vrijdag 19 maart 2010

Naturetone - Nihon


Mijn goede vriend Patric Geissbühler a.k.a. Naturetone uit Bern heeft zijn eerste solo-album uitgebracht sinds Three Tree Posse, de groep die de Zwitserse hiphop pionierde. Als Nipponfiel was het onvermijdelijk dat Japan het thema van Nihon zou worden. Het album staat vol atmosferische instrumentale hiphop die gedetailleerd en gelaagd is opgebouwd en voortdurend evolueert. Naturetone verweeft subtiel en smaakvol traditionele Japanse instrumenten in de mix. Nihon is hier gratis te beluisteren en te downloaden.

woensdag 17 februari 2010

Bill Withers: Een of andere zwarte man met een gitaar


Met dierbare standards als Ain't No Sunshine en Lean On Me heeft Bill Withers een plek in de galerij der groten verworven. Tegenwoordig komt er weinig muziek meer uit hem, maar wel een nieuwe documentaire.

Het is 1970 en de 32-jarige Bill Withers kan wel wat goed nieuws gebruiken. Zijn vriendin heeft de benen genomen. Inbrekers hebben zijn flat leeggehaald. Bij Boeing, waar Bill vliegtuigtoiletten maakt, is een ontslagronde aangekondigd. De eindeloze rondes langs platenmaatschappijen lopen op niets uit. De hoop op een carrière in de muziek, waarvoor Withers na negen jaar afzwaaide bij de marine en naar Los Angeles verhuisde, heeft hij zo goed als opgegeven. Voor de A&R-managers die hem keer op keer afwezen, heeft hij een cynische bijnaam bedacht: Antagonistic & Redundant.

Op een goede dag krijgt Withers een telefoontje van Ray Jackson van de Watts 103rd Street Rhythm Band (bekend van het hitje Express Yourself met Charles Wright). Jackson helpt Withers met het opnemen en shoppen van zijn demo's . Hij heeft beet bij het kleine labeltje Sussex. Eigenaar Clarence Avant is lyrisch over Withers' songs.

Voor hij het goed en wel beseft zit Withers in zijn huiskamer Ain't No Sunshine te spelen voor Booker T. Jones (Booker T. & The MG's), die zijn debuutalbum gaat produceren. "Ik verontschuldigde me dat ik nog geen tekst voor de brug had geschreven, dus ik herhaalde steeds I Know. Maar Booker zei: laat het zo."



Just As I Am
In juli 1971 duikt Bill Withers de studio in om zijn debuutalbum op te nemen met Booker T. & The MG's. Minus gitarist Steve Cropper dan, in zijn plaats is Stephen Stills.

Bill is bloednerveus. Hij schreef zijn nummers op het ritme van fabrieksmachines en met een akoestische gitaar in de huiskamer, met de bedoeling dat niet hij, maar anderen die zouden opnemen. En nu staat hij in een professionele opnamestudio met de beste muzikanten die je kunt krijgen.

Om Withers een vertrouwd gevoel te geven heeft Booker een krat neergezet, waarop Bill met zijn linkervoet het ritme stampt. Net als thuis. "Toch was ik zenuwachtig, tot Graham Nash, ja die Graham Nash, recht voor me ging zitten en met dat prachtige Engelse accent zei: je hebt geen idee hoe goed je bent. Wees gewoon jezelf en zing." En zie daar de titel van het album: Just As I Am.

Een even simpele als treffende titel. Just As I Am is een klein wonder van puurheid. Typisch een schepping die in de eenzaamheid van een zolderkamer tot stand is gekomen, zonder storende invloeden van buitenaf. In een tijd dat soul steeds meer sophisticated, psychedelisch en funky werd, klinkt Just As I Am een beetje ouderwets. Niet in de zin dat de muziek gedateerd is - daarvoor zijn de songs te urgent - maar in de zin van tijdloosheid. Just As I Am bevindt zich in zijn eigen tijdscapsule. Withers' komaf, hij groeide op in een afgelegen mijnwerkersdorp in West Virginia, is een belangrijke factor in het rootsy geluid.

Just As I Am is onmogelijk te categoriseren: is het soulfulle singer-songwriter, of singer-songwritersoul? "Ik was een of andere zwarte man op een stoel met een akoestische gitaar", omschrijft Withers achteraf de verwarring. Just As I Am is simpelweg een genre op zichzelf.

Bijna veertig jaar later heeft Just As I Am nog niets aan urgentie en schoonheid verloren. Het album is een krachtig staaltje rauwe emotie, intiem alsof Bill Withers je in zijn dagboek laat lezen. De teksten zijn doorleefd.

Grandma's Hands is een gevoelig, bluesy en ingetogen eerbetoon aan zijn oma die hem opvoedde (Withers' vader stierf toen hij twaalf was). Ain't No Sunshine en Hope She'll Be Happier zijn vermoedelijk autobiografisch (Withers’ vriendin had hem net verlaten). Zelfs de meest koele kikker zal niet ongevoelig zijn voor de pijn en eenzaamheid die Withers voelbaar maakt op Hope She'll Be Happier, over een man die 's avonds laat treurt om zijn vriendin die er met een ander vandoor is. Dat geldt ook voor I'm Her Daddy, over een man die na jaren tot zijn ontsteltenis en verdriet erachter komt dat hij een dochter heeft.

Het compacte album - slechts 35 minuten - heeft geen enkel zwak of loos moment en laat de luisteraar na afloop snakken naar meer.

Dat ondanks de verontrustende en ijzingwekkende slotakte Better Off Dead, vertelt door de ogen van een chronische en onverbeterlijke alcoholist die zelfmoord pleegt nadat zijn vrouw bij hem wegloopt. Het album eindigt met een pistoolschot. De luisteraar blijft muisstil achter.



Just As I Am wordt een groot succes. Ain't No Sunshine wordt een top-10 hit en levert Withers een Grammy op.

Still Bill
Hoe maak je een waardig vervolg op zo'n verbluffend debuut? Het kostte Bill Withers schijnbaar geen enkele moeite met Still Bill (1972). Tussen het toeren door neemt hij het album op met leden van The Watts 103rd Street Rhythm Band, die zijn tourband vormen. De muziek is rijker georkestreerd en meer sophisticated dan Just As I Am, maar heeft niets aan zijn earthiness verloren. Opvallend is hoe de muziek retefunky is en toch ingetogen en gecontroleerd. Dat is grotendeels toe te schrijven aan het ontspannen en onderkoelde spel van drummer James Gadson.

Still Bill is niet zo emotioneel intens als zijn voorganger. Daar staat tegenover dat de teksten op een nog hoger literair niveau staan. Withers vertelt meer schetsmatig en bedekt (en dus meer aan de verbeelding overlatend) over situaties en personages, opnieuw verhalend over zieke relaties, zoals een man die zijn vrouw van vreemdgaan verdenkt (Who Is He (And What Is He To You)?), een man die in weerwil van de adviezen van familie en vrienden in verwikkeld is in een strikt op lust gebaseerde relatie (Use Me). Withers brengt ook een ode aan de solidariteit in het kleine mijnwerkersstadje waarin hij opgroeide (Slab Fork, West Virginia) met Lean On Me.

Elk nummer op Still Bill is een klassieker: Who is He (And What is He to You?), Use Me, Kissing My Love, en natuurlijk het veel gecoverde Lean On Me. Still Bill is een broeierige, gelaagde plaat die steeds meer prijsgeeft. Still Bill is een afspiegeling van de plotselinge wending die Withers leven in korte tijd had genomen: van een ploeterende fabrieksarbeider naar een ster, van een eenvoudige plattelandsjongen die verzeild is geraakt in de grote stad tussen grotestadsmensen, maar in zijn hart nog de mijnwerkerszoon is.



Ook Still Bill wordt een hit. Lean On Me en Use Me en het album zelf gaan goud en staan wekenlang op 1. Lean On Me groeit uit tot een standard, dankzij covers door Mud en Club Nouveau. Creative Source scoort in 1974 een hit met Who Is He (And What Is He To You?).

Live at Carnegie Hall
Live at Carnegie Hall is de documentatie van een glorieuze avond in oktober 1972. Dat is al direct duidelijk bij het openingsnummer Use Me, waarbij het dak van de prestigieuze concertzaal er al af gaat. De intimiteit en interactie met het publiek is verbluffend, zie in zo’n grote zaal maar eens een huiskamersfeer te creëren. Het concert heeft de magische sfeer van zo'n avond waarop alles klopt.

Bill Withers wordt opnieuw begeleid door de Watts 103rd Street Rhythm Band en sluit muzikaal daarom naadloos aan op Still Bill, dat enkele maanden eerder werd uitgebracht. Hoogtepunten zijn Use Me - smaakvol aangevuld met bluesy gitaaraccenten van Benorce Blackmon, een opgefunkte versie van Better Off Dead - wat een sublieme opbouw!, het machinaal en toch akoestisch klinkende Lonely Town, Lonely Street en het bloedstollende anti-oorlogspamflet I Can't Write Lefthanded, verteld door de ogen van een verminkte veteraan.



Het makken van liveplaten is vaak dat in de energie van het livemoment de details van de oorspronkelijke versies verloren gaan. Maar dat geldt niet voor Live at Carnegie Hall. De muziek is even strak en zorgvuldig gespeeld als in de studio, nergens gehaast. De opwinding van de avond komt onverminderd de huiskamer binnen. Het is daarom een van de beste liveplaten ooit gemaakt.

Live at Carnegie Hall markeert het einde van Withers' prime. Niet dat het hierna bergafwaarts ging, er valt nog veel moois te beleven. Maar Withers' latere albums missen de eigenzinnigheid, spontaniteit en de magie van zijn eerste drie platen. Daarom behandel ik die selectief en beknopter.

+'Justments
+'Justments (1974) is een lastige plaat. Door de donkere, gedesillusioneerde toon (wellicht omdat zijn kortstondige huwelijk met actrice Denise Nichols dat jaar op de klippen was gelopen?) lijkt de muziek taai. Het geluid van +'Justments borduurt voort op het groovy Still Bill, maar is hermetischer gearrangeerd. Hoogtepunten zijn You, The Same Love That Made Me Love, Can We Pretend (met Jose Feliciano), het mooie Make a Smile For Me en het spannend funky Railroad Man.



+'Justments was Withers’ laatste plaat voor Sussex (het label ging korte tijd later failliet), eigenlijk de laatste echte Bill Withers plaat waar hij volledig zijn eigen geluid heeft. Wel begint de formule slijtageplekken te vertonen en dat besefte Withers zelf ook: direct na de voltooiing verbrak hij de samenwerking met de 103rd Street Watts Band. +'Justments is niet zo'n memorabel album als zijn voorgangers en bevat geen Bill Withers-klassiekers als Grandma's Hands. Het is daarom een van zijn meest ondergewaardeerde platen. Het duurt lang voordat +'Justments zich in je hart en hoofd nestelt, maar het is de investering zonder meer waard.

Making Music
Na een juridische strijd met het failliete Sussex over rechten, tekent Bill Withers bij de major Columbia, in de hoop van de problemen van een klein label af te zijn. Zijn eerste release voor zijn nieuwe werkgever is Making Music (1975). De sfeer is luchtig, al zijn de arrangementen overdadiger. Make Love To Your Mind, Sometimes a Song en Don't You Want to Stay? zijn stand-outs, maar verder boet het album aan kracht in door kitscherige strijkers en minder geïnspireerde composities.



Naked & Warm
Liefhebbers van de funky Bill Withers komen volledig aan hun trekken met Naked & Warm (1976). Withers heeft peper in zijn reet op puntige tracks als de single Close to Me, Naked & Warm, Where Are You en Dreams. Withers unieke eigen geluid is nu voorgoed overboord gezet en wellicht daarom wordt Naked & Warm vaak over het hoofd gezien, maar het is beslist een van Withers’ betere platen uit zijn latere periode. Hoog tijd voor een reissue.



Menagerie
Menagerie (1977) is typisch een plaat van zijn tijd: slicke softfunk die licht naar disco neigt. Waar Withers eerst juist een observator was van het leven, is escapisme nu het credo. Liefhebbers van het organische geluid van het vroege Withers-werk zullen moeite hebben met het gladde, overgeproduceerde geluid. Met sterke nummers als de hit Lovely Day, Lovely Night for Dancing en Wintertime is Menagerie een prima, hoewel een onevenwichtig album waarop het eigen geluid van Withers ver te zoeken is.



'Bout Love / Watch You Watching Me
Withers’ laatste twee albums 'Bout Love (1979) en Watch You Watching Me (1985) mag je overslaan. Het is respectievelijk futloze, inwisselbare Quiet Storm en steriele jaren tachtig pop.

Just the Two of Us
Gefrustreerd over de muziekindustrie stopt Withers midden jaren tachtig met platen maken. Toch weet hij juist in deze tijd een blijvende plek te branden op het netvlies van het grote publiek, in Nederland althans. Met saxofonist Grover Washington, Jr. scoort hij in 1980 een grote hit met Just the Two of Us (1980), wat hem tevens zijn tweede Grammy oplevert. In 1987 wordt Withers genomineerd voor een Grammy dankzij de cover van Lean On Me door Club Nouveau. En dan is er nog de remix van Lovely Day door onze eigen mixmeester Ben Liebrand, die nummer 4 haalt in de Nederlandse Top 40 in oktober 1988.



Sporadisch duikt Withers nog eens op, zoals op Jimmy Buffetts album License to Chill (2004). In 2005 wordt hij opgenomen in de Songwriters Hall of Fame. Vorig jaar verscheen Soul Power, de integrale registratie van het concert rond de legendarische bokswedstrijd tussen Muhammad Ali en George Foreman in Zaïre in 1974, waar Bill Withers optrad naast James Brown, Etta James en B.B. King. Interviews geeft Withers zelden, maar hij werkte wel mee aan een documentaire over zijn leven en loopbaan, met de geruststellende titel Still Bill.



Na vier decennia is Bill Withers uitgegroeid tot een original wiens werk door velen is gecoverd. Ain’t No Sunshine, Lean On Me en Grandma's Hands zijn standards geworden. Ook nieuwe generaties blijven Bill Withers ontdekken. Zijn muziek is een dankbare bron van samples voor rappers, waarvan de hit No Diggety van Blackstreet (1996) het succesvolste voorbeeld is.

Bill de klusjesman
Muziek is tegenwoordig bijzaak voor Bill Withers. Alhoewel hij in zijn home studio in Beverly Hills nog wel wat aanklooit, neemt hij liever een hamer en een zaag ter hand. "Ik leef voor Home Depot (de Amerikaanse Gamma). Ik rijd liever rond in een oude pick-up truck met 'Bill de klusjesman’ op de zijkant om lekkende toiletpotten te repareren, dan te werken in de muziekindustrie. Gelukkig kan ik dankzij muziek het leven van een timmerman op stand leiden. Ik ben gek op hout, hamers, spijkers, bouten en moeren."



Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

woensdag 10 februari 2010

Gil Scott-Heron is herrezen uit de dood



‘Standing in the ruins of another Black man’s life.’
Het is misschien wel de comeback van het komende decennium en het vorige met terugwerkende kracht. Gil Scott-Heron (60) dreigde de rest van zijn dagen achter de tralies te slijten na de zoveelste arrestatie wegens drugsbezit, of hij zou stilletjes sterven in een Harlems crackhouse. Dat er na zestien jaar plotsklaps een nieuw album is, mag een klein wonder heten.

Lees ook:


Vaak heb ik het voorbije decennium gedacht: deze tijd schreeuwt om een Gil Scott-Heron plaat. De twijfelachtige verkiezing van George W. Bush, 9/11, de leugens rond de inval van Irak, de oorlog in Afghanistan, Guantánamo Bay, de verkiezing van Barack Obama als eerste zwarte president van Amerika. Wie kon de politieke turbulentie beter van commentaar voorzien dan Gil Scott-Heron? Maar Gil werd worstelde met een hardnekkige cocaïneverslaving, zat tussendoor in de gevangenis, was meer dood dan levend en zou zelfs hiv hebben. In een documentaire van Don Letts uit 2005 zag hij er zo afgetakeld uit dat de camera geen close-ups van hem maakte.

Godfather of rap
Een wonderkind was hij. Op zijn negentiende had Gil Scott-Heron (1949) al twee romans (The Vulture en The Nigger Factory) op zijn naam staan. Hij maakte zichzelf begin jaren zeventig onsterfelijk als de godfather of rap met The Revolution Will Not Be Televised (Gil bedacht de uitdrukking). Het spervuurgedicht voorgedragen op een funky beat inspireerde bijna twintig jaar later rappers als Public Enemy en Michael Franti.

In Gil Scott-Herons politieke teksten kregen zowel blank als zwart ervan langs, werden politici fijnzinnig en scherpzinnig gefileerd. Zonder prekerig te worden en de humor uit het oog te verliezen.

Gil Scott-Heron was een chroniqueur van het harde leven in het zwarte getto. Zelf nog clean als een dauwdruppel in een Alpenweide schreef hij invoelbare junkiedrama’s als The Bottle en Home is Where The Hatred Is. Soundtracks van een tragisch leven die later voor Scott-Heron zelf the story of his life werden. Hoe een intelligent persoon als Gil Scott-Heron zelf ten prooi kon vallen aan de gevaren waarover hij schreef, blijft een mysterie.



Het vergt weinig fantasie om te begrijpen dat I’m New Here een testament is van Gils eigen struggles. “I did not become someone different that I did not want to be”, verklaart hij op I’m New Here. “No matter how wrong you gone, you can always turn around.” Op Crutch observeert hij een andere junk: “His eyes half-closed reveal his world of nod, a world of lonely men and no love, no God.”

Grootstedelijke nachtmerrie
Het album is de muzikale vertaling van een grootstedelijke nachtmerrie. De sfeer is donker en dreigend en zo dik dat je hem bijna kunt aanraken.

Gil Scott-Heron was altijd in de eerste plaats een schrijver en een spoken word dichter, en pas op de tweede plaats een zanger en een muzikant. Door het jarenlange drugsmisbruik is Gil Scott-Herons zangstem simpelweg kapot – getuige Me and the Devil. De focus ligt daarom op spoken word.
Gils woorden hebben nog niet aan kracht ingeboet en zijn dwingende, verweerde stem en duistere poëzie grijpen je bij de strot. Een bloedstollende nieuwe uitvoering van The Vulture (hertiteld als Your Soul and Mine) maakt meer indruk dan het origineel uit 1970. Ontroerend is het tweeluik On Coming From a Broken Home waarmee het album opent en sluit, een eerbetoon aan zijn grootmoeder en moeder die hem opvoedden en nooit bij de pakken neerzaten.



Een klein gemis is het ontbreken van rake politieke observaties van het Bush-tijdperk in de geest van de Gil Scott-Heron-klassiekers H2Ogate Blues of Work for Peace.

Op I’m New Here geen melodieuze souljazz. XL-baas en producer Richard Russell ontwierp een uitgebeend, lo-fi electronisch geluid – in de lijn van ‘B’ Movie en Message to the Messengers - als een schetsmatige, atmosferische omlijsting voor Gils gedichten. Het zal niet iedereen bekoren.
Een meesterwerk is I’m New Here niet, een slechte plaat evenmin. Het album steekt wat mager af tegen zijn sterke vorige comebackalbum Spirits (1994). Je krijgt het gevoel dat Russell en Gil Scott-Heron met beperkte middelen hebben geprobeerd het beste ervan te maken. Met een groter budget, hoogwaardigere productie en meer nieuw en eigen materiaal (er staan een paar covers op) was I’m New Here een betere plaat geworden.

Een glorieuze comeback? Het is glorieus dat Gil Scott-Heron weer muziek maakt. Hopelijk is dit slechts een opmaat naar meer, en is de volgende keer dat we weer van hem horen niet in de vorm van een arrestatie of een necrologie.




Dit artikel is eerder gepubliceerd op DePers.nl

woensdag 3 februari 2010

Detroit in de Vlaamse polder

Detroit ligt onder de rook van Brussel. Die indruk krijg je althans als je naar Silver Threats luistert, het tweede album van The Black Box Revelation uit het Vlaamse Dilbeek. Het is een vuige garagerockplaat in de beste traditie van The Stooges, The MC5 en The Black Keys.

De essentie van rock&roll is – of was ooit – gevaar. The Black Box Revelation heeft geen boodschap aan behagen. Blakend van zelfvertrouwen door het (inter)nationale succes van hun debuut Set Your Head On Fire, in combinatie met jeugdige onbesuisdheid, is Silver Threats een compromisloze plaat geworden die hun street credibility moet consolideren maar wonderwel ook scoort bij een groot publiek.
The Black Box Revelation gunt de luisteraar geen genade. In een rap tempo word je om de oren geslagen met groteske, venijnige riffs die vervaarlijk ronken als motorzagen. Adempauzes door middel van hier en daar een wat vriendelijker nummer zijn er niet op Silver Threats. Het is een veeleisende rit die niet voor de tere zielen is weggelegd en getrainde oren vereist.
Het risico met dergelijke heipaalplaten is dat je murw wordt van het gebeuk en de muziek niet meer opneemt. Silver Threats is echter een rijke en gedetailleerde plaat en blijft daardoor fascineren en enerveren.
Als kers op de taart culmineert het album in het bijna negen minuten durende Here Comes The Kick, een dreinende woestijnrockjam die aanvoelt als het delirium van een ratelslangenbeet.
Gitarist/zanger Jan Paternoster en drummer Dries van Dijck demonstreren op Silver Threats opnieuw een muzikale volwassenheid die opvallend is voor een band die hun tienerjaren amper ontgroeid zijn. Voor de lange termijn willen we hen wel meegeven dat als ze de 20 passeren, het tijd wordt om meer afstand te nemen van hun voorbeelden en aan een eigen geluid te gaan sleutelen. Maar vooralsnog moeten we verheugd en ook een beetje jaloers constateren dat onze zuiderburen alweer een leuk bandje hebben voortgebracht.




Dit artikel is eerder verschenen op DePers.nl

donderdag 28 januari 2010

Ode aan de elektrische gitaar


Een film over drie gitaargoden die over hun instrument praten. Dat klinkt als dodelijk saaie gitaristenporno. Maar schijn bedriegt in It Might Get Loud.

An Inconvenient Truth-regisseur Davis Guggenheim zette Jimmy Page (Led Zeppelin), The Edge (U2) en Jack White (The White Stripes) samen. Dat zijn zo’n beetje de beste gitaristen die ooit op deze aardkloot hebben geloeid. Toch is de documentaire vrij van snarenfietserij, technische verhandelingen of egotrips. It Might Get Loud biedt portretten van drie meestergitaristen aan de hand van heel veel fantastische muziek en mooie scènes.

Het contrast tussen enerzijds Page en White en anderzijds The Edge is gigantisch: de eerste twee hebben hun wortels in de blues en spelen rijke, smerige riffs. The Edge speelt een minimalistische, cleane slaggitaar. In de openingsscène knutselt Jack White van een stuk brandhout en een colaflesje een gitaar in elkaar, terwijl The Edge binnenkomt met een kamergrote effectenkast en een engineer.

White geniet van de rauwe intensiteit van blueslegende Son House, terwijl The Edge zich verliest in technologisch gepiel. Je vraagt je af wie het meeste plezier heeft; The Edge komt over als een doorgeslagen perfectionist. Het lijkt soms alsof hij zich een beetje geneert. Om hem in zijn eentje tegenover twee bluesrock-krachtpatsers te zetten is eigenlijk ook wel oneerlijk.

It Might Get Loud barst van de mooie momenten. White is onder de indruk dat hij zijn muzikale held Page ontmoet. Gedrieën spelen ze The Weight, tot The Edge erachter komt dat ze in de verkeerde toonsoort spelen. Hilarisch is het decente optreden van The White Stripes in een tehuis voor gepensioneerde veteranen. Page keert terug naar het landhuis Headley Grange waar Led Zeppelin Stairway to Heaven schreef. The Edge neemt de kijker mee naar het aftandse klaslokaaltje waar U2 voor het eerst repeteerde.

Het zijn veel indrukken om te verwerken, en al duurt de film maar anderhalf uur, het is een lange zit. Maar van de muziek krijg je geen genoeg. Zet het volume dus op 11.



Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers.

vrijdag 18 december 2009

Anton Pieck is er niets bij

In Zürich bespotten ze de Zwitserse hoofdstad. Alles is er langzaam. Maar voor toeristen is dat precies de charme van de stad. Lekker knus.

Wat is een betere plek om Kerst te vieren dan in de Anton Pieckachtige sfeer van Bern? Ondanks het historische centrum (Altstadt) dat zijn oorspronkelijke middeleeuwse karakter heeft behouden, is de Zwitserse hoofdstad een parel die vaak over het hoofd wordt gezien. De toerist stoomt liever door naar de ski-oorden.

Bern is een rare hoofdstad. Met nog geen 130.000 inwoners heeft het de omvang van een provinciestad. Het compacte Bern, waar bijna alles op loopafstand is, ademt dan ook niet de sfeer van een metropool. Inwoners van het kosmopolitische Zürich zeggen vaak smalend dat alles in Bern langzaam gaat. Dat knusse is precies de charme. Slaperig is Bern echter niet, het heeft alle faciliteiten die bij een hoofdstad horen.

Er is weinig voor nodig om in Bern in de kerstsfeer te komen. Maak maar eens een wandeling door de sprookjesachtige Altstadt – die op de Unesco-werelderfgoedlijst staat – onder de Lauben (overkappingen), naar de Rosengarten voor een spectaculair uitzicht over de stad.

Rondjes zwieren

Het is een Bernse kersttraditie om de schaatsen onder te binden en een paar rondjes te zwieren op de ijsbaan voor het mooi uitgelichte parlementsgebouw. Langs de baan kan een typische Zwitserse kaasfondue met glühwein genoten worden.

Geen Kerst zonder kerstmarkt. Bern heeft er twee. Op de Waisenhausplatz vindt u allerhande ramsj, van dvd’s tot etenswaren. De liefhebber van kunst en handwerk kan zijn hart ophalen op de Münsterplatz.

De mooiste plek om een kerstnachtmis bij te wonen is in de Münster. De vijftiende-eeuwse gotische kathedraal, een van de belangrijkste cultuurschatten van Zwitserland, is pas gerestaureerd. De honderd meter hoge toren, die pas in 1893 werd voltooid, biedt een prachtig uitzicht over de Altstadt en op heldere dagen kunt u de Alpen in het zuiden zien liggen.

Kalkoen en aardappelkroketjes zult u niet op uw bord vinden bij een Zwitsers kerstdiner. Voor de echte Zwitserse keuken in een sober, authentiek decor met veel hout moet u wezen bij restaurant Zunft zu Webern. Wilt u stevig bunkeren, bestel dan de Bernerplatte: zuurkool, aardappelen, bacon, worsten en ham. Echt Zwitsers dineren kan ook hip met een dj bij Lötschberg. De bekende Zwitserse gerechten kaasfondue en raclette worden vooral geserveerd in de grote restaurants op de Bärenplatz.

Haute cuisine

Liefhebbers van de exotische keuken moeten beslist een bezoek brengen aan de Markthalle tegenover het station, een soort bazaar met allerlei verschillende restaurants, van Turks tot Japans. Op het station zelf kunnen vegetariërs terecht bij Tibits, waar je je eten naar gewicht betaalt. Tijdens de avondspits is het echter ook binnen spitsuur.

Het Bernse nachtleven is klein maar levendig. Kroegen kennen de Zwitsers niet, men ontmoet elkaar in grand cafés, restaurants of clubs. In Bern is elke avond wel een party met de meest uiteenlopende thema’s en muziekstijlen in de Dampfzentrale, Reithalle, Turnhalle of Wasserwerk. Voor een drankje is de Kornhauskeller met zijn prachtige gewelven een sjieke en sfeervolle plek. Op zondagen kun je in het Kornhauscafé terecht voor een buffetbrunch.

Voor de kleintjes rijdt in de dagen voor Kerstmis de speciale Märlitram door de stad. Tijdens de rit in de klassieke tram worden sprookjes verteld. Maar wel in het Schwyzerdütsch natuurlijk.


Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers. M.m.v. Patric Geissbühler en Marco Josi.

woensdag 2 december 2009

Kane's puurheid komt uit een potje


Tien jaar al is Kane de grootste band van Nederland. Dan doe je iets goed. Het talent van Dinand Woesthoff en Dennis van Leeuwen is dat ze perfect hun voorbeelden weten te synthetiseren tot middle-of-the-road-rock. Gecombineerd met een zware dosis pathos en een knappe zanger die weet hoe hij de rol van rockster moet spelen, heeft Kane een commerciële killer app in handen.

Critici hebben Kane altijd een gebrek aan eigen geluid verweten. Al een paar jaar is de band zoekende. Er waren talloze personeelswisselingen, flirts met jazz, een remix van DJ Tiësto, New Yorkse producers.

Het uitgangspunt van No Surrender is spontaniteit en puurheid. Met de zoveelste nieuwe lichting sessiemuzikanten wil Kane een echte band zijn. Het gaat om ‘het moment’, ‘aftikken en gaan’, een ‘eerlijk geluid.’

Maar Kane belijdt dat credo slechts met de mond. No Surrender verschilt weinig van zijn voorgangers. Er is geen sprake van een natuurlijke artistieke ontwikkeling, maar van een pose, een concept, een gimmick.

No Surrender klinkt allesbehalve spontaan en authentiek. De muziek is te bedacht, geproduceerd en gladgestreken. De galmfrequentie ligt weliswaar lager, maar het holle bombast is Kane nog niet verleerd. Dinands zang is nog even geveinsd, bestudeerd en pretentieus. Nooit klinkt hij echt, hij blijft een acteur die drijft op maniertjes. Met het gebrek aan originaliteit weet Kane niet af te rekenen. No Surrender is opnieuw een allegaartje van allerhande afgekeken, gedateerde stijlen en rockclichés.

Kane heeft zichzelf als band niet opnieuw uitgevonden, maar slechts zijn image. De puurheid komt uit een potje.


Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers