Elf jaar duurde het om een opvolger voor Dancing Bear te maken. Maar nu ligt dan Cats Lost van Cuby and the Blizzards, geproduceerd door Daniël Lohues, in de winkels.
Cats Lost klinkt vriendelijker en minder heavy dan het eerdere C+B werk.
Harry Muskee: ‘Ja dat vind ik ook. Het is een veel gedifferentieerder album. Van oude country-blues tot blues met toeters. En daarnaast echte liedjes.’
Lohues: ‘Ik wilde altijd al een plaat met de Blizzards maken waarin al hun sterke punten voorbij zouden komen, waarin alle mensen die in de Blizzards spelen zoiets hebben van: yeah, dat is nou typisch de band.’
In Low Country Blues zing je over de toenemende hufterigheid in Nederland. Heeft die ook al toegeslagen in Grolloo?
Muskee: ‘Nou nee. Daar heb je er niet zoveel last van. Ik ben in ‘78 wel eens voor niks in elkaar geslagen, hadden ze de verkeerde voor zich. Het deed me er wel aan denken. Je hoort tegenwoordig veel rare dingen, zoals dat hele ambulance-trein-bus-en-streekvervoer-verhaal. Ik ben geen massapsycholoog, dus waar dat vandaan komt weet ik niet. Dat zou je Goebbels moeten vragen.’
In Devil Made Religion neem je religie onder vuur.
Muskee: ‘Dat heeft er misschien ook mee te maken. De intolerantie. De duivel heeft religie uitgevonden om de boel te ondermijnen, als een soort spel voor hem. Ik ben atheïst en ik word als infideel en inferieur gezien. Wat voor recht hebben die mensen om mij zo te betitelen?'
Je bent al bijna een halve eeuw bezig. Als je terugkijkt op je carrière, wat zijn dan je mooiste en slechtste herinneringen?
Muskee: ‘We hebben in het Oostblok gespeeld toen het nog communistisch was, dat zijn dingen die je nooit vergeet. Dat zijn spannende jongensboekverhalen.
Muzikale helden ontmoet? B.B. King was vroeger een held. Ik heb die man een paar keer gesproken, en dat viel dan ineens helemaal weg. Hij bleek net als ik te zijn. Daar kijk je dan tegenop maar op een gegeven moment sta je met hem over een kop koffie te praten. Hij is een heel lieve, aardige man.
Ik heb zes jaar lang de Blues Estafette aangekondigd. Veel van die oude bluesmuzikanten waren nog nooit in Europa geweest. Jack Owens moest voor het eerst een paspoort gaan halen. Keb’Mo sprak hem aan met Mister Owens. Dat respect vind ik heel mooi.
Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers.
Een dieptepunt was toen de band uiteen ging. Dat is ook de blues en goed om mee te maken.’
woensdag 6 mei 2009
The Black Crowes hebben nergens spijt van

Er was succes. Er was ruzie. Maar alles is weer koek en ei bij de Black Crowes.
‘Geen idee’, antwoordt zanger Chris Robinson door de telefoon vanuit Californië als hem gevraagd wordt wat de Black Crowes woensdag in de Heineken Music Hall gaan spelen. ‘We hebben zoveel nummers. We zijn geen greatest hits-band. We herhalen geen dingen. We leven in het moment. Dus ik weet nog niet wat we gaan spelen tot kort voor het optreden’, aldus de bebaarde zanger. ‘Waarschijnlijk wordt het een mix van onze eerste platen, persoonlijke favorieten, nieuw materiaal en improvisaties. Als we ergens optreden waar we niet zo vaak spelen, doen we de nummers die mensen graag willen horen. In Amerika zijn we voortdurend on the road en wil men nieuw materiaal. En we zijn vorig jaar nog in Amsterdam geweest.’Niet dat Robinson het vervelend vindt om zijn oude hits steeds weer af te moeten draaien. ‘De oude nummers worden nooit uitgekauwd, want een goede song verandert met je mee. Als je meer levenservaring opdoet, krijgen die nummers een nieuwe betekenis. Je hebt relaties gehad, hebt vrienden en geliefden verloren, hebt kinderen gekregen, nieuwe vrienden gemaakt, mooie tijden beleefd. De fans ook.’
Eigen plan
De bluesrock waarmee de Black Crowes in 1990 debuteerden klonk totaal anders dan de andere muziek in die tijd. Het album Shake Your Money Maker met de singles Hard to Handle (cover van Otis Redding) en She Talks to Angels werden hits. Met de volgende albums bleef de band zijn muzikale grenzen verleggen. Bovendien bouwden de Crowes, die op het podium graag een paar uur jammen, een sterke live-reputatie op. Maar het commerciële succes van hun debuut evenaarde de band nooit meer, met als gevolg dat Columbia de band in 1999 aan de kant zette.
‘Wij hebben altijd ons eigen plan getrokken. Wat niet zonder slag of stoot ging, als ik eerlijk ben. Wij moesten ook tegen het systeem vechten. De grap is dat nadat we ons eigen label zijn begonnen, we de beste verkoopcijfers hebben sinds begin jaren negentig.’
Ruzie
Dan waren er nog de vele ruzies, vooral tussen de broertjes Chris en Rich Robinson. Maar ook met de andere bandleden was het een komen en gaan als bij een afhaalchinees. Wat was er aan de hand?
‘Heb je broers of zussen? Maken jullie wel eens ruzie? Maar je doet vast geen zaken met ze? Muzikanten zijn erg gevoelige mensen. Mensen veranderen in het leven. Het leven verandert. Iedereen gaat zich anders voelen. Vooral in de competitieve aard van broers. Er zijn ego’s, geld, enz. We hebben tijden gekend van groot succes, problemen, conflicten, drugs. Tijdens de eerste tien jaar van de Black Crowes leefden we met z’n allen in een soort duikboot, dus vroeg of laat krijg je last van hutkoorts.’
Volgens Robinson is de band nu weer ‘extreem stabiel’. Spijt van alle strubbelingen heeft hij niet. ‘Je kunt geen spijt hebben. Alles komt terug in de muziek, goed of slecht. Er is geen tijd voor spijt. Het is wat het is.’
Roots
De Black Crowes hebben net het dubbelalbum en dvd Warpaint Live uitgebracht, zoals de titel al verraadt een live-versie van hun album Warpaint uit 2008. In september ligt er een nieuw dubbel studio-album in de winkel. ‘Op Before the Frost, Until the Freeze graven we nog dieper in onze roots: bluegrass en country-blues. Je hoort veel viool, banjo, mandoline. Dat zijn de roots van echte rock ‘n roll.’
Het zal Robinson een worst wezen of mensen de Crowes een retroband vinden. ‘Daar houd ik me helemaal niet mee bezig. Ik heb al twintig jaar een succesvolle carrière, dus ik begrijp niet wat ze bedoelen. Het zal me inmiddels een zorg wezen. Als mensen dat denken, hebben ze nooit naar onze muziek geluisterd.’
Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers
woensdag 25 maart 2009
‘Er komt een perestrojka in Iran’
VS vragen Iran mee te praten over Afghanistan. ‘Ze hebben Iran nodig.’
Vriendjes worden met Iran; is Barack Obama gek geworden? Welnee, de nieuwe Amerikaanse president doet er goed aan om Teheran de hand te reiken. Want het fundamentalistische regime staat op omvallen en de VS hebben Iran nodig, stelt de Amerikaanse militaire geostrateeg Thomas P.M. Barnett.
Washington heeft de dreigende taal richting Teheran vervangen door vriendelijke nieuwjaarswensen. Al reageerde Iran wantrouwend op de verzoeningsvideo van Obama vorige week, de toenadering zal komende dinsdag in Den Haag voortgezet worden, verwacht Barnett. Iran heeft de uitnodiging van minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton aanvaard en komt op de grote Afghanistan-conferentie meepraten over de toekomst van Afghanistan.
Rechtzetten
‘Iran is belangrijk voor duurzame stabiliteit in Irak en Afghanistan’, betoogt Barnett. ‘De regering-Bush betrok de regio niet bij de kwestie. Obama wil die fout nu rechtzetten. De detente zal niet groots zijn, maar een langzaam proces vol tegenslagen. Je moet denken aan de toenadering van Nixon tot China.’
Steen des aanstoots in de gespannen relatie van Iran met het Westen is het atoomprogramma. Barnett vindt het ‘niet onlogisch’ dat Iran een atoombom wil. Veel landen in de regio hebben er een; Barnett wijst op Israël. ‘Iran wil een atoombom, omdat het wil worden geschrapt van de Amerikaanse lijst met terreurlanden die in aanmerking komen voor een Amerikaanse invasie en verandering van regime.’
Barnett verdenkt Iran niet van kwade bedoelingen met zijn atoomprogramma. ‘Denk je echt dat Iran nucleaire technologie aan Hezbollah zal geven, zodat Hezbollah Israël in brand kan steken, waarna Israël Iran in lichterlaaie zal zetten?’
Militaire actie, waarmee oud-president Bush dreigde, zou de detente ruw verstoren, stelt Barnett. ‘Het volk moet zelf in opstand komen en de gang van zaken bepalen, en niet Amerika. Want dan zijn wij de Grote Duivel en kan het regime onze dreiging gebruiken om zijn eigen bestaan te rechtvaardigen. Je wilt niet 75 miljoen mensen tegen je in het harnas jagen. Als je naar Iran gaat en de mensen spreekt, blijken ze allemaal van het Westen te houden, maar niet van hun eigen leiders. Waarom zou je je enige troef verspelen?’
Rabiate retoriek
De rabiate retoriek van de Iraanse president Mahmoud Ahmedinejad betekent volgens Barnett niet dat Iran gevaarlijker is, maar juist dat zijn dagen geteld zijn. ‘De revolutie is mislukt. Als de revolutie zich krampachtig probeert te herstellen, weet je dat het einde nabij is.’
Verandering hangt in de lucht, bespeurt Barnett. ‘Ik heb de indruk dat in Iran hetzelfde staat te gebeuren als in de Sovjet-Unie. Er komt binnen tien tot twintig jaar een Gorbatsjov-achtige perestrojka in Iran. Zeventig procent van de bevolking is onder de dertig. Deze jongeren herinneren zich niet de revolutie van 1979 of de oorlog met Irak maar de jaren negentig, toen er meer vrijheid was. En nu worden ze onderdrukt.’
‘Bovendien schept het regime geen economische kansen, de volksgezondheid is slecht, het geboortecijfer daalt dramatisch, de braindrain is enorm. Allemaal signalen dat het regime niet gezond is’, stelt de geostrateeg. ‘In Iran heb je de conservatieven van het eerste uur, en de technocratische conservatieven van het Gorbatsjov-type. De technocratische conservatieven, plus de gematigden, plus de hervormingsgezinden zijn een veel grotere groep dan de hardliners.’
Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers.
Vriendjes worden met Iran; is Barack Obama gek geworden? Welnee, de nieuwe Amerikaanse president doet er goed aan om Teheran de hand te reiken. Want het fundamentalistische regime staat op omvallen en de VS hebben Iran nodig, stelt de Amerikaanse militaire geostrateeg Thomas P.M. Barnett.
Washington heeft de dreigende taal richting Teheran vervangen door vriendelijke nieuwjaarswensen. Al reageerde Iran wantrouwend op de verzoeningsvideo van Obama vorige week, de toenadering zal komende dinsdag in Den Haag voortgezet worden, verwacht Barnett. Iran heeft de uitnodiging van minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton aanvaard en komt op de grote Afghanistan-conferentie meepraten over de toekomst van Afghanistan.
Rechtzetten
‘Iran is belangrijk voor duurzame stabiliteit in Irak en Afghanistan’, betoogt Barnett. ‘De regering-Bush betrok de regio niet bij de kwestie. Obama wil die fout nu rechtzetten. De detente zal niet groots zijn, maar een langzaam proces vol tegenslagen. Je moet denken aan de toenadering van Nixon tot China.’
Steen des aanstoots in de gespannen relatie van Iran met het Westen is het atoomprogramma. Barnett vindt het ‘niet onlogisch’ dat Iran een atoombom wil. Veel landen in de regio hebben er een; Barnett wijst op Israël. ‘Iran wil een atoombom, omdat het wil worden geschrapt van de Amerikaanse lijst met terreurlanden die in aanmerking komen voor een Amerikaanse invasie en verandering van regime.’
Barnett verdenkt Iran niet van kwade bedoelingen met zijn atoomprogramma. ‘Denk je echt dat Iran nucleaire technologie aan Hezbollah zal geven, zodat Hezbollah Israël in brand kan steken, waarna Israël Iran in lichterlaaie zal zetten?’
Militaire actie, waarmee oud-president Bush dreigde, zou de detente ruw verstoren, stelt Barnett. ‘Het volk moet zelf in opstand komen en de gang van zaken bepalen, en niet Amerika. Want dan zijn wij de Grote Duivel en kan het regime onze dreiging gebruiken om zijn eigen bestaan te rechtvaardigen. Je wilt niet 75 miljoen mensen tegen je in het harnas jagen. Als je naar Iran gaat en de mensen spreekt, blijken ze allemaal van het Westen te houden, maar niet van hun eigen leiders. Waarom zou je je enige troef verspelen?’
Rabiate retoriek
De rabiate retoriek van de Iraanse president Mahmoud Ahmedinejad betekent volgens Barnett niet dat Iran gevaarlijker is, maar juist dat zijn dagen geteld zijn. ‘De revolutie is mislukt. Als de revolutie zich krampachtig probeert te herstellen, weet je dat het einde nabij is.’
Verandering hangt in de lucht, bespeurt Barnett. ‘Ik heb de indruk dat in Iran hetzelfde staat te gebeuren als in de Sovjet-Unie. Er komt binnen tien tot twintig jaar een Gorbatsjov-achtige perestrojka in Iran. Zeventig procent van de bevolking is onder de dertig. Deze jongeren herinneren zich niet de revolutie van 1979 of de oorlog met Irak maar de jaren negentig, toen er meer vrijheid was. En nu worden ze onderdrukt.’
‘Bovendien schept het regime geen economische kansen, de volksgezondheid is slecht, het geboortecijfer daalt dramatisch, de braindrain is enorm. Allemaal signalen dat het regime niet gezond is’, stelt de geostrateeg. ‘In Iran heb je de conservatieven van het eerste uur, en de technocratische conservatieven van het Gorbatsjov-type. De technocratische conservatieven, plus de gematigden, plus de hervormingsgezinden zijn een veel grotere groep dan de hardliners.’
Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers.
woensdag 18 maart 2009
Booker T. & The MG's spelen als ze zin hebben

De legendarische soulband Booker T. & The MG’s toert even door Nederland. Gewoon omdat ze daar tijd voor hadden. En zin.
Klik hier voor het interview met Booker T. Jones
Wat doe je als band als je muziekgeschiedenis hebt geschreven en je inmiddels de pensioensgerechtigde leeftijd hebt behaald? Dan leun je lekker achterover en kom je alleen je stoel uit als het jou uitkomt. En zo is het minitoertje van Booker T. & The MG’s door Nederland, hun enige optredens in Europa, meteen een vakantie. De bandleden vlogen op eigen gelegenheid naar Amsterdam, dus gitarist Steve Cropper en bassist Donald ‘Duck’ Dunn zien elkaar voor het eerst in de lobby van hun hotel.
‘Jij was hier gisteren al? Ik ben vanmorgen aangekomen’, zegt Cropper. Dunn heeft zijn vrouw meegenomen. Hun vakantie begon slecht. ‘Er was een probleem met de boarding passes, waardoor we tijdens de vlucht niet bij elkaar zaten. Mijn vrouw was woedend.’
Bijna vijftig jaar zijn Booker T. & The MG’s al bij elkaar. Ze begonnen begin jaren zestig als studiomuzikanten bij Stax in Memphis, het toonaangevende soullabel van grootheden als Otis Redding en Isaac Hayes. Hun handelsmerk: de groove. Alles staat ten dienste van de groove. Bij toeval werden Booker T. & The MG’s zelf sterren, als ze in 1962 in verloren studio-uurtjes Green Onions in elkaar sleutelen, wat een grote hit werd en tot op de dag van vandaag nog wel eens opduikt in tv-reclames. Booker T. & The MG’s werd een van de hotste sessiebands.
Een halve eeuw later zijn ze elkaar nog niet zat. Cropper: ‘Dat komt doordat we elkaar ook niet zo vaak zien. We hebben allemaal onze eigen projecten waarmee we bezig zijn. Booker zit bijvoorbeeld nu in Londen om een plaat (Potato Hole) te promoten die hij met Neil Young en de Drive-By Truckers heeft opgenomen. En Donald en ik hebben een meegespeeld op een album van Guy Sebastian, de winnaar van Australian Idol.’
Dunn: ‘Ik denk dat als we een half jaar lang met elkaar opgescheept zitten in een toerbus, we elkaar de hersenen wel zullen inslaan!’
Maar wat is dan de chemie waardoor Booker T. & The MG’s al zo lang samen spelen?
Cropper: ‘We hebben precies dezelfde muzieksmaak. Duck en ik zijn al vrienden sinds de basisschool en hielden altijd van rhythm & blues, vanwege de groove en niet zozeer de melodie. Vandaar ook het minimalistische geluid van onze muziek. Ik hou ook van jazz en klassiek, maar ik zou het nooit spelen. Daar moet je veel voor oefenen. Maar misschien ben ik wel gewoon lui.’
Toch zijn jullie begin jaren zeventig uit elkaar gegaan.
Cropper: ‘Dat zegt iedereen, maar we hebben gewoon een tijdje geen platen samen opgenomen. We hadden het druk met onze eigen dingen.
Daarnaast hadden we problemen met het management van Stax. We waren inmiddels veelgevraagde sessiemuzikanten, maar Stax beperkte ons in onze carrièrekansen. Booker moest bijvoorbeeld Simon & Garfunkel laten schieten en ik Frank Sinatra Jr. Plus er waren geschillen over de rechten. Dus Booker vertrok en daarna ik.
Maar soms speelden we nog wel samen, bijvoorbeeld in de Blues Brothers Band. We maken vaak de grap dat Booker en ik al vijftig keer gescheiden en hertrouwd zijn. Het is trouwens wel vaker voorgekomen dat we incompleet waren. In de jaren zestig is Booker er een paar jaar tussenuit geweest om te studeren. Isaac Hayes speelde dan vaak toetsen. Er zijn ook wel Booker T. & The MG’s platen met Isaac in plaats van Booker. Bootlegs dan. Zelfs wij horen niet of het Booker of Isaac is.’
Dunn: ‘Ik weet nog wel dat we ergens moesten optreden, en de zaal wilde per se Booker T. & The MG’s. Maar in plaats van Booker hadden we Isaac meegenomen. Niemand had het in het begin door, maar tijdens het derde nummer riep een meisje opeens: 'hé, dat is Booker T. helemaal niet!' Isaac probeerde zich achter zijn orgel te verschuilen.’
Jullie hebben op heel wat historische platen meegespeeld, bijvoorbeeld Sittin’ on the Dock of the Bay van Otis Redding. Beseften jullie destijds de waarde van jullie muziek?
Cropper: ‘Nee, we wisten helemaal niet waarmee we bezig waren. We wisten niet eens of iets een hit zou worden. Soms dachten we dat iets een hit zou worden, en dat werd het niet. En omgekeerd. De oprichter van Stax, Jim Stewart, vond het nooit goed genoeg.’
Dunn: ‘Dan zat hij achter dat raam in de studio met een ongeïnteresseerde kop. Soms leek het net alsof hij lag te slapen van verveling.’
Cropper: ‘Maar met die benadering wist hij wel het beste uit ons te halen. Hij leerde je te vechten voor waar je in geloofde, en je idee steeds meer te perfectioneren. Maar man, wat was hij moeilijk. Ik weet nog dat we met pijn en moeite Knock on Wood hadden opgenomen met Eddie Floyd. ‘Cropper, dit is gewoon ruk’, zei Jim. Vervolgens bleef het negen maanden op de plank liggen. We hebben het uiteindelijk op onze eigen kosten uitgebracht. Wat denk je? Het werd een grote hit.’
Veel oude bands zijn futloze oldies acts. Jullie niet. Hoe houden jullie de muziek fris?
Cropper: ‘Wat we net al zeiden, doordat we elkaar niet zo vaak zien. En we zien het niet als werk. We doen alleen maar dingen die wel leuk vinden. Als ik thuis kom dan smijt ik mijn gitaar in de hoek en pak ik mijn golfclubs.’
Dunn: ‘Of vishengel.’
Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers
woensdag 4 februari 2009
Dexter Gordon: A Night in Amersfoort
Dexter Gordon ~ Night In Tunisia [1964]
Geüpload door madafonka2. - Bekijk nog meer muziek video's in HD!
Een slaperige provinciestad van 72.000 zielen is Amersfoort nog als twee grootheden uit de jazz op 10 november 1963 komen spelen in bardancing In den Poortwal: tenorsaxofonisten Dexter Gordon en Rahsaan Roland Kirk. Twee totaal verschillende karakters: Gordon de veteraan van de bebop, pionier van de tenorsax, charmant, een dandy. Kirk een revolutionaire debutant, eigenzinnig, excentriek, soms op drie saxen en fluiten tegelijk spelend.
Ook in Amersfoort neergestreken is het televisiecircus van de AVRO. Regisseur Theo Ordeman (Open het Dorp) wist Gordon en Kirk te strikken tijdens een toer die de saxofonisten langs het Concertgebouw en het Kurhaus voerde. Het exclusieve optreden in de Poortwal was alleen voor genodigden, 'Dutch hipsters with cigarettes dangling from their lips'. Om de intieme sfeer van een jazzclub te creëren en vanwege de nabijheid van Hilversum, had Ordeman zijn oog laten vallen op de Poortwal, een van de eerste bardancings in de regio.
,,Maar tijdens de opnamen bleef er van de oorspronkelijke sfeer van de bardancing niet veel over", schreef een verslaggever van het Dagblad voor Amersfoort. ,,Immers de entourage werd voornamelijk bepaald door kwistig rondgeslingerde snoeren en kabels, rijdende camera's en op commando klappend publiek. Bovendien maakte de door de lampen teweeggebrachte hitte een verblijf niet bepaald aangenaam."
Dat vormde geen obstakel voor een daverend optreden. ,,De opnames zijn fantastisch en Dexter is in grote vorm daar in Amersfoort", oordeelt saxofonist Hans Dulfer, fan en vriend van Gordon. ,,Als ik de opnames terug zie, ben ik zeer onder de indruk van de muziek", zegt Daniel Humair, de Zwitserse drummer die Gordon en Kirk in de Poortwal begeleidde.
De opnames verliepen echter niet vlotjes. Kirk begon op het laatste moment moeilijk te doen. De opzet was dat Dexter Gordon eerst zou spelen en daarna Kirk. Maar Kirk wilde per se vóór Gordon spelen, 'anders zouden de begeleiders wel eens te moe kunnen zijn om hèm (beroemdheid) nog goed te steunen', aldus het Dagblad voor Amersfoort. Hij kreeg zijn zin, want Kirk speelde 's middags en Gordon 's avonds. Ook het interview dat Ordeman met Kirk zou doen verliep moeizaam. ,,Liefst veertig minuten duurden de opname hiervan. In die tijd kon Kirk slechts een luttel aantal zinnetjes zonder strekking uitspreken."
Gordon en Kirk speelden ondermeer jazzstandards als A Night in Tunesia en Bag's Groove. De optredens zijn verschenen in de dvd-serie Jazz Icons. Er zou ook een plaat van Dexter Gordon bestaan met een foto van de Poortwal op de hoes, maar die is onvindbaar.
Van oude glorie van de Poortwal is niets meer over. Muzikanten van het formaat van Gordon en Kirk zijn er nooit meer geweest, op de Britse bluesmuzikant John Mayall na. Eigenaren Ties en Greetje van Ramselaar, toen ook uitbaters van De Grote Slok, zijn al jaren dood. Het pand aan de Achter de Arnhemse Poortwal, waar als laatste café het Doktertje in zat, werd in 2001 gesloten.
![]() |
| In dit verlaten, vervallen pand zat ooit bardancing In den Poortwal. |
Dit artikel verscheen eerder in De Stad Amersfoort.
maandag 15 december 2008
Raphael Saadiq: Terug naar Motown
Afgepeigerd is hij. Raphael Saadiq, Charlie Ray Wiggins voor zijn moeder, is net ingevlogen uit Parijs. Zijn bezoek aan Amsterdam is de laatste etappe in een korte maar drukke Europese promotietoer langs drie hoofdsteden (Londen, Parijs en Amsterdam). Half liggend op een bank in de bar van het American Hotel werkt Saadiq een biefstuk met aardappelpuree en spruitjes naar binnen. Hij is gehuld in afgewassen vrijetijdskleding. Zijn nieuwe imago, een strak gesneden maatpak en een bril die van hem een dubbelganger van Temptations-frontman David Ruffin maken, zit nog in zijn koffer.
Lees ook:
Raphael Saadiqs derde soloalbum The Way I See It is een ode aan Motown. De sound wordt zo dicht benaderd dat het album bijna een pastiche is. Medewerking van percussionist Jack Ashford en arrangeur Paul Riser van de legendarische Motown-huisband The Funk Brothers, plus Stevie Wonder verhogen de authenticiteit. Maar elke keer dat je The Way I See It draait, wordt het steeds meer een typisch Raphael Saadiq album. Zijn handtekening zit in de details. The Way I See It is geen hippe gimmick, maar een groeialbum dat bij elke luisterbeurt meer prijsgeeft.
Hoe kwam je op het idee om een album te maken in de oude Motown-stijl?
“Ik werd op een ochtend wakker en ik had van die kleren aan, bij wijze van spreken. Ik viel er min of meer in. Ik wist niet wat er uit zou komen. Ik heb er eigenlijk niet zo bij stilgestaan. Tot nu, nu mensen me die vraag stellen. Ik heb daar niet echt een antwoord op. Het ging heel geleidelijk. Maar toen ik eenmaal bezig was met het album en Sure Hope You Mean It en Staying in Love ging opnemen, zat ik er inmiddels tot over mijn oren in. Uiteindelijk toen ik alles samenvoegde, sloot het goed op elkaar aan en was het echt een concept.”
Wat zo knap aan The Way I See It is dat je de Motown-sound perfect weet na te bootsen, terwijl het toch een typisch Raphael Saadiq album is. Was het moeilijk om je eigen identiteit te bewaren?
“Dat is inderdaad heel bizar. Ik begrijp er zelf niets van. Toen ik begon met muziek maken, was ik geen zanger maar een bassist. Mensen zeiden toen tegen me: je hebt een eigen geluid. Als je op de radio wordt gedraaid, horen we dat jij het bent, je hebt een herkenbare stem. Dus ik denk dat ik in de muziek pas met mijn eigen, duidelijk herkenbare stem. Ik gebruik mijn stem als een instrument, en ik laat de andere instrumenten mij begeleiden, om van mij een betere zanger te maken. Ik ben een crooner, dus ik plaats alles om me heen zo dat ik goed klink.”
Ik las ergens dat je The Way I See It het moeilijkste project uit je carrière vond. Waarom?
“Toen ik in die modus zat besefte ik pas hoe goed ik mijn best moest doen. Ik moest echt zíngen. Toen ik Sure Hope You Mean It zong probeerde ik me voor te stellen hoe David Ruffin een zin als ‘do you mean what you say’ gezongen zou hebben. (Zingt als David Ruffin:) do you meeeaaannn what you say... Begrijp je? Ik moest me in dat personage inleven. Je kunt het niet uit de losse pols doen. Dat was een uitdaging.”
Heb je er ook langer over gedaan om het album op te nemen?
“Een stuk langer. Zo’n 2,5 jaar. Normaal doe ik er een half jaar tot een jaar over.”
Hoe was het om samen te werken met oude Motown-legendes als Stevie Wonder, Jack Ashford en Paul Riser?
“Het was ongelofelijk. Het was alsof ik mijn eigen Motown-familie had, omdat ik drie veteranen samenbracht op één album. Volgens mij hebben ze al heel lang niet meer samen op één album gespeeld. Het was the icing on the cake. Het voelde alsof een keurmerk had gekregen, dat ik hun goedkeuring kan wegdragen. Want je moet met hen wel weten wat je wilt. Je moet ze iets te bieden hebben, anders komen ze niet. Je kunt ook niet een feest zonder drankjes geven. Dus je moet een goed nummer hebben.”
De CV van Raphael Saadiq is op z’n zachtst gezegd indrukwekkend. Als tiener speelde hij al bas bij Prince en Sheila E. Eind jaren tachtig vormde hij met zijn broer Dwayne en neef Timothy Christian de succesvolle R&B-band Tony! Toni! Toné! Midden jaren negentig ging Saadiq solo en stortte zich op een even vruchtbare carrière als producer. Hij werkte samen met o.a. D’Angelo (Untitled van het album Voodoo leverde D’Angelo een Grammy op), Erykah Badu, The Roots, Jill Scott, Macy Gray, Angie Stone, Mary J. Blige, Snoop Dogg, Whitney Houston en The Isley Brothers. Om maar even een paar te noemen. Saadiq was tevens de oprichter van het veelgeprezen gelegenheidsproject Lucy Pearl met Ali Shaheed Muhammed (A Tribe Called Quest) en Dawn Robinson (En Vogue). In 2002 kwam eindelijk Saadiqs solodebuut Instant Vintage uit, een smaakvol meesterwerk dat goed was voor vijf Grammy-nominaties. Je kunt stellen dat de 42-jarige Raphael Saadiq de architect van de neo soul is.
De bizarre werkelijkheid is echter dat bijna niemand hem kent. In Nederland althans. Is dat anders in Amerika?
“Niet zó onbekend, maar wel onder de radar. Toen ik nog in Tony! Toni! Toné! zat was ik bekender. Wat betreft mijn werk als producer, werk ik niet met veel mensen samen. Ik werk met kwaliteitsartiesten samen. En daar zitten niet veel mainstream popartiesten tussen. Want pas als je de grote artiesten produceert, krijg je naam en faam.”
Maar je hebt wel samengewerkt met o.a. John Legend.
“Ja en Joss Stone. Meer mensen benaderen me nu. Maar is een lange reis geweest om hier te komen. Het was ook moeilijk omdat ik eerst in een band zat, en toen solo ging werken als producer. Want mensen hebben liever dat je in een groep zit. Ik heb ervoor gekozen de tijd te nemen en de achterafstraatjes te nemen, waar ik lang kan branden. Op de hoofdstraat brand je snel op.”
Frustreert het je niet?
“Nee. Je hebt meer vrijheid. Je kunt uitgroeien tot iets kwalitatiefs. Als een soort exclusief paar schoenen dat iedereen wil hebben. Ik vind het prettig als mensen graag tegen anderen over me praten. Ik ben voor mensen dan meer een geschenk.”
Werk je alleen samen met artiesten die je goed vindt, of zie je ook wel eens iets door de vingers omdat het goed verdient?
“Dat heb ik wel eens geprobeerd, maar het werkt niet. Je moet met iemand samenwerken die bij je past. Dus dat probeer ik te doen.”
’s Avonds, na nog even een paar uurtjes onder de wol te zijn gekropen, gaf Saadiq een verpletterend optreden in Paradiso. Een strakke en zinderende soul revue. Met een hippe retrosoulplaat die al direct na de release flink wat buzz genereerde, lijkt de weg vrij voor de doorbraak die al veel te lang op zich heeft laten wachten.
Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.
Lees ook:
- Interview Raphael Saadiq legt zijn ziel bloot
Raphael Saadiqs derde soloalbum The Way I See It is een ode aan Motown. De sound wordt zo dicht benaderd dat het album bijna een pastiche is. Medewerking van percussionist Jack Ashford en arrangeur Paul Riser van de legendarische Motown-huisband The Funk Brothers, plus Stevie Wonder verhogen de authenticiteit. Maar elke keer dat je The Way I See It draait, wordt het steeds meer een typisch Raphael Saadiq album. Zijn handtekening zit in de details. The Way I See It is geen hippe gimmick, maar een groeialbum dat bij elke luisterbeurt meer prijsgeeft.
Hoe kwam je op het idee om een album te maken in de oude Motown-stijl?
“Ik werd op een ochtend wakker en ik had van die kleren aan, bij wijze van spreken. Ik viel er min of meer in. Ik wist niet wat er uit zou komen. Ik heb er eigenlijk niet zo bij stilgestaan. Tot nu, nu mensen me die vraag stellen. Ik heb daar niet echt een antwoord op. Het ging heel geleidelijk. Maar toen ik eenmaal bezig was met het album en Sure Hope You Mean It en Staying in Love ging opnemen, zat ik er inmiddels tot over mijn oren in. Uiteindelijk toen ik alles samenvoegde, sloot het goed op elkaar aan en was het echt een concept.”
Wat zo knap aan The Way I See It is dat je de Motown-sound perfect weet na te bootsen, terwijl het toch een typisch Raphael Saadiq album is. Was het moeilijk om je eigen identiteit te bewaren?
“Dat is inderdaad heel bizar. Ik begrijp er zelf niets van. Toen ik begon met muziek maken, was ik geen zanger maar een bassist. Mensen zeiden toen tegen me: je hebt een eigen geluid. Als je op de radio wordt gedraaid, horen we dat jij het bent, je hebt een herkenbare stem. Dus ik denk dat ik in de muziek pas met mijn eigen, duidelijk herkenbare stem. Ik gebruik mijn stem als een instrument, en ik laat de andere instrumenten mij begeleiden, om van mij een betere zanger te maken. Ik ben een crooner, dus ik plaats alles om me heen zo dat ik goed klink.”
Ik las ergens dat je The Way I See It het moeilijkste project uit je carrière vond. Waarom?
“Toen ik in die modus zat besefte ik pas hoe goed ik mijn best moest doen. Ik moest echt zíngen. Toen ik Sure Hope You Mean It zong probeerde ik me voor te stellen hoe David Ruffin een zin als ‘do you mean what you say’ gezongen zou hebben. (Zingt als David Ruffin:) do you meeeaaannn what you say... Begrijp je? Ik moest me in dat personage inleven. Je kunt het niet uit de losse pols doen. Dat was een uitdaging.”
Heb je er ook langer over gedaan om het album op te nemen?
“Een stuk langer. Zo’n 2,5 jaar. Normaal doe ik er een half jaar tot een jaar over.”
Hoe was het om samen te werken met oude Motown-legendes als Stevie Wonder, Jack Ashford en Paul Riser?
“Het was ongelofelijk. Het was alsof ik mijn eigen Motown-familie had, omdat ik drie veteranen samenbracht op één album. Volgens mij hebben ze al heel lang niet meer samen op één album gespeeld. Het was the icing on the cake. Het voelde alsof een keurmerk had gekregen, dat ik hun goedkeuring kan wegdragen. Want je moet met hen wel weten wat je wilt. Je moet ze iets te bieden hebben, anders komen ze niet. Je kunt ook niet een feest zonder drankjes geven. Dus je moet een goed nummer hebben.”
De CV van Raphael Saadiq is op z’n zachtst gezegd indrukwekkend. Als tiener speelde hij al bas bij Prince en Sheila E. Eind jaren tachtig vormde hij met zijn broer Dwayne en neef Timothy Christian de succesvolle R&B-band Tony! Toni! Toné! Midden jaren negentig ging Saadiq solo en stortte zich op een even vruchtbare carrière als producer. Hij werkte samen met o.a. D’Angelo (Untitled van het album Voodoo leverde D’Angelo een Grammy op), Erykah Badu, The Roots, Jill Scott, Macy Gray, Angie Stone, Mary J. Blige, Snoop Dogg, Whitney Houston en The Isley Brothers. Om maar even een paar te noemen. Saadiq was tevens de oprichter van het veelgeprezen gelegenheidsproject Lucy Pearl met Ali Shaheed Muhammed (A Tribe Called Quest) en Dawn Robinson (En Vogue). In 2002 kwam eindelijk Saadiqs solodebuut Instant Vintage uit, een smaakvol meesterwerk dat goed was voor vijf Grammy-nominaties. Je kunt stellen dat de 42-jarige Raphael Saadiq de architect van de neo soul is.
De bizarre werkelijkheid is echter dat bijna niemand hem kent. In Nederland althans. Is dat anders in Amerika?
“Niet zó onbekend, maar wel onder de radar. Toen ik nog in Tony! Toni! Toné! zat was ik bekender. Wat betreft mijn werk als producer, werk ik niet met veel mensen samen. Ik werk met kwaliteitsartiesten samen. En daar zitten niet veel mainstream popartiesten tussen. Want pas als je de grote artiesten produceert, krijg je naam en faam.”
Maar je hebt wel samengewerkt met o.a. John Legend.
“Ja en Joss Stone. Meer mensen benaderen me nu. Maar is een lange reis geweest om hier te komen. Het was ook moeilijk omdat ik eerst in een band zat, en toen solo ging werken als producer. Want mensen hebben liever dat je in een groep zit. Ik heb ervoor gekozen de tijd te nemen en de achterafstraatjes te nemen, waar ik lang kan branden. Op de hoofdstraat brand je snel op.”
Frustreert het je niet?
“Nee. Je hebt meer vrijheid. Je kunt uitgroeien tot iets kwalitatiefs. Als een soort exclusief paar schoenen dat iedereen wil hebben. Ik vind het prettig als mensen graag tegen anderen over me praten. Ik ben voor mensen dan meer een geschenk.”
Werk je alleen samen met artiesten die je goed vindt, of zie je ook wel eens iets door de vingers omdat het goed verdient?
“Dat heb ik wel eens geprobeerd, maar het werkt niet. Je moet met iemand samenwerken die bij je past. Dus dat probeer ik te doen.”
’s Avonds, na nog even een paar uurtjes onder de wol te zijn gekropen, gaf Saadiq een verpletterend optreden in Paradiso. Een strakke en zinderende soul revue. Met een hippe retrosoulplaat die al direct na de release flink wat buzz genereerde, lijkt de weg vrij voor de doorbraak die al veel te lang op zich heeft laten wachten.
Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.
vrijdag 5 december 2008
Sly Stone heeft faalangst
Sly Stone was eind jaren zestig een superster. Daarna verdween hij. Drie Nederlandse documentairemakers spoorden hem op.
Sly Stone was een icoon van de Woodstockgeneratie. Dance to the Music, Everyday People en Family Affair zijn evergreens. Sly beïnvloedde talloze artiesten. Zonder Sly geen Prince, Lenny Kravitz of OutKast. Maar Sly snoof duizelingwekkende hoeveelheden coke. Hij kwam ten val en dook onder. Er waren smeekbedes van Prince om terug te komen en een miljoenenbod voor een interview. Sly gaf niet thuis.Documentairemaker Willem Alkema en Sly-biografen Arno en Edwin Konings vonden hem na jaren zoeken en slaagden er als enigen ter wereld in hem voor de camera te interviewen. De NPS zendt de documentaire Dance to the Music zaterdagnacht uit.
Een internetadvertentie waarin Sly’s motor te koop werd aangeboden, leidde de makers in 2005 naar zijn huis, aan het einde van een doodlopende weg op een bergtop in Los Angeles. Op het hek prijkte een gouden S. Ze werden afgewimpeld, maar begin 2006 lukte het hen Sly te ontmoeten, toen ze in de oefenruimte belandden waar Sly and The Family Stone repeteerden voor een optreden bij de Grammy Awards, Sly’s eerste levensteken in decennia.
Alkema: ‘Er stopte een grote camper waar Sly Stone uit kwam. Ik flikkerde bijna van mijn bankje. Toen hoorden we ook nieuwe muziek. Het was een soort operagezang met een beat, waar Sly dan omheen zingt: I want to thank you for letting me be myself. Het klonk vreemd, ik had niet zoiets van wow!’
Als de documentairemakers Sly zijn favoriete Rhythm Ace drumcomputer cadeau geven, weten ze hem uiteindelijk te paaien om één vraag voor de camera te beantwoorden: hoe voelt het om weer op het podium te staan? ‘Ongeveer twee meter hoger dan normaal.’
Waarom heeft Sly bijna dertig jaar als kluizenaar geleefd? Alkema: ‘Zijn saxofonist Jerry Martini zegt dat het een mix van faalangst en succes is. Sly wil weer een succesvolle plaat maken, maar is bang dat het niet lukt. Hij ziet zichzelf niet als superster, hij is zich niet bewust van zijn status. Daarnaast is in de Amerikaanse media veel geschreven over zijn drugsgebruik. Dat heeft hem erg gestoord.’
Sly heeft de afgelopen decennia elke dag muziek gemaakt, zegt Alkema. ‘Hij heeft een archief van honderden liedjes. Ik weet niet of hij dat moet uitbrengen. Het is niet per definitie goed. Kijk maar naar die nieuwe plaat van Guns N’ Roses. Misschien is het beter als hij zijn mythische status behoudt.’
Het was schrikken om te zien dat Sly Stone tegenwoordig een bochel heeft. Hoe komt hij daar aan? ‘Daar zijn verschillende verhalen over’, zegt Alkema. ‘Hij zou bij zijn huis van een steile helling zijn gemieterd. Hij had een bord eten in zijn hand en toen hij neerkwam, had hij het bord nog in zijn hand. Zijn dochter zegt dat hij de afgelopen dertig jaar alleen maar achter zijn keyboard heeft gezeten, in die houding, hij is kromgegroeid.’
Rest de vraag of Sly zijn roemruchte drugsverleden heeft afgesloten. Alkema: ‘Hij gaat nog wel aan de haal met drugs, maar de drugs gaan niet meer aan de haal met hem.’
Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers
Abonneren op:
Posts (Atom)

