zaterdag 12 juni 2010

Booker T. is de MGs ontgroeid

Booker T. & Me backstage in 013 Tilburg, 26 mei 2010.
Booker T. kennen we natuurlijk van de MGs en evergreens als Green Onions. Maar voor de soullegende is er meer in het leven.

Klik hier voor het interview met Steve Cropper en Donald "Duck" Dunn

Booker T. Jones (65) heeft het wel gezien met de band die al een halve eeuw zijn naam draagt. Hij treedt nog wel op met de MGs, vorig jaar nog in Nederland, maar Jones is de band allang ontgroeid. Niet zo gek dat je hoofd naar iets anders staat als je net een Grammy Award hebt gewonnen voor je soloalbum Potato Hole (2009), een rockgeoriënteerd album dat Jones opnam met de Drive-By Truckers en Neil Young.

“In het begin van mijn carrière werd ik onder het kopje R&B geschaard. Vond ik prima hoor. Maar sinds de jaren zeventig heb ik mezelf verbreed. Ik ben altijd een liefhebber van rock geweest. Maar mijn rockkant kwam met de MGs nooit uit de verf. Ik heb vele kanten en heb altijd gezocht naar een balans tussen mijn verschillende facetten. Ik heb samengewerkt met Neil Young, Willie Nelson en Earl Klugh. Ik hou ook veel van gospel en klassiek, maar ook van hiphop. Ik heb net in New York veertien nummers met The Roots opgenomen voor mijn volgende album, dat een hiphop/R&B-plaat wordt. Die komt dit najaar uit.
De muziek die ik nu in mijn hoofd hoor is zo anders dan wat ik in de jaren zestig hoorde. The MGs zijn nog steeds een geweldige band met een fantastisch oeuvre en geschiedenis, maar een ander soort band. Het is geen rockband. En ook geen hiphopband.”



Eenvoud
Wat Booker T. & The MGs wel waren: meesters van de groove. Alles staat ten dienste van de groove. Steen voor steen opgebouwd. Nooit te veel, alleen wat nodig is. Simpel en effectief.
Als huisband van het toonaangevende soullabel Stax in Memphis speelden Booker T. & The MGs in de jaren zestig op de platen van soullegendes als Otis Redding, Rufus Thomas en Eddie Floyd. Maar Booker T. & The MGs scoorden zelf ook hits als Green Onions, Hip Hug-Her en Time is Tight. Ze waren architecten van de soul. Niet slecht voor een stel muzikanten die hun tienerjaren niet of nauwelijks ontgroeid waren.

Het uitgekiende geluid getuigt van een opvallende muzikale volwassenheid. Volgens Jones, een muzikaal wonderkind en multi-instrumentalist die als scholier al bij Stax werkte, kreeg de MGs-sound zijn vorm zonder veel geschaaf en gebeitel.

“Het klonk meteen al zo. Direct toen we begonnen te spelen. Het was een meeting of the minds”, zegt de toetsenist. “Er ging weinig overleg aan vooraf. Het was een wederzijds begrip dat we het simpel moesten houden. De neuzen stonden gewoon allemaal dezelfde kant op.”

De eenvoud en rauwheid van het Stax-geluid is precies waarom Booker T. er zich thuis voelde. “De muziek bleef altijd basic en funky. Niet zo uitgesponnen en gelaagd als bij Motown. De teksten, melodieën en songs waren altijd eenvoudig, toegankelijk en funky. Ik was behalve een werknemer ook een fan van Stax.”



Muziekgeschiedenis
De lijst met grootheden en klassiekers op de CV van Booker T. & The MGs is duizelingwekkend lang. Beseften ze destijds dat ze muziekgeschiedenis schreven?

“Soms wel ja”, zegt Jones. “Als we met Albert King speelden bijvoorbeeld. Er is een nummer, As The Years Go Passing By, waarop zijn stem zo prachtig is. There is nothing I can do, if you leave me, with a cry. Ik luisterde door de koptelefoon en ik wist meteen: dit gaat de geschiedenisboeken in. Dit is een klassieker. Albert King was de Frank Sinatra van de blues. Hij was beter dan Bobby Bland.”

“Dat gevoel had ik meteen toen ik Otis Redding voor het eerst ontmoette. Hij kwam binnen en vroeg of hij een liedje mocht zingen. Hij ging naast me zitten en zong een paar maten van These Arms of Mine. Dit is echt iets bijzonders, dacht ik. In die tijd hoorde ik Johnny Ace en B.B. King en andere blueszangers op de radio, maar Otis was een klasse apart. Hij legde er zo veel gevoel in.”

Rassenscheiding
Booker T. & The MGs schreven niet alleen muziekgeschiedenis, ook op andere vlakken was de groep baanbrekend. In de hoogtijdagen van de zwarte emancipatiestrijd waren Booker T. & The MGs de eerste band met zowel blanke (gitarist Steve Cropper en bassist Donald “Duck” Dunn) als zwarte (Jones en drummer Al Jackson, Jr.) leden. Dat was nogal wat in een land dat met veel pijn en moeite bezig was de rassenscheiding af te schaffen.

“Dat was wel lastig ja”, herinnert Jones zich. “De hotels waren toen gescheiden, dus we moesten in zwarte hotels of blanke hotels slapen. Restaurants waren gescheiden, dus we moesten apart eten. Vaak aten we dan maar in de auto. Of Steve en Duck moesten de kamers regelen en Al en ik slopen dan via de achterdeur naar binnen, want we konden niet gewoon de lobby binnenwandelen. Dus we moesten wel de nodige listen uithalen. Maar we hebben nooit met bedreigingen of geweld te maken gehad.”



Otis Redding
Een van de ‘great rock&roll deaths’ is die van Otis Redding. In december 1967 stortte zijn vliegtuig neer in een meer. Booker T. weet het moment dat hij het tragische nieuws hoorde nog precies.

“We waren op het vliegveld van Cincinnati. We zouden ‘s morgens vroeg terugvliegen van een optreden in Cincinnati naar Memphis. Al Jackson werd gebeld door zijn vrouw. Ik weet nog dat we aan de bar zaten en Al kwam terug met een bedroefd gezicht en vertelde dat Otis dood was. We konden het niet geloven.”

Moord
De boodschapper van het slechte nieuws, Al Jackson kwam zelf ook voortijdig aan zijn einde. In 1975 werd hij doodgeschoten in zijn huis in Memphis. Jackson zou zijn vermoord door inbrekers, maar uit het huis was niets ontvreemd en hij had zijn portemonnee nog op zak. Drie verdachten, onder wie Jacksons ex-vrouw, werden niet vervolgd. De zaak is nooit opgelost.

Jones weet ook nog steeds niet hoe de vork in de steel zit. “Die beroving klinkt me onlogisch in de oren. De politie heeft de zaak niet grondig onderzocht. Er is inderdaad ook een verhaal dat zijn ex-vrouw hem doodgeschoten heeft, maar dat was de eerste keer. Hij is namelijk twee keer neergeschoten. Van de eerste keer was hij hersteld. Hij was zelfs in staat om naar Californië te reizen. Ik heb hem toen gezien. Hij liet me de kogelwond op zijn borst zien. Verschrikkelijk. Dat was weken voor de fatale schietpartij. Ik dacht toen dat het was opgelost. De tweede keer is hij door iemand anders neergeschoten, niet door zijn ex. Maar wie het wel heeft gedaan weet ik dus niet.”

Jacksons sloppy drumstijl was bepalend voor de Stax-sound en de MGs. “Toen we Al Jackson verloren, zijn we veel kwijtgeraakt. The MGs hebben sindsdien nooit meer hetzelfde geklonken. Het is nog steeds een geweldige band, maar het is toch anders”, treurt Booker nog altijd. “Al had zo veel input in de band. Hij was een grote creatieve bron die afgesneden is.”

Jones noemt Jackson meerdere malen tijdens het interview, een teken dat de drummer nog altijd veel voor hem betekent. “Zijn dood heeft zijn weerslag gehad op mijn hele leven. Hij was mijn beste vriend.”

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

dinsdag 20 april 2010

In memoriam: Guru (1961-2010)

Met het heengaan van Guru heeft hiphop een van zijn belangrijkste stemmen en drijvende krachten verloren.

Keith Elam (1961) – alias Guru, dat staat voor Gifted Unlimited Rhymes Universal - groeit op in Boston, maar zijn ambities als rapper zijn te groot voor de stad en hij verhuist midden jaren tachtig naar Brooklyn, New York om het te gaan maken. Via via komt hij in contact met DJ Premier, met wie hij Gang Starr opricht (de naam heeft overigens niets te maken met gangsta rap). Omdat Premier in Texas studeert, wordt de muziek eerst door de telefoon gemaakt.

Gang Starrs debuut No More Mr. Nice Guy (1989) is een wisselvallig album. Maar het nummer Jazz Thing is wel een van de eerste fusies van hiphop met jazz. Doordat het nummer terechtkomt op de soundtrack van de film Mo’ Better Blues van Spike Lee, valt Gang Starr op. Guru en Premier wonen zelfs enige tijd in bij jazzsaxofonist Branford Marsalis, die later zelf succes boekt met het crossoverproject Buckshot LeFonque.
Gang Starr wordt gezien als grondleggers van de jazzrap, een etiket dat Guru en Premier altijd van de hand hebben gewezen. Ja ze houden van jazz, maar ze maken pure hiphop. Hoewel hun muziek inderdaad een jazzy feel heeft, gebruiken ze weinig samples van jazzplaten en putten ze vooral uit funk.

Nieuwe standaard
De Gang Starr-albums Step in the Arena (1991) en Daily Operation (1992) zijn bij het uitkomen al meteen hiphopklassiekers. Gang Starr is een klasse apart. Guru’s monotone flow klinkt totaal anders dan andere rappers in die tijd, al slaat hij soms door in matheid. Guru profileert zich bovendien als een uitmuntende en intelligente tekstschrijver die even makkelijk slimme battle raps schrijft als maatschappijkritische teksten. Tegelijk zetten Premiers steeds geavanceerdere en experimentelere producties een hele nieuwe standaard voor hiphop.

Terwijl Gang Starr staat voor pure hiphop, leeft Guru zijn liefde voor jazz uit in het crossoverproject Jazzmatazz. Op de inmiddels vierdelige serie werkte hij samen met o.a. Roy Ayers, Ramsey Lewis, Chaka Khan en Jamiroquai. Het is een van de succesvolste, want minst geforceerde fusies van hiphop met jazz.
Premier is inmiddels uitgegroeid tot een van de grootste producers van de hiphop. Daarmee is Gang Starr voor hem en Guru steeds meer een side project. Midden jaren ’90 steken de geruchten de kop op dat Gang Starr niet meer is. 

Alcoholprobleem
Guru ontwikkelt een alcoholprobleem. De rapper, die zich in zijn teksten vaak commentaar leverde op geweld, komt zelf in aanraking met de politie. In 1997 wordt hij op het vliegveld van Los Angeles gepakt met een vuurwapen. Die had hij meegesmokkeld als vriendendienst. Ook wordt hij gearresteerd als hij buiten een club een vrouw slaat met een bierfles. Zijn troubles vormen het thema van het gedesillusioneerde Gang Starr album Moment of Truth (1998), dat wordt gezien als de comeback van het duo.

Maar Gang Starrs output blijft onregelmatig en na The Ownerz (2003) gaat het duo uit elkaar zonder daar veel woorden aan vuil te maken. Maar dat de kwestie gevoelig ligt, ondervindt Heaven als we in 2007 in een interview Guru vragen naar de breuk. Hij wil er niet over praten en zijn nieuwe partner Superproducer Solar maakt een hoop heibel over de schijnbare faux pas van uw verslaggever.

Bizar conflict
Op 1 maart komt plots het bericht dat Guru in coma in het ziekenhuis ligt na een hartaanval. Vervolgens ontstaat er een bizar conflict tussen enerzijds Solar, die zich opwerpt als een soort testamentair executeur van Guru, en anderzijds Guru’s familie. Op filmpjes op YouTube beklaagt Guru’s neefje zich namens de familie dat Solar hen niet bij Guru laat. Solar zou ook verzwegen hebben dat Guru al eerder in het ziekenhuis had gelegen. Volgens Solar heeft Guru nadrukkelijk aan hem laten weten dat hij zijn familie – Premier incluis – niet wil zien.

Op 19 april overlijdt Guru op 48-jarige leeftijd (dus niet 43). Dan pas blijkt dat hij al een ruim een jaar aan beenmergkanker leed. In een omstreden verklaring over Guru’s overlijden schrijft Solar, die beweert Guru te citeren, dat zijn nalatenschap volledig naar een liefdadigheidsinstelling gaat die door Guru en Solar opgericht is. Guru’s zoontje zal door Solar, die Guru als zijn nieuwe familie ziet, opgevoed worden. Premier wordt verboden de naam Gang Starr te gebruiken, terwijl Guru Solar de hemel in prijst. Guru’s familie twijfelt aan de echtheid van de verklaring, omdat de rapper nooit meer uit zijn coma zou zijn ontwaakt en bovendien hebben zij nog nooit van Guru's liefdadigheidsinstelling gehoord. Solar werpt tegen dat Guru de verklaring eerder schreef voor als het geval dat hij daar later niet meer toe in staat zou zijn.

Intussen doen steeds vreemdere geruchten de ronde. Guru en Solar zouden een homoseksuele relatie hebben gehad. Solar zou Guru mishandeld hebben. Solar ontkent alles.

Matennaaiers
De tijd zal leren of Solar een slaatje probeert te slaan uit Guru's dood, zoals boze tongen beweren. De ironie wil dat Guru meerdere nummers schreef over matennaaiers.
"I knew this chump see, he tried to play me / He was my right-hand man, but he betrayed me" (Execution of a Chump)
"I'd never thought that you would crab me, undermine me, and backstab me / But I can see clearly now the rain is gone, the pain is gone / But what you did is still wrong / There was a few times I needed your support / But you tried to play me like an indoor sport / Like racketball, tennis, fool, whatever / All I know is that you intended to be clever / But nevertheless cleverness can't impress / 'Cause now you've been exposed like a person undressed" (Take It Personal)


zaterdag 10 april 2010

Dick Dale scheldt de pijn verrot


"Laten we geen tijd verdoen en meteen beginnen", maant Dick Dale (72). "Ik heb het druk. Ik krijg elke dag duizend e-mails van kinderen. Ze vertellen me over hun ziekte en vragen me hoe ik met mijn leven doorga. Ik vertel ze dat ze anderen hun ziekte moeten laten vergeten en aan het lachen moeten maken. Lachen is het beste medicijn. En gezond eten."

De King of the Surf Guitar woont allang niet meer aan de Californische kust, maar in de buurt van Twentynine Palms midden in de Mojave-woestijn. Daar heeft hij zijn eigen luchthaven, Dick Dale Sky Ranch Airport. "Het is hier oorverdovend stil. Het is alsof je in een doodskist ligt. Je hoort het bloed door je aderen stromen. Mijn achtertuin is honderden kilometers diep. Ik kan hier doen wat ik wil. I can rock out in the desert and nobody says anything."

Twee jaar geleden keerde kanker na meer dan veertig jaar terug in Dale’s lichaam. “Ik heb rectale kanker en prostaatkanker”, vertelt hij opvallend laconiek. “Ze hebben de tumor uit mijn endeldarm weggesneden. De operatie zou maar twee uur duren, maar duurde acht uur. De kanker is uitgezaaid naar mijn prostaat. Ik ben zes weken lang bestraald, ik kreeg elke dag een chemokuur.
De bestraling heeft me van binnen helemaal kapot gemaakt. Ik heb constant pijn. Ik kan ‘s nachts niet slapen van de pijn.
Ik moet om de haverklap naar de wc want ze hebben het deel in mijn endeldarm weggesneden dat alles binnenhoudt. Ik heb negen maanden met een zak rondgelopen. Daarna hebben ze me weer dichtgenaaid.

Ik gebruik geen pijnstillers, want dat vermindert de genezing met vijftig procent. Ik heb alle slangetjes uit mijn arm getrokken, in het ziekenhuis verklaarden ze me gek. I rode the train of pain. Maar ik scheld de pijn gewoon uit. Ik zeg: lazer op uit mijn lichaam! Dat zeg ik ook tegen andere kankerpatiënten. En nu heb ik weer een nieuwe titel gekregen: de Cancer Warrior.”

Ook op het podium lijdt Dale pijn. “Soms verlies ik even mijn bewustzijn. Als ik een hoge noot speel op de trompet of zing, ontstaat er kortsluiting in mijn lichaam. Doordat ik aan martial arts doe, sta ik op een bepaalde manier. Ik beheers de mind over matter-techniek, zodat ik mijn lichaam kan uitschakelen.”

Zijn fans geven Dale de energie om door te gaan. “Het mooie van optredens is dat je erna mensen ontmoet. Ze vertellen me over geliefden die ook ziek of overleden zijn. Kinderen van vijf met diabetes die tegen me zeggen dat ze net zo gitaar willen spelen als Dick Dale. Dat is erg bevredigend.
Ik zie mijn fans als mijn familie. Mijn ouders zijn er niet meer, ik heb net een verschrikkelijke scheiding achter de rug, ik heb alleen nog mijn zus en mijn zoon. Ik zeg tegen het publiek: jullie zijn niet alleen mijn familie, jullie zijn ook mijn medicijn. Zij houden me op de been.
De wereld zit vol met vrienden die je nog niet ontmoet hebt. Als ik op tournee ben, is het alsof ik elke dag opnieuw verliefd word.”

Father of Heavy Metal
“Ze zeggen dat Les Paul de elektrische gitaar heeft uitgevonden – wat natuurlijk zo is – but Dick Dale put the electricity in it.

Het pionierswerk van Dick Dale en zijn vriend Leo Fender op het gebied van gitaarversterkers behoeft nauwelijks nog een introductie of uitleg. Dale speelde begin jaren zestig zo ongekend hard dat geen gitaarversterker tegen hem bestand was. Tientallen versterkers blies hij op, tot Fender uiteindelijke de eerste 100 watt-versterker bouwde die Dale’s terreur wel doorstond. Het leverde Dale de eretitel Father of Heavy Metal op.

Dick Dale had zich toen al onsterfelijk gemaakt als grondlegger van het surfgenre, The King of the Surf Guitar, met zijn experimenten met reverberation, wat zijn spel een ‘natte’ sound gaf om het geluid van het surfen na te bootsen.

En nu, in de herfst van zijn leven, denkt Dale samen met zijn zoon Jimmy opnieuw een revolutionaire uitvinding te hebben gedaan. “De Dick Dale Signature Malibu Acoustic en de Jimmy Dale Signature Kingman Acoustic zijn akoestische gitaren die maar drie inches dik zijn in plaats van de gebruikelijke acht, zodat je de hele dag kunt spelen zonder kramp in je rug te krijgen.
Ze zijn helemaal van mahoniehout gemaakt, ook de bovenkant, die normaal altijd een andere houtsoort is. Maar daardoor wordt het geluid ook anders. Ik zei twintig jaar lang tegen Fender dat ze een gitaar van één houtsoort moesten maken, en eindelijk hebben ze naar me geluisterd. Hij ruikt als een meubelstuk als je erop speelt.
Als je een snaar raakt, volgt de noot de moleculen in het hout en het wil een golf, een tsunami worden. Het geluid bouwt zich op en maakt een soort oneindige cirkel van de achterkant langs de zijkant naar de bovenkant naar de achterkant enz. enz. Ik zal het je laten horen (haalt de gitaar en tokkelt een paar riffs). Hoor je dat? Is dat niet prachtig? Wacht maar tot je hem over een versterker hoort, och dat is wonderschoon!”



Sterke verhalen
King of the Surf Guitar. Father of Heavy Metal. Piloot. Martial arts-expert. Boogschutter. Milieuactivist. Leeuwen- en tijgerverzorger. Ruiter. Het leven van de 72-jarige Dick Dale is een bonte verzameling sterke verhalen, die allemaal nog waar zijn ook. En hij vertelt ze graag. Dale hoort zichzelf graag praten. Als hij eenmaal is begonnen verdwijnt de haast en ratelt hij een uur en een kwartier begeesterd door. Geen speld tussen te krijgen.

De jonge en nog onbekende Dale speelde een rolletje als Elvis-imitator in de film Let’s Make Love (1960) met Marilyn Monroe en Yves Montand. “Ik praatte elke dag met haar. Haar man zal wel gedacht hebben dat ik onschuldig was, want hij liet me elke dag bij haar zijn. Ze vertelde me over haar leven. Ze had een moeilijk leven. Ze vertelde over hoe ze was begonnen, over mensen die haar dicteerden wat ze wel en niet mocht doen. Ze had een prachtige ziel. Ze was een uitstekende actrice. Als ze met Yves Montand praatte, wist ik niet of ze de tekst repeteerden of dat ze gewoon een gesprek voerden. Ik heb vier weken met haar doorgebracht, een mooie tijd.”

Dale beweert dat hij eigenhandig een einde maakte aan de hegemonie van de corrupte vakbonden, die muzikanten dwongen lid te worden anders mochten ze niet spelen. “Ik was de eerste die de tegen de vakbond inging. En ik heb gewonnen. In die tijd mochten nachtclubs geen muzikanten inhuren die geen vakbondslid waren. Ze konden de tent sluiten als je je er niet aan hield. De clubs durfden me niet te steunen, ook omdat de maffia de bond bestierde. Dus ik ben in mijn eentje ten strijde getrokken. Mijn advocaat dwong de bond om bij elke nachtclub in Amerika een aankondiging op te hangen dat niet-vakbondsleden met onmiddellijke ingang er mochten spelen. En er stond bij dat ze dat aan Dick Dale te danken hadden.”

En dan is er nog die keer dat Dick Dale bijna een been kwijtraakte. “Ik was aan het stoeien met mijn tijger en ik raakte gewond aan mijn heup. Als ik ging surfen, zoog ik water op via mijn neus, neusholte en in mijn mond. Dat is een Chinese methode die ik had geleerd op mijn martial artstraining. Ik ging het water in met die wond op mijn been. Plotseling kwam er een witte kring omheen, als een soort ringworm. En het vlees begon los te laten. Het werd steeds erger en groter. Ik kon het niet stoppen . De dokter gaf me penicilline en ik mocht het water niet in. Als ik Tahiti, Hawaï of Zuid-Amerika was om te surfen, speelde het weer op. Op een dag stond ik mijn haar te kammen. Ik tilde mijn arm op en ik zag een rode streep naar mijn oksel lopen. Dat was het gif dat in mijn lichaam zat. Ik ging weer naar de dokter en die zei als ik tien uur later was geweest, mijn been geamputeerd had moeten worden. Ze hebben me duizenden eenheden penicilline gegeven.”

Zoals het een rocklegende betaamt, wil Dick Dale in het harnas sterven. “Als ik doodga, zal dat niet in een schommelstoel zijn met een dikke buik. Als ik doodga, zal dat op het podium zijn in een grote explosie van lichaamsdelen. Een journalist schreef: op de manier waarop Dick Dale speelt, neemt hij de helft van het publiek mee. Hahaha!”

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

Larry Graham geeft niet om blaren

Larry Graham is er niet, hij zit in Nederland. Kan ik een boodschap aannemen?”, zegt de stem aan de andere kant van de lijn. Wat krijgen we nou, denk ik, we hadden toch een afspraak voor een interview? Er klinkt gegrinnik uit de hoorn. Larry Graham probeerde me bij de neus te nemen en dat is hem gelukt. Ondanks zijn kenmerkende bariton had ik zijn stem niet meteen herkend.
Het is op de kop af veertig jaar geleden dat Larry Graham een basrevolutie in gang zette. Zijn pop and slap-techniek – of thumpin’ and pluckin’ zoals hij het zelf noemt – die hij gebruikte op Thank You (Falettinme Be Mice Elf Agin) van Sly and the Family Stone, werd de blauwdruk voor de funkbas. Grahams uitvinding kreeg navolging van talloze bassisten, van Bootsy Collins en Stanley Clarke tot Mark King en Les Claypool. Dankzij Larry Graham speelt de bas geen rol op de achtergrond meer, maar eist de hoofdrol op.

Zoals het zo vaak gaat met uitvindingen, ontstond het hameren en plukken bij toeval. Van huis uit is Larry Graham helemaal geen bassist, hij is ook bekwaam op de piano, gitaar, drums, klarinet, saxofoon en harmonica.
“Als tiener speelde ik in de band van mijn moeder, zangeres Dell Graham”, vertelt Larry. “Ik speelde de bas op het orgel. Op een dag gingen de baspedalen van het orgel kapot en bleken niet meer te repareren te zijn. Maar zonder de bas had de muziek geen bodem. Dus toen moest ik maar basgitaar gaan spelen. Mijn moeder besloot dat ze geen drummer meer wilde, dus dat hameren en plukken ontstond ter vervanging van de drums; de hamer was de basdrum en het plukken de snare. Ik ben dus eigenlijk per ongeluk bassist geworden.”

Was het een openbaring?
“Nee, het is geboren uit noodzaak. Maar ik ben nooit meer van de bas af gekomen. Vooral natuurlijk toen ik bekend werd om het thumpin’ and pluckin’.”

Als je Larry Graham tekeer ziet gaan op zijn basgitaar, vraag je je af of hij geen last van blaren heeft.
“Natuurlijk, maar dat is juist goed! Een blaar is niet zo erg, die gaat wel weer weg. Je krijgt er eelt van.”



Larry Graham heeft de eer gehad om met twee van de grootste genieën van de popmuziek te mogen spelen: Sly Stone en Prince. Wat heeft hij van hen geleerd?
“Leiderschap. Er is een groot verschil tussen lid zijn van een band en de leider zijn. Sly en Prince waren allebei goede leiders. Tegelijk weet Prince ook op de achtergrond te blijven en iemand anders naar voren te schuiven.
Hun grootste kwaliteit is hun liefde voor muziek en op basis daarvan behandelen ze iedereen in de band. Als de leider te bazig en gemeen is heeft dat zijn weerslag op de muziek. Je kunt iemand doden met gemeen zijn. Het klinkt niet hetzelfde als wanneer je iemand met liefde behandelt.
“Bij Sly and the Family Stone droeg iedereen zijn steentje bij. Sly was weliswaar de schrijver van de muziek, maar hij liet de bandleden ook hun bijdrage leveren. Hij probeerde bijvoorbeeld niet Freddie te vertellen wat hij moest spelen, maar hij liet Freddie in zijn eigen stijl spelen. En niemand speelt als Freddie. Sly presenteerde de song en liet vervolgens de bandleden hun ding doen.”




Door het roemruchte drugsgebruik van Sly Stone viel de Family Stone begin jaren ’70 uiteen. Vooral Sly en Larry Graham raakten gebrouilleerd en de bassist stapte na There’s a Riot Goin’ On (1971) uit de band. Gevraagd naar zijn relatie met Sly houdt Graham zich op de vlakte. Maar zwijgen zegt soms meer dan duizend woorden.
“Mijn relatie met Sly en de band was altijd goed. Dat kon je horen aan de vreugde in de muziek.”

Maar ten tijde van There’s a Riot Goin’ On liep het intern toch niet zo lekker ?
“Wat Sly in zijn privéleven deed is een ander verhaal. Daar was ik niet bij. Het verschil tussen Riot en de eerdere platen was dat we allemaal samen speelden, live in de studio. Op Riot was Sly naar Los Angeles verhuisd en had hij thuis een studio. Sly maakte veel muziek zelf. Ik was daar helemaal niet bij. Ik vloog dan naar Los Angeles om mijn stukken te overdubben. Misschien was Freddie Stone er meer. Maar hij is familie.”

Er was geen animositeit tussen u en Sly?
“O nee. Ik heb altijd een positieve relatie met de band gehad. Het bewijs daarvan is de tour van Graham Central Station met Prince. Toen had ik Rose Stone, Jerry Martini en Cynthia Robinson in de band. Bij sommige optreden speelde zelfs Greg Errico mee.”

Maar Sly was daar dus niet bij.
“Toen was hij nog niet bezig met zijn comeback.”

Er is een verhaal dat Sly u wilde laten vermoorden. Is dat waar?
“Je weet hoe dat gaat met verhalen. Hahaha! Mensen maken er een sensatieverhaal van. Wat betreft die periode in onze levens, ga ik niet in op de negatieve dingen. Ik focus me op het positieve van de muziek. Het enige dat telt is de muziek.”

Wat was dan de reden voor uw vertrek bij Sly and the Family Stone?
“Als je een kind van een familie bent groei je op en ga je het huis uit. Dat heeft geen negatieve reden. Het wordt tijd om verder te gaan. Maar het blijft een familie. En soms kom je nog thuis voor familiebijeenkomsten. Er is nog steeds liefde tussen de ouders en het kind en de broers en zussen. Ze gaan hun eigen levens leiden maar niet omdat ze het huis uit zijn getrapt.”

Maar u ging in 2007 niet mee met Sly’s comebacktournee?
“Nee, ik deed mijn eigen ding.”

Hebt u nog contact met Sly?
“Ik heb hem in de afgelopen jaren gesproken.”

Sly zou aan een comebackalbum werken.
“Dat heb ik vernomen. Ik heb er nog niks van gehoord. Ik hoop het. De man is een genie. Hij heeft een gave die hij met mensen moet delen. Ik hoop dat het een goede plaat wordt.”

Verwacht u dat het net zo goed wordt als zijn oude werk?
“Ik hoop het. Het zal anders worden omdat niet alle oorspronkelijke bandleden meespelen. Maar Riot was ook anders en dat is van de dag nog steeds een relevante plaat. Net zo relevant als onze andere platen als Dance to the Music. Maar anders. De auteur en het genie achter de muziek is nog steeds dezelfde persoon. Dus ja dat wordt geweldig.”

Graham zegt dan wel bij Sly and the Family Stone te zijn opgestapt omdat het tijd was om verder te gaan, de sound van zijn eigen band Graham Central Station lag er dicht tegenaan.
“Natuurlijk. Ik speel wat mijn hart me ingeeft en mijn hart zat ook jarenlang in Sly and the Family Stone. Dus dat komt natuurlijk ook terug in Graham Central Station. Ik heb niet van hart gewisseld.”


Sly and the Family Stone on The Dick Cavett... by eric-hope

Muzikanten en Maffiosi hebben een ding gemeen: ze gaan op latere leeftijd graag in de Heer. In 1975 werd Larry Graham Jehova’s Getuige. Kerken moet doorgaans weinig hebben van verderfelijke rock&roll. Hoe staan de Jehova’s tegenover zo’n flamboyante funkateer als Larry Graham in hun kerk?
“Er zijn inderdaad religies die het verbieden. Jehova’s Getuigen hebben geen verboden die mij in mijn muziek zouden beperken. Maar als ik schuttingtaal zou bezigen of me vulgair zou kleden, is dat niet aanvaardbaar volgens de maatstaven van de Bijbel. Maar verder…”

Maar u komt uit Sly and the Family Stone, een groep waarin veel drugs werden gebruikt. Is dat geen probleem?
“Het zou natuurlijk onaanvaardbaar zijn als ik als Getuige drugs gebruikte. Mensen veranderen. De discipelen van Jezus waren anders voordat Hij met hen praatte. Toen ze Jezus gingen volgen, veranderden ze. Veel Jehova’s Getuigen leefden eerst niet in harmonie met de Bijbel, maar toen ze het leerden, veranderden ze. God staat doe dat we leren en onze levens beteren. Bij Jehova’s Getuigen gaat het erom dat je het probeert. God verwacht niet dat je volmaakt bent, maar dat je het probeert.”

Gaat u ook de deuren langs?
“Jazeker. Misschien klop ik op een dag bij jou aan.”

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

vrijdag 19 maart 2010

Naturetone - Nihon


Mijn goede vriend Patric Geissbühler a.k.a. Naturetone uit Bern heeft zijn eerste solo-album uitgebracht sinds Three Tree Posse, de groep die de Zwitserse hiphop pionierde. Als Nipponfiel was het onvermijdelijk dat Japan het thema van Nihon zou worden. Het album staat vol atmosferische instrumentale hiphop die gedetailleerd en gelaagd is opgebouwd en voortdurend evolueert. Naturetone verweeft subtiel en smaakvol traditionele Japanse instrumenten in de mix. Nihon is hier gratis te beluisteren en te downloaden.

woensdag 17 februari 2010

Bill Withers: Een of andere zwarte man met een gitaar


Met dierbare standards als Ain't No Sunshine en Lean On Me heeft Bill Withers een plek in de galerij der groten verworven. Tegenwoordig komt er weinig muziek meer uit hem, maar wel een nieuwe documentaire.

Het is 1970 en de 32-jarige Bill Withers kan wel wat goed nieuws gebruiken. Zijn vriendin heeft de benen genomen. Inbrekers hebben zijn flat leeggehaald. Bij Boeing, waar Bill vliegtuigtoiletten maakt, is een ontslagronde aangekondigd. De eindeloze rondes langs platenmaatschappijen lopen op niets uit. De hoop op een carrière in de muziek, waarvoor Withers na negen jaar afzwaaide bij de marine en naar Los Angeles verhuisde, heeft hij zo goed als opgegeven. Voor de A&R-managers die hem keer op keer afwezen, heeft hij een cynische bijnaam bedacht: Antagonistic & Redundant.

Op een goede dag krijgt Withers een telefoontje van Ray Jackson van de Watts 103rd Street Rhythm Band (bekend van het hitje Express Yourself met Charles Wright). Jackson helpt Withers met het opnemen en shoppen van zijn demo's . Hij heeft beet bij het kleine labeltje Sussex. Eigenaar Clarence Avant is lyrisch over Withers' songs.

Voor hij het goed en wel beseft zit Withers in zijn huiskamer Ain't No Sunshine te spelen voor Booker T. Jones (Booker T. & The MG's), die zijn debuutalbum gaat produceren. "Ik verontschuldigde me dat ik nog geen tekst voor de brug had geschreven, dus ik herhaalde steeds I Know. Maar Booker zei: laat het zo."



Just As I Am
In juli 1971 duikt Bill Withers de studio in om zijn debuutalbum op te nemen met Booker T. & The MG's. Minus gitarist Steve Cropper dan, in zijn plaats is Stephen Stills.

Bill is bloednerveus. Hij schreef zijn nummers op het ritme van fabrieksmachines en met een akoestische gitaar in de huiskamer, met de bedoeling dat niet hij, maar anderen die zouden opnemen. En nu staat hij in een professionele opnamestudio met de beste muzikanten die je kunt krijgen.

Om Withers een vertrouwd gevoel te geven heeft Booker een krat neergezet, waarop Bill met zijn linkervoet het ritme stampt. Net als thuis. "Toch was ik zenuwachtig, tot Graham Nash, ja die Graham Nash, recht voor me ging zitten en met dat prachtige Engelse accent zei: je hebt geen idee hoe goed je bent. Wees gewoon jezelf en zing." En zie daar de titel van het album: Just As I Am.

Een even simpele als treffende titel. Just As I Am is een klein wonder van puurheid. Typisch een schepping die in de eenzaamheid van een zolderkamer tot stand is gekomen, zonder storende invloeden van buitenaf. In een tijd dat soul steeds meer sophisticated, psychedelisch en funky werd, klinkt Just As I Am een beetje ouderwets. Niet in de zin dat de muziek gedateerd is - daarvoor zijn de songs te urgent - maar in de zin van tijdloosheid. Just As I Am bevindt zich in zijn eigen tijdscapsule. Withers' komaf, hij groeide op in een afgelegen mijnwerkersdorp in West Virginia, is een belangrijke factor in het rootsy geluid.

Just As I Am is onmogelijk te categoriseren: is het soulfulle singer-songwriter, of singer-songwritersoul? "Ik was een of andere zwarte man op een stoel met een akoestische gitaar", omschrijft Withers achteraf de verwarring. Just As I Am is simpelweg een genre op zichzelf.

Bijna veertig jaar later heeft Just As I Am nog niets aan urgentie en schoonheid verloren. Het album is een krachtig staaltje rauwe emotie, intiem alsof Bill Withers je in zijn dagboek laat lezen. De teksten zijn doorleefd.

Grandma's Hands is een gevoelig, bluesy en ingetogen eerbetoon aan zijn oma die hem opvoedde (Withers' vader stierf toen hij twaalf was). Ain't No Sunshine en Hope She'll Be Happier zijn vermoedelijk autobiografisch (Withers’ vriendin had hem net verlaten). Zelfs de meest koele kikker zal niet ongevoelig zijn voor de pijn en eenzaamheid die Withers voelbaar maakt op Hope She'll Be Happier, over een man die 's avonds laat treurt om zijn vriendin die er met een ander vandoor is. Dat geldt ook voor I'm Her Daddy, over een man die na jaren tot zijn ontsteltenis en verdriet erachter komt dat hij een dochter heeft.

Het compacte album - slechts 35 minuten - heeft geen enkel zwak of loos moment en laat de luisteraar na afloop snakken naar meer.

Dat ondanks de verontrustende en ijzingwekkende slotakte Better Off Dead, vertelt door de ogen van een chronische en onverbeterlijke alcoholist die zelfmoord pleegt nadat zijn vrouw bij hem wegloopt. Het album eindigt met een pistoolschot. De luisteraar blijft muisstil achter.



Just As I Am wordt een groot succes. Ain't No Sunshine wordt een top-10 hit en levert Withers een Grammy op.

Still Bill
Hoe maak je een waardig vervolg op zo'n verbluffend debuut? Het kostte Bill Withers schijnbaar geen enkele moeite met Still Bill (1972). Tussen het toeren door neemt hij het album op met leden van The Watts 103rd Street Rhythm Band, die zijn tourband vormen. De muziek is rijker georkestreerd en meer sophisticated dan Just As I Am, maar heeft niets aan zijn earthiness verloren. Opvallend is hoe de muziek retefunky is en toch ingetogen en gecontroleerd. Dat is grotendeels toe te schrijven aan het ontspannen en onderkoelde spel van drummer James Gadson.

Still Bill is niet zo emotioneel intens als zijn voorganger. Daar staat tegenover dat de teksten op een nog hoger literair niveau staan. Withers vertelt meer schetsmatig en bedekt (en dus meer aan de verbeelding overlatend) over situaties en personages, opnieuw verhalend over zieke relaties, zoals een man die zijn vrouw van vreemdgaan verdenkt (Who Is He (And What Is He To You)?), een man die in weerwil van de adviezen van familie en vrienden in verwikkeld is in een strikt op lust gebaseerde relatie (Use Me). Withers brengt ook een ode aan de solidariteit in het kleine mijnwerkersstadje waarin hij opgroeide (Slab Fork, West Virginia) met Lean On Me.

Elk nummer op Still Bill is een klassieker: Who is He (And What is He to You?), Use Me, Kissing My Love, en natuurlijk het veel gecoverde Lean On Me. Still Bill is een broeierige, gelaagde plaat die steeds meer prijsgeeft. Still Bill is een afspiegeling van de plotselinge wending die Withers leven in korte tijd had genomen: van een ploeterende fabrieksarbeider naar een ster, van een eenvoudige plattelandsjongen die verzeild is geraakt in de grote stad tussen grotestadsmensen, maar in zijn hart nog de mijnwerkerszoon is.



Ook Still Bill wordt een hit. Lean On Me en Use Me en het album zelf gaan goud en staan wekenlang op 1. Lean On Me groeit uit tot een standard, dankzij covers door Mud en Club Nouveau. Creative Source scoort in 1974 een hit met Who Is He (And What Is He To You?).

Live at Carnegie Hall
Live at Carnegie Hall is de documentatie van een glorieuze avond in oktober 1972. Dat is al direct duidelijk bij het openingsnummer Use Me, waarbij het dak van de prestigieuze concertzaal er al af gaat. De intimiteit en interactie met het publiek is verbluffend, zie in zo’n grote zaal maar eens een huiskamersfeer te creëren. Het concert heeft de magische sfeer van zo'n avond waarop alles klopt.

Bill Withers wordt opnieuw begeleid door de Watts 103rd Street Rhythm Band en sluit muzikaal daarom naadloos aan op Still Bill, dat enkele maanden eerder werd uitgebracht. Hoogtepunten zijn Use Me - smaakvol aangevuld met bluesy gitaaraccenten van Benorce Blackmon, een opgefunkte versie van Better Off Dead - wat een sublieme opbouw!, het machinaal en toch akoestisch klinkende Lonely Town, Lonely Street en het bloedstollende anti-oorlogspamflet I Can't Write Lefthanded, verteld door de ogen van een verminkte veteraan.



Het makken van liveplaten is vaak dat in de energie van het livemoment de details van de oorspronkelijke versies verloren gaan. Maar dat geldt niet voor Live at Carnegie Hall. De muziek is even strak en zorgvuldig gespeeld als in de studio, nergens gehaast. De opwinding van de avond komt onverminderd de huiskamer binnen. Het is daarom een van de beste liveplaten ooit gemaakt.

Live at Carnegie Hall markeert het einde van Withers' prime. Niet dat het hierna bergafwaarts ging, er valt nog veel moois te beleven. Maar Withers' latere albums missen de eigenzinnigheid, spontaniteit en de magie van zijn eerste drie platen. Daarom behandel ik die selectief en beknopter.

+'Justments
+'Justments (1974) is een lastige plaat. Door de donkere, gedesillusioneerde toon (wellicht omdat zijn kortstondige huwelijk met actrice Denise Nichols dat jaar op de klippen was gelopen?) lijkt de muziek taai. Het geluid van +'Justments borduurt voort op het groovy Still Bill, maar is hermetischer gearrangeerd. Hoogtepunten zijn You, The Same Love That Made Me Love, Can We Pretend (met Jose Feliciano), het mooie Make a Smile For Me en het spannend funky Railroad Man.



+'Justments was Withers’ laatste plaat voor Sussex (het label ging korte tijd later failliet), eigenlijk de laatste echte Bill Withers plaat waar hij volledig zijn eigen geluid heeft. Wel begint de formule slijtageplekken te vertonen en dat besefte Withers zelf ook: direct na de voltooiing verbrak hij de samenwerking met de 103rd Street Watts Band. +'Justments is niet zo'n memorabel album als zijn voorgangers en bevat geen Bill Withers-klassiekers als Grandma's Hands. Het is daarom een van zijn meest ondergewaardeerde platen. Het duurt lang voordat +'Justments zich in je hart en hoofd nestelt, maar het is de investering zonder meer waard.

Making Music
Na een juridische strijd met het failliete Sussex over rechten, tekent Bill Withers bij de major Columbia, in de hoop van de problemen van een klein label af te zijn. Zijn eerste release voor zijn nieuwe werkgever is Making Music (1975). De sfeer is luchtig, al zijn de arrangementen overdadiger. Make Love To Your Mind, Sometimes a Song en Don't You Want to Stay? zijn stand-outs, maar verder boet het album aan kracht in door kitscherige strijkers en minder geïnspireerde composities.



Naked & Warm
Liefhebbers van de funky Bill Withers komen volledig aan hun trekken met Naked & Warm (1976). Withers heeft peper in zijn reet op puntige tracks als de single Close to Me, Naked & Warm, Where Are You en Dreams. Withers unieke eigen geluid is nu voorgoed overboord gezet en wellicht daarom wordt Naked & Warm vaak over het hoofd gezien, maar het is beslist een van Withers’ betere platen uit zijn latere periode. Hoog tijd voor een reissue.



Menagerie
Menagerie (1977) is typisch een plaat van zijn tijd: slicke softfunk die licht naar disco neigt. Waar Withers eerst juist een observator was van het leven, is escapisme nu het credo. Liefhebbers van het organische geluid van het vroege Withers-werk zullen moeite hebben met het gladde, overgeproduceerde geluid. Met sterke nummers als de hit Lovely Day, Lovely Night for Dancing en Wintertime is Menagerie een prima, hoewel een onevenwichtig album waarop het eigen geluid van Withers ver te zoeken is.



'Bout Love / Watch You Watching Me
Withers’ laatste twee albums 'Bout Love (1979) en Watch You Watching Me (1985) mag je overslaan. Het is respectievelijk futloze, inwisselbare Quiet Storm en steriele jaren tachtig pop.

Just the Two of Us
Gefrustreerd over de muziekindustrie stopt Withers midden jaren tachtig met platen maken. Toch weet hij juist in deze tijd een blijvende plek te branden op het netvlies van het grote publiek, in Nederland althans. Met saxofonist Grover Washington, Jr. scoort hij in 1980 een grote hit met Just the Two of Us (1980), wat hem tevens zijn tweede Grammy oplevert. In 1987 wordt Withers genomineerd voor een Grammy dankzij de cover van Lean On Me door Club Nouveau. En dan is er nog de remix van Lovely Day door onze eigen mixmeester Ben Liebrand, die nummer 4 haalt in de Nederlandse Top 40 in oktober 1988.



Sporadisch duikt Withers nog eens op, zoals op Jimmy Buffetts album License to Chill (2004). In 2005 wordt hij opgenomen in de Songwriters Hall of Fame. Vorig jaar verscheen Soul Power, de integrale registratie van het concert rond de legendarische bokswedstrijd tussen Muhammad Ali en George Foreman in Zaïre in 1974, waar Bill Withers optrad naast James Brown, Etta James en B.B. King. Interviews geeft Withers zelden, maar hij werkte wel mee aan een documentaire over zijn leven en loopbaan, met de geruststellende titel Still Bill.



Na vier decennia is Bill Withers uitgegroeid tot een original wiens werk door velen is gecoverd. Ain’t No Sunshine, Lean On Me en Grandma's Hands zijn standards geworden. Ook nieuwe generaties blijven Bill Withers ontdekken. Zijn muziek is een dankbare bron van samples voor rappers, waarvan de hit No Diggety van Blackstreet (1996) het succesvolste voorbeeld is.

Bill de klusjesman
Muziek is tegenwoordig bijzaak voor Bill Withers. Alhoewel hij in zijn home studio in Beverly Hills nog wel wat aanklooit, neemt hij liever een hamer en een zaag ter hand. "Ik leef voor Home Depot (de Amerikaanse Gamma). Ik rijd liever rond in een oude pick-up truck met 'Bill de klusjesman’ op de zijkant om lekkende toiletpotten te repareren, dan te werken in de muziekindustrie. Gelukkig kan ik dankzij muziek het leven van een timmerman op stand leiden. Ik ben gek op hout, hamers, spijkers, bouten en moeren."



Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

woensdag 10 februari 2010

Gil Scott-Heron is herrezen uit de dood



‘Standing in the ruins of another Black man’s life.’
Het is misschien wel de comeback van het komende decennium en het vorige met terugwerkende kracht. Gil Scott-Heron (60) dreigde de rest van zijn dagen achter de tralies te slijten na de zoveelste arrestatie wegens drugsbezit, of hij zou stilletjes sterven in een Harlems crackhouse. Dat er na zestien jaar plotsklaps een nieuw album is, mag een klein wonder heten.

Lees ook:


Vaak heb ik het voorbije decennium gedacht: deze tijd schreeuwt om een Gil Scott-Heron plaat. De twijfelachtige verkiezing van George W. Bush, 9/11, de leugens rond de inval van Irak, de oorlog in Afghanistan, Guantánamo Bay, de verkiezing van Barack Obama als eerste zwarte president van Amerika. Wie kon de politieke turbulentie beter van commentaar voorzien dan Gil Scott-Heron? Maar Gil werd worstelde met een hardnekkige cocaïneverslaving, zat tussendoor in de gevangenis, was meer dood dan levend en zou zelfs hiv hebben. In een documentaire van Don Letts uit 2005 zag hij er zo afgetakeld uit dat de camera geen close-ups van hem maakte.

Godfather of rap
Een wonderkind was hij. Op zijn negentiende had Gil Scott-Heron (1949) al twee romans (The Vulture en The Nigger Factory) op zijn naam staan. Hij maakte zichzelf begin jaren zeventig onsterfelijk als de godfather of rap met The Revolution Will Not Be Televised (Gil bedacht de uitdrukking). Het spervuurgedicht voorgedragen op een funky beat inspireerde bijna twintig jaar later rappers als Public Enemy en Michael Franti.

In Gil Scott-Herons politieke teksten kregen zowel blank als zwart ervan langs, werden politici fijnzinnig en scherpzinnig gefileerd. Zonder prekerig te worden en de humor uit het oog te verliezen.

Gil Scott-Heron was een chroniqueur van het harde leven in het zwarte getto. Zelf nog clean als een dauwdruppel in een Alpenweide schreef hij invoelbare junkiedrama’s als The Bottle en Home is Where The Hatred Is. Soundtracks van een tragisch leven die later voor Scott-Heron zelf the story of his life werden. Hoe een intelligent persoon als Gil Scott-Heron zelf ten prooi kon vallen aan de gevaren waarover hij schreef, blijft een mysterie.



Het vergt weinig fantasie om te begrijpen dat I’m New Here een testament is van Gils eigen struggles. “I did not become someone different that I did not want to be”, verklaart hij op I’m New Here. “No matter how wrong you gone, you can always turn around.” Op Crutch observeert hij een andere junk: “His eyes half-closed reveal his world of nod, a world of lonely men and no love, no God.”

Grootstedelijke nachtmerrie
Het album is de muzikale vertaling van een grootstedelijke nachtmerrie. De sfeer is donker en dreigend en zo dik dat je hem bijna kunt aanraken.

Gil Scott-Heron was altijd in de eerste plaats een schrijver en een spoken word dichter, en pas op de tweede plaats een zanger en een muzikant. Door het jarenlange drugsmisbruik is Gil Scott-Herons zangstem simpelweg kapot – getuige Me and the Devil. De focus ligt daarom op spoken word.
Gils woorden hebben nog niet aan kracht ingeboet en zijn dwingende, verweerde stem en duistere poëzie grijpen je bij de strot. Een bloedstollende nieuwe uitvoering van The Vulture (hertiteld als Your Soul and Mine) maakt meer indruk dan het origineel uit 1970. Ontroerend is het tweeluik On Coming From a Broken Home waarmee het album opent en sluit, een eerbetoon aan zijn grootmoeder en moeder die hem opvoedden en nooit bij de pakken neerzaten.



Een klein gemis is het ontbreken van rake politieke observaties van het Bush-tijdperk in de geest van de Gil Scott-Heron-klassiekers H2Ogate Blues of Work for Peace.

Op I’m New Here geen melodieuze souljazz. XL-baas en producer Richard Russell ontwierp een uitgebeend, lo-fi electronisch geluid – in de lijn van ‘B’ Movie en Message to the Messengers - als een schetsmatige, atmosferische omlijsting voor Gils gedichten. Het zal niet iedereen bekoren.
Een meesterwerk is I’m New Here niet, een slechte plaat evenmin. Het album steekt wat mager af tegen zijn sterke vorige comebackalbum Spirits (1994). Je krijgt het gevoel dat Russell en Gil Scott-Heron met beperkte middelen hebben geprobeerd het beste ervan te maken. Met een groter budget, hoogwaardigere productie en meer nieuw en eigen materiaal (er staan een paar covers op) was I’m New Here een betere plaat geworden.

Een glorieuze comeback? Het is glorieus dat Gil Scott-Heron weer muziek maakt. Hopelijk is dit slechts een opmaat naar meer, en is de volgende keer dat we weer van hem horen niet in de vorm van een arrestatie of een necrologie.




Dit artikel is eerder gepubliceerd op DePers.nl