelbare bands probeerden hun sound te kopiëren. Het spaarzame Booker T. & The MG’s-geluid is duidelijk terug te horen in de muziek van The Meters uit New Orleans, die daarmee op hun beurt de blauwdruk voor de funk leverden. Veel groove-jazzmuzikanten uit eind jaren zestig als Jimmy Smith en Jimmy McGriff hebben goed geluisterd naar Booker T. & The MG’s. In de acidjazzscene is hun muziek veertig jaar na dato nog steeds hip. Green Onions, hun grootste hit, duikt nog wel eens op in tv-reclames.
Zwart-wit
Niet alleen op muzikaal vlak waren Booker T. & The MG’s pioniers. Met de zwarte Booker T. Jones en Al Jackson Jr. en de blanke Steve Cropper en Donald “Duck” Dunn waren Booker T. & The MG’s een van de eerste ‘geïntegreerde’ bands. In de jaren zestig in het zuiden van Amerika en tijdens de hoogtijdagen van de zwarte emancipatiestrijd, was dat nogal wat. De bandleden zelf zijn daar vrij nuchter over. “Muzikanten denken daar nooit over na”, aldus Dunn in 2001 tegen het Britse muziekblad Mojo.
Multi-instrumentalist Jones – hij beheerste als kind al de saxofoon, hobo, trombone en piano – kwam in 1960 als sessiemuzikant in dienst bij het kersverse Stax Records in Memphis. Hij speelde baritonsax op de eerste hit van Stax, Cause I Love You van Rufus en Carla Thomas. Jones speelde eerder bas en saxofoon bij lokale bandleiders als Willie Mitchell. Daar leert hij drummer Jackson kennen, die hem volgt naar Stax. In 1962 stapt gitarist Cropper uit de blanke (!) rhythm & bluesband The Mar-Keys om als sessiemuzikant bij Stax in dienst te treden. In 1961 hadden The Mar-Keys een hit gescoord met Last Night, waardoor ze het hele land door toerden met Ike & Tina Turner, James Brown en Chuck Berry. Eveneens afkomstig van The Mar-Keys is bassist Dunn, die zich in 1962 bij de Memphis Group voegt.
Green Onions
Op een hete zomermiddag in 1962 zitten Jones, Cropper, Jackson en bassist Lewie Steinberg in de Stax-studio op 926 East McLemore Avenue, een oud theater, vergeefs te wachten tot rockabillyzanger Billy Lee Riley komt opdagen voor zijn opnamesessie. Om de tijd te doden begint de band wat te jammen en na drie takes hebben ze op band wat de doorbraak van de band en Stax zou worden: Green Onions. De sturende Hammond-groove van Jones en de snijdende gitaarlick van Cropper maken het nummer tot een onvermijdelijke hit. Green Onions schiet naar nummer 3 in de hitlijsten. In tegenstelling tot tegenwoordig was het in die tijd geen zeldzaamheid dat instrumentale nummers hits werden. Ook het aanstekelijke gelijknamige debuutalbum, dat eveneens volledig instrumentaal is en naast eigen composities (Mo’ Onions) ook een handjevol hitcovers (o.a. Twist and Shout) bevat, gaat als zoete broodjes over de toonbank.
Otis Redding
In het najaar van 1962 schrijven Booker T. & The MG’s geschiedenis als na een vruchteloze opnamesessie met Johnny Jenkins & The Pinetoppers een 21-jarige zanger met de naam Otis Redding een half uurtje krijgt om zijn ballad These Arms of Mine op te nemen. De aanwezigen zijn overdonderd door het talent en charisma van de jongeman en These Arms of Mine bereikt binnen een mum van tijd de R&B-top-20. De carrière van een soullegende was geboren.
Het succes heeft echter tot gevolg dat er amper tijd meer was voor de Booker T. & The MG’s zelf. De band wist het succes van Green Onions niet meer te evenaren, maar was als backing band de gouden kip van Stax. Dat betekende al hun tijd ging zitten in het begeleiden van andere artiesten van het label, zoals Carla Thomas en vader Rufus, Sam & Dave, William Bell, Eddie Floyd en Albert King. Eigen opnames moesten gemaakt worden in overgebleven tijd na andere sessies of als een artiest niet kwam opdagen. “Het kwam nooit voor dat we een week de studio boekten om als Booker T. & The MG’s opnames te maken”, zei Cropper.
De werkdruk is groot. Daar kwam bij dat Jones besloot zijn muziekstudie aan de Indiana University besloot af te maken. Cropper doet veel sessiewerk in Los Angeles. Ook wordt de band regelmatig ingehuurd door artiesten die niet op Stax zitten, zoals soulzanger Wilson Pickett. “We zaten letterlijk vijftien uur per dag in de studio”, zegt Cropper. “We werkten voor zeventien of achttien artiesten, dus we hadden een behoorlijk druk schema.”
Met het succes beginnen ook de problemen. Cropper is naast muzikant ook A&R-manager van Stax, en dat leidt tot scheve ogen binnen de groep. Ook vinden de bandleden dat ze niet genoeg betaald krijgen, terwijl zij de drijvende kracht achter het succes van Stax zijn. De voortijdige dood van Redding eind 1967, met wie ze eerder dat jaar nog een Europese tournee en legendarisch optreden op het Monterey Pop Festival hadden gedaan, slaat in als een bom. Postuum sleutelt een rouwende Cropper nog (Sittin’ ON) the Dock of the Bay in elkaar, wat Reddings handelsmerk wordt.
Martin Luther King
Als in het voorjaar van 1968 Martin Luther King in Memphis wordt vermoord, verandert dat voorgoed de verhoudingen tussen blanke en zwarte muzikanten bij Stax en in Memphis. “Het was een verschrikkelijke tijd”, herinnert Dunn zich. “Een dag later stond ik voor de deur bij Stax met Isaac Hayes en David Porter, en de politie reed langs, sprongen uit hun wagen en vroegen of er wat aan de hand was. Het was een afschuwelijke situatie.”
“Veel dingen veranderen ingrijpend in Memphis”, vult Cropper aan.
In dezelfde periode hebben Booker T. & The MG’s wel de commerciële wind in de rug. Hip Hug-Her, Groovin’, Soul Limbo, Hang ‘em High en Time is Tight halen allemaal de top 40 tussen 1967 en 1969.
Bergafwaarts
Maar Stax heeft inmiddels de banden met moederbedrijf Atlantic doorgesneden en oprichter Jim Stewart verkoopt Stax in 1968 aan Gulf & Western. Vanaf dat moment gaat het vanwege slechte distributie bergafwaarts met het label. In 1970 kopen Stewart en Al Bell Stax terug en beginnen onderhandelingen met Columbia. Een tijdperk van schimmige zakendeals breekt aan en het Stax-kantoor werd gefrequenteerd door louche types. Uiteindelijk gaat Stax in 1974 op de fles en in 1976 definitief failliet.
Het familiegevoel van vroeger was begin jaren zeventig bij Stax verdwenen en Booker T. & The MG’s voelde zich niet meer thuis op het label. Bovendien was de band uitgekeken op zijn formule, en zocht naar nieuwe wegen. McLemore Avenue uit 1970, een interpretatie van Abbey Road van The Beatles, is daarvan een getuigschrift. Na het saillant genoeg in New York opgenomen Melting Pot uit 1971 stapt Jones uit de band en vertrekt naar Los Angeles, waar hij producer wordt voor A&M Records. Hij bezorgt Bill Withers een hit met Ain’t No Sunshine en produceert Willie Nelsons album Stardust. Jones trouwt met Priscilla Coolidge (de zus van Rita) en maakt met haar drie albums. Cropper volgt Jones naar de westkust en bouwt in een vervallen deel van Santa Monica Boulevard Cropper zijn Trans-Maximus Studio (TMI). Jackson en Dunn blijven bij Stax en maken nog een album als de MG’s. Daarnaast drumt Jackson nog bij Al Green.
Na een paar jaar beginnen de bandleden elkaar te missen. In september 1975 togen Dunn en Jackson, die Stax trouw waren gebleven en nog een album als The MG’s hadden opgenomen, naar LA voor een reünie.
Moord
Maar dan slaat het noodlot toe. Amper een week later, op 1 oktober 1975, wordt Jackson in zijn huis aan Central Avenue in Memphis doodgeschoten. Tot op de dag van vandaag is de moord onopgelost. Jacksons ex-vrouw Barbara beweert dat inbrekers haar en Jackson hadden vastgebonden, en hem vervolgens hebben doodgeschoten. De politie twijfelt aan Barbara’s relaas, want er zijn geen braaksporen en er is niets ontvreemd. Barbara had bovendien twee maanden eerder ook haar nieuwe echtgenoot neergeschoten. De verdenking valt ook op zangeres Denise LaSalle en de voortvluchtige crimineel Nate Doyle die op de gewraakte dag bij Jacksons woning zijn gesignaleerd. Doyle wordt een jaar later door de FBI in Seattle doodgeschoten.
Tegenwoordig is Booker T. & The MG’s een losvast project van Jones, Cropper en Dunn. Ze vormden het hart van de Blues Brothers Band. Atlantic Records huurde Booker T. & The MG’s in 1986 als begeleidingsband voor de viering van het 40-jarig bestaan van het label. In 1992 vroeg Bob Dylan hen als begeleidingsband voor Bobfest, het concert ter ere van zijn 30-jarige jubileum. Datzelfde jaar kregen Booker T. & The MG’s een welverdiende plaats in de Rock and Roll Hall of Fame. In 1994 maakten ze hun laatste album, That’s the Way it Should Be. Booker T. & The MG's deden meerdere tournees met Neil Young. De band treedt nog geregeld op. Na bijna een halve eeuw is het vuur en de vriendschap nog niet gedoofd.

Discografie
1962 Green Onions
1965 Soul Dressing
1966 In the Christmas Spirit
1966 And Now! Booker T. & The MG’s
1967 Hip Hug-Her
1968 Doin’ Our Thing
1968 Soul Limbo
1968 Uptight
1968 Get Ready
1970 McLemore Avenue
1971 Melting Pot
1973 The MGs
1994 That’s the Way it Should Be

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.