Miles Davis in 1987. (Foto: Wikimedia Commons/Dr Jean Fortunet)
De legendarische trompettist Miles Davis (†1991) zou vandaag, 26 mei 2026, zijn 100ste verjaardag hebben gevierd.
Ik ben deze week te gast in het radioprogramma Jazznotes van Arjan Klaver om te praten over Miles’ omstreden én visionaire elektrische periode vol woeste experimenten met rock en funk in de jaren 70. Want Miles werd geroemd en geprezen als 'De Grote Vernieuwer' en de 'Picasso van de jazz', zijn experimenten met rock en funk gingen veel jazzcats toch te ver. Maar die bleken tot ver buiten de jazz invloedrijk: in de post-punk, noiserock en EDM.
De uitzending is zondagavond 31 mei 20:00 te horen op NH Gooi en dinsdagavond 2 juni en vrijdagavond 5 juni om 22:00 op Eemland1.
How the hell wordt een rocker defensie-adviseur bij het Pentagon? Dat is top secret. Wel vrijgegeven is het eerste soloalbum van Jeff ‘Skunk’ Baxter, die naam maakte als gitarist bij Steely Dan en The Doobie Brothers. Een debuut na een muziekcarrière van meer dan een halve eeuw.
Driemaal is scheepsrecht. In de afgelopen tien jaar deed ik voor Heaven drie pogingen om Jeff ‘Skunk’ Baxter (73) te spreken over zijn soloalbum, telkens als er geluiden waren dat de release op handen was. Maar dan werd het toch weer uitgesteld. Nu ligt Speed of Heat dan eindelijk in de winkel en staat Baxter staat ons te woord via Zoom. Zijn telefoonnummer is geheim om veiligheidsredenen.
“Jeetje, het album heeft lang op zich laten wachten, de eerste track was al af in 1989”, erkent hij in de muziekkamer van zijn huis in Los Angeles. Dezelfde ruimte als op de promotiefoto’s. Op de achtergrond zijn hifi-apparatuur en gitaren te zien.
“C.J. Vanston (componist en muzikale partner, PS) en ik heb het samen geproduceerd. Het duurde zo lang omdat we allebei druk waren. We hebben er min of meer 33 jaar aan gewerkt.”
Waarom, in een muziekcarrière die in 1968 begon in de band Ultimate Spinach, heeft Jeff Baxter in nooit eerder een soloalbum gemaakt? “Ik vond het nooit een goed idee om een soloalbum te maken nadat je uit een succesvolle band (The Doobie Brothers, PS) bent gestapt. Een platenmaatschappij wil dat graag, zeker ook vanuit zakelijk oogpunt. Maar er was toen al zo veel sessiewerk voor mij en ik produceerde platen voor anderen. Ik werkte ook nog eens samen met fabrikanten van muziekinstrumenten, ik had er gewoon geen tijd voor. Als je een soloalbum wilt maken moet je er echt tijd voor vrijmaken. C.J. en ik dachten steeds: we gaan eraan werken als we tijd hebben. Af en toe een dag of een paar dagen, kijken wat eruit komt en dat sparen we op. Als je steeds een muntje in een spaarpot stopt, is de pot op een gegeven moment vol en breng je het naar de bank.”
Na het vertrek van het gitaristenkoppel Warren Haynes en Derek Trucks kondigde Gregg Allman (67) begin vorig jaar voor de derde keer het definitieve einde van The Allman Brothers Band aan. Deze zomer komt hij voor een eenmalig concert op het Europese vasteland naar de Amsterdamse poptempel Paradiso, reden waarom het southern rock-icoon zich bij hoge uitzondering liet aanschieten.
Wat is het verschil tussen uw nieuwe band en The Allman Brothers Band?
“Het grootste verschil is dat er nog maar één kok in de keuken staat, als je begrijpt wat ik bedoel. Bij de Allman Brothers roerden er drie of vier mensen in de pot, en dat maakte het soms erg ingewikkeld. Er is veel minder drama in mijn band, en dat maakt alles een stuk makkelijker.”
Waarom zette u een punt achter The Allman Brothers Band?
“Ik wist een paar jaar geleden al dat het einde naderde. Wij allemaal, denk ik. 45 jaar, dat is een lange tijd, man. We wilden dat de Allman Brothers op hun hoogtepunt zouden stoppen. Dat was voor iedereen belangrijk. Dus dat hebben we gedaan.”
Welke bands vindt u waardige opvolgers van The Allman Brothers Band?
“Dat vind ik moeilijk te zeggen, maar Blackberry Smoke is in ieder geval een band die het op de oude manier aanpakt: ze winnen nieuwe zieltjes met elke show die ze spelen, net zoals wij vroeger met de Allman Brothers deden.”
Bijna al uw kinderen zijn de muziek ingegaan. Devon trad zelfs uw southern rock-voetsporen met Royal Southern Brotherhood, waarin ook Cyril Neville speelt. Staat u uw kroost bij met raad en daad?
“Ik had maar één advies voor ze: zoek een echte baan. Maar ze wilden niet luisteren. Ik ben trots op al mijn kinderen, en ik steun ze in alles wat ze doen.”
Het rocksterrendom in de jaren zeventig was synoniem voor een decadente levensstijl. In uw autobiografie My Cross To Bear uit 2012 bent u erg openhartig over alle excessen. Zo vertelt u over de eerste vlucht met het privévliegtuig van de band. Op de bar stond ‘Welkom Allman Brothers’ geschreven met cocaïne. Hoe kijkt u nu terug op uw drank- en drugsmisbruik?
“Ik heb veel jaren verspild, dat lijdt niet de minste twijfel. Een van de redenen waarom ik dat boek heb geschreven is dat mensen langs die weg kunnen leren van mijn fouten. Een groot deel van mijn leven is een voorbeeld van hoe het niet moet.”
Het liederlijke leven eiste uiteindelijk zijn tol. In 2010 kreeg u een nieuwe lever. Hoe staat het nu met uw gezondheid?
“Ik voel me prima, dank je. Ik eet beter, ik doe aan lichaamsbeweging en ik krijg genoeg slaap. Ik zorg veel beter voor mezelf dan vroeger. Dat maakt een enorm verschil, nou en of.”
Wat motiveert u om na een halve eeuw te blijven touren?
“Ik hou nog steeds van muziek maken, echt waar. Ik heb wel een hekel aan het reizen gekregen, maar muziek is mijn levensader.”
Het fatale motorongeluk van uw gitaar spelende broer Duane in 1971 sloeg een gapend gat in de band. Was het moeilijk om door te gaan?
“Natuurlijk. Eerst dachten we dat het helemaal voorbij was. Maar ik raakte er al gauw van overtuigd dat mijn broer had gewild dat we door zouden gaan. Een paar weken na het ongeluk hielden we een groepsvergadering en ik zei tegen de anderen: laten we gaan spelen. We gingen naar Miami om het album Eat A Peach af te maken. Dat was zwaar, man, maar het lukte. Daarna wisten we dat we het konden.”
Het conservatieve Zuiden van de Verenigde Staten had eind jaren zestig nog maar net met frisse tegenzin de rassenscheiding afgeschaft of daar kwam The Allman Brothers Band met blanke én zwarte leden. Kreeg u daar geen problemen mee?
“Oh man, zeker weten. Wat dacht je, een stel hippies met een zwarte in de band die in de Deep South spelen? Natuurlijk hadden we problemen met rednecks, maar daar hebben we ons nooit door laten weerhouden. Een van de dingen die ik fijn vind aan muziek is dat ze kleurenblind is. Het enige dat telt is of je goed kunt spelen. Er is geen plaats voor racisme in mijn muziek of mijn leven.”
The Black Keys hadden zich net ontwikkeld tot songwriters, besluiten ze op El Camino weer ouderwets te rock ’n rollen.
‘Een rock ’n roll-plaat.’ Zo omschrijft zanger en gitarist Dan Auerbach het zevende Black Keys-album El Camino dat vrijdag in de winkel ligt.
Om eerlijk te zijn: El Camino is niet de meest geïnspireerde plaat in het ijzersterke oeuvre van The Black Keys. Het duo rockt weer als een havenkraan bij windkracht 10, maar El Camino ontbeert bezieling en diepgang en klinkt als formulewerk.
Het is alsof de typische Black Keys-riffs zijn opgeblazen en uitvergroot. ‘Je bent niet de eerste die dat opmerkt’, erkent Auerbach. ‘Dat heeft te maken met de zangeressen die de refreinen zingen, waardoor die automatisch groots en meer poppy klinken. Toen ik hen vroeg, luisterde ik naar Bobbie Gentry, een countrysoul singer-songwriter. Zij liet haar refreinen altijd door zangeressen zingen.’ Verfijnd
De terugkeer naar het elementaire geluid is opvallend. The Black Keys begonnen met primaire bluesrock, maar op Auerbachs schitterende soloplaat Keep It Hid (2009) en Brothers (2010), het succesalbum dat de grote doorbraak van de band werd, had het duo zich juist ontwikkeld tot verfijnde songwriters. ‘Liedjes hoeven niet ingewikkeld te zijn om goed te zijn’, verklaart Auerbach de draai. ‘We wilden muziek maken die ongecompliceerd was. Zonder pretentie.’
Auerbach ziet El Camino niet als een stap terug. ‘Het is meer rock ’n roll, maar melodieus en vocaal veel inhoudelijker dan onze oude platen. El Camino begon met de muziek. Riffs. Gitaar en drums. Een jamsessie. Met Brothers hebben we eerst de teksten geschreven. De muziek moest om het verhaal heen gemaakt worden. Op El Camino zijn de teksten achteraf geschreven. Ze moesten in het liedje passen. Het is een andere benadering met een ander resultaat.’
‘Ik denk dat we meer plezier zullen beleven aan het live spelen van El Camino dan Brothers. Het is leuker om rock ’n roll-nummers voor een publiek te spelen dan langzame ballads. Dan worden de fans wild.’
The Black Keys zijn niet vies van een gebbetje. Met de clip van Lonely Boy doet de band een gooi naar het wereldrecord sufste videoclip ooit: we zien één take – gefilmd met een mobieltje? – van een man bij een dicht loket die uit de pan swingt. WTF?!
Auerbach grinnikt. ‘Een stukje vermaak van drie minuten. We hadden een hele videoclip, compleet met een verhaallijn. Pat en ik acteerden erin. Toen het af was, bleek het resultaat waardeloos. Maar we hadden één stuk waarin een man danste. Toen hebben we dat maar gebruikt. Het is opgenomen op de parkeerplaats van een motel in LA’, zegt Dan zonder een spier in zijn gezicht te vertrekken. ‘Het zou inderdaad de goedkoopste videoclip aller tijden zijn geweest als we alleen dit fragment hadden opgenomen. Maar we hebben een hele draaidag gedaan, er waren vijftig mensen bij betrokken. Het is de duurste single-shot video ooit.’
De danser, Derrick Tuggle, is inmiddels een rijzende ster. Hij mocht in de primetime talkshow van Ellen Degeneres zijn dansje nog eens opvoeren. Zal de Lonely Boy-clip de Black-Eyed Peas weer een MTV Video Award opleveren? De muziekzender graveerde vorig jaar de verkeerde naam in de prijs. Foutje, bedankt.
‘Ik hoop het niet.’
Achter zijn lange blonde manen, grote baard en nerdy bril zou je geen funkmuzikant vermoeden die een hele generatie rappers voorzag van kant-en-klare samples. De naam Dennis Coffey zegt maar weinig mensen meer wat. Nu is de 70-jarige gitarist terug met een nieuwe plaat om ons op zijn enorme staat van dienst te attenderen.
"Oh Chuck, they out to get us man, yo we gotta dust these boys off", klinkt de stem van Flavor Flav op 'You're Gonna Get Yours', de openingstrack van Public Enemy's Yo! Bum Rush The Show (1987). De borrelende gitaarlick leende Public Enemy van 'Getting It On' van Dennis Coffey uit 1971. PE was een van velen die putten uit het werk van Dennis Coffey. Ook L.L. Cool J, Queen Latifah, Diamond D., Lord Finesse, Beastie Boys, Moby, Roni Size, Mos Def, Ultramagnetic MC's, Geto Boys en Compton's Most Wanted. To name a few.
Wie is dan die Dennis Coffey, die sprekend leek op David van Driessen, de hippieleraar uit Beavis & Butt-Head, maar zulke vette funkplaten op zijn naam heeft staan? Coffey begon als tiener al te werken als professioneel muzikant. In de jaren '60 speelt hij op verschillende hits van soulzanger Edwin Starr, waaronder 'S.O.S. (Stop Her On Sight)' uit 1966. Al gauw maakt Coffey naam in Detroit en onvermijdelijk belandt hij bij Motown.
Coffey verenigt in zich de twee muzikale uitersten die Detroit als hun thuis hebben: sweet soul music en loeiharde rock. Eind jaren '60 begint Motown de kauwgomballensoulsound af te schudden voor een volwassener geluid dat beter past bij de veranderende tijdsgeest. Dennis Coffey is de man die de Wahwah-gitaar introduceert bij Motown, een hippe psychedelische vervorming uit de rock.
There’s no business like showbusiness. Ook wat betreft uitbuiting. Daar weet John Fogerty alles van.
Spijkerharde rock&roll speelde Creedence Clearwater Revival, terwijl psychedelische hippiemuziek eind jaren ‘60 de norm was. Toch was Creedence een van de grootste bands van de Woodstock-generatie. Onsterfelijke songs als Proud Mary, Bad Moon Rising en Born on the Bayou hebben CCR een eervolle vermelding in de rockgeschiedenisboeken opgeleverd.
De trots waarmee voormalig CCR-frontman, -zanger en -leadgitarist John Fogerty (65) terugkijkt op zijn carrière wordt evenwel gebalanceerd door frustratie en verbittering.
Door een wurgcontract zag Fogerty, het brein van Creedence, amper een cent terug van zijn werk. Zijn toenmalige platenlabel Fantasy bezat namelijk alle rechten op de Creedence-liedjes. Talloze keren troffen Fantasy en Fogerty elkaar voor de rechter in zich jarenlang voortslepende zaken. Fantasy klaagde zelfs Fogerty aan omdat zijn nieuwe liedjes klonken als Creedence, nota bene zijn eigen geesteskind. Het moet niet gekker worden. “Fantasy wilde me gewoon straffen omdat ik succes had zonder hen”, zegt Fogerty opvallend monter. “Ik vind dat een pervertering van het rechtssysteem, het is misbruik van de wet.” Writer's block
Dit soort juridische grappen zijn natuurlijk killing voor de creativiteit, het kostbaarste bezit van een muzikant. “Ook al won ik die zaak, sindsdien zat er een duiveltje in mijn hoofd, dat veel weg had van een advocaat. Elke keer als ik een song schreef dat enigszins klonk als Creedence, kwam hij tevoorschijn en zei: o nee! Ik ben uiteindelijk wel van dat spook afgekomen, maar dat heeft veel tijd gekost.” De man die als brein van Creedence in twee jaar maar liefst zes klassieke rockalbums eruit stampte, kreeg last van een writer’s block en deed jaren over een nieuwe plaat.
Fogerty weigerde jarenlang zijn oude Creedence-songs te spelen. Tegenwoordig probeert hij met tegenzin zich erbij neer te leggen dat hij nooit van zijn leven het geld zal krijgen waar hij recht op heeft. “Ik bezit nog steeds niet de rechten van de Creedence-nummers. Dat is spijtig en fout. Maar ik kan niets aan doen. Het is nou eenmaal zo. Je kunt dat niet laten dooretteren en toelaten dat je er ziek van wordt. Je moet verder gaan met je leven. Zoals Pumbaa zegt in The Lion King: You have to leave your behind in the past.”
Het kostte Fogerty heel veel tranen om tot die aanvaarding te komen. “Ik was de weg kwijt en verbitterd. Ik maakte me zorgen dat ik zo verbitterd was. Er zijn veel beroemde artiesten hun hele leven verbitterd. Ze sterven verbitterd. Ik was bang dat ik ook zo zou eindigen. Ik wist niet hoe ik van dat gevoel af moest komen. Het was groter dan ik.”
Maar de laatste jaren rollen de platen er weer met regelmaat uit. Het nummer Change in the Weather van zijn laatste album Blue Ridge Rangers Rides Again (2009) werd genomineerd voor een Grammy. Wat is er gebeurd? De liefde. “Ik kwam ik een mooi meisje tegen, Julie, die nu mijn echtgenote is. We hebben een leuk gezin. Daar krijg ik emotioneel veel steun en beloning van.” Geen reünie
John Fogerty is een eigenwijs mannetje. De band explodeerde begin jaren ’70. De overige bandleden waren de alleenheerschappij van Fogerty beu en wilden ook liedjes aandragen. Aldus geschiedde op de artistieke en commerciële flop Mardi Gras, de laatste plaat van het viertal. Veertig jaar later staan de voormalige jeugdvrienden elkaar nog steeds naar het leven. Fogerty’s broer Tom overleed in 1990. Een CCR-reünie zal er dan ook nooit van komen, voorziet Fogerty. “Dan moet er heel wat gebeuren. Ik denk niet dat de anderen het in zich hebben om die dingen te doen. En de dood van mijn broer Tom maakt de zaken niet minder, maar juist meer gecompliceerd.”
Fogerty geeft toe dat hij lastig kan zijn. “Als het gaat om zaken die ik belangrijk vind, kan ik zeker koppig zijn. Het is een kwestie van kwaliteit", geeft Fogerty toe. "Ik heb jarenlang van alles opgeofferd om de band bijeen te houden. Ik deelde mijn songwriterroyalty’s met de anderen, zodat iedereen een gelijk deel kreeg. Ik hoopte daarmee iedereen tevreden te houden, omdat ik wist dat ze me koppig vonden wat de muziek betreft. Maar ik vond dat ik de beste muziek schreef, dus het moest my way. Op het einde ben ik voor ze door de knieën gegaan, en toen maakten we een slechte plaat. De anderen hebben daar nooit hun verantwoordelijkheid voor genomen, zelfs daar kreeg ik de schuld van. Ik heb geen spijt, want ik denk niet dat ik iets had kunnen veranderen. Mijn knieval heeft de band niet kunnen redden.”
De ruzie met zijn broer Tom heeft John Fogerty nooit uitgepraat toen hij in 1990 overleed. ”We waren wel on speaking terms, maar er waren veel zaken waar je uit beleefdheid niet over begon. Zoals de familie bijeenkomt met kerst, om de vrede te bewaren praat je niet over de negatieve dingen. Ik was er wel voor mijn broer toen hij stierf, omdat ik van hem hield. Het zat me niet lekker dat het nooit is uitgepraat, maar ik zag ook in dat Tom dat niet wilde of kon. Ik heb daar geen spijt meer van en ik heb Tom later vergeven. Ik heb afscheid van hem kunnen nemen.”
Een troost voor de Creedence-fans: John Fogerty speelt tegenwoordig de oude hits weer.
"Laten we geen tijd verdoen en meteen beginnen", maant Dick Dale (72). "Ik heb het druk. Ik krijg elke dag duizend e-mails van kinderen. Ze vertellen me over hun ziekte en vragen me hoe ik met mijn leven doorga. Ik vertel ze dat ze anderen hun ziekte moeten laten vergeten en aan het lachen moeten maken. Lachen is het beste medicijn. En gezond eten."
De King of the Surf Guitar woont allang niet meer aan de Californische kust, maar in de buurt van Twentynine Palms midden in de Mojave-woestijn. Daar heeft hij zijn eigen luchthaven, Dick Dale Sky Ranch Airport. "Het is hier oorverdovend stil. Het is alsof je in een doodskist ligt. Je hoort het bloed door je aderen stromen. Mijn achtertuin is honderden kilometers diep. Ik kan hier doen wat ik wil. I can rock out in the desert and nobody says anything."
Twee jaar geleden keerde kanker na meer dan veertig jaar terug in Dale’s lichaam. “Ik heb rectale kanker en prostaatkanker”, vertelt hij opvallend laconiek. “Ze hebben de tumor uit mijn endeldarm weggesneden. De operatie zou maar twee uur duren, maar duurde acht uur. De kanker is uitgezaaid naar mijn prostaat. Ik ben zes weken lang bestraald, ik kreeg elke dag een chemokuur.
De bestraling heeft me van binnen helemaal kapot gemaakt. Ik heb constant pijn. Ik kan ‘s nachts niet slapen van de pijn.
Ik moet om de haverklap naar de wc want ze hebben het deel in mijn endeldarm weggesneden dat alles binnenhoudt. Ik heb negen maanden met een zak rondgelopen. Daarna hebben ze me weer dichtgenaaid.
Ik gebruik geen pijnstillers, want dat vermindert de genezing met vijftig procent. Ik heb alle slangetjes uit mijn arm getrokken, in het ziekenhuis verklaarden ze me gek. I rode the train of pain. Maar ik scheld de pijn gewoon uit. Ik zeg: lazer op uit mijn lichaam! Dat zeg ik ook tegen andere kankerpatiënten. En nu heb ik weer een nieuwe titel gekregen: de Cancer Warrior.”
Ook op het podium lijdt Dale pijn. “Soms verlies ik even mijn bewustzijn. Als ik een hoge noot speel op de trompet of zing, ontstaat er kortsluiting in mijn lichaam. Doordat ik aan martial arts doe, sta ik op een bepaalde manier. Ik beheers de mind over matter-techniek, zodat ik mijn lichaam kan uitschakelen.”
Zijn fans geven Dale de energie om door te gaan. “Het mooie van optredens is dat je erna mensen ontmoet. Ze vertellen me over geliefden die ook ziek of overleden zijn. Kinderen van vijf met diabetes die tegen me zeggen dat ze net zo gitaar willen spelen als Dick Dale. Dat is erg bevredigend.
Ik zie mijn fans als mijn familie. Mijn ouders zijn er niet meer, ik heb net een verschrikkelijke scheiding achter de rug, ik heb alleen nog mijn zus en mijn zoon. Ik zeg tegen het publiek: jullie zijn niet alleen mijn familie, jullie zijn ook mijn medicijn. Zij houden me op de been.
De wereld zit vol met vrienden die je nog niet ontmoet hebt. Als ik op tournee ben, is het alsof ik elke dag opnieuw verliefd word.”
Father of Heavy Metal
“Ze zeggen dat Les Paul de elektrische gitaar heeft uitgevonden – wat natuurlijk zo is – but Dick Dale put the electricity in it.”
Het pionierswerk van Dick Dale en zijn vriend Leo Fender op het gebied van gitaarversterkers behoeft nauwelijks nog een introductie of uitleg. Dale speelde begin jaren zestig zo ongekend hard dat geen gitaarversterker tegen hem bestand was. Tientallen versterkers blies hij op, tot Fender uiteindelijke de eerste 100 watt-versterker bouwde die Dale’s terreur wel doorstond. Het leverde Dale de eretitel Father of Heavy Metal op.
Dick Dale had zich toen al onsterfelijk gemaakt als grondlegger van het surfgenre, The King of the Surf Guitar, met zijn experimenten met reverberation, wat zijn spel een ‘natte’ sound gaf om het geluid van het surfen na te bootsen.
En nu, in de herfst van zijn leven, denkt Dale samen met zijn zoon Jimmy opnieuw een revolutionaire uitvinding te hebben gedaan. “De Dick Dale Signature Malibu Acoustic en de Jimmy Dale Signature Kingman Acoustic zijn akoestische gitaren die maar drie inches dik zijn in plaats van de gebruikelijke acht, zodat je de hele dag kunt spelen zonder kramp in je rug te krijgen.
Ze zijn helemaal van mahoniehout gemaakt, ook de bovenkant, die normaal altijd een andere houtsoort is. Maar daardoor wordt het geluid ook anders. Ik zei twintig jaar lang tegen Fender dat ze een gitaar van één houtsoort moesten maken, en eindelijk hebben ze naar me geluisterd. Hij ruikt als een meubelstuk als je erop speelt.
Als je een snaar raakt, volgt de noot de moleculen in het hout en het wil een golf, een tsunami worden. Het geluid bouwt zich op en maakt een soort oneindige cirkel van de achterkant langs de zijkant naar de bovenkant naar de achterkant enz. enz. Ik zal het je laten horen (haalt de gitaar en tokkelt een paar riffs). Hoor je dat? Is dat niet prachtig? Wacht maar tot je hem over een versterker hoort, och dat is wonderschoon!”
Sterke verhalen
King of the Surf Guitar. Father of Heavy Metal. Piloot. Martial arts-expert. Boogschutter. Milieuactivist. Leeuwen- en tijgerverzorger. Ruiter. Het leven van de 72-jarige Dick Dale is een bonte verzameling sterke verhalen, die allemaal nog waar zijn ook. En hij vertelt ze graag. Dale hoort zichzelf graag praten. Als hij eenmaal is begonnen verdwijnt de haast en ratelt hij een uur en een kwartier begeesterd door. Geen speld tussen te krijgen.
De jonge en nog onbekende Dale speelde een rolletje als Elvis-imitator in de film Let’s Make Love (1960) met Marilyn Monroe en Yves Montand. “Ik praatte elke dag met haar. Haar man zal wel gedacht hebben dat ik onschuldig was, want hij liet me elke dag bij haar zijn. Ze vertelde me over haar leven. Ze had een moeilijk leven. Ze vertelde over hoe ze was begonnen, over mensen die haar dicteerden wat ze wel en niet mocht doen. Ze had een prachtige ziel. Ze was een uitstekende actrice. Als ze met Yves Montand praatte, wist ik niet of ze de tekst repeteerden of dat ze gewoon een gesprek voerden. Ik heb vier weken met haar doorgebracht, een mooie tijd.”
Dale beweert dat hij eigenhandig een einde maakte aan de hegemonie van de corrupte vakbonden, die muzikanten dwongen lid te worden anders mochten ze niet spelen. “Ik was de eerste die de tegen de vakbond inging. En ik heb gewonnen. In die tijd mochten nachtclubs geen muzikanten inhuren die geen vakbondslid waren. Ze konden de tent sluiten als je je er niet aan hield. De clubs durfden me niet te steunen, ook omdat de maffia de bond bestierde. Dus ik ben in mijn eentje ten strijde getrokken. Mijn advocaat dwong de bond om bij elke nachtclub in Amerika een aankondiging op te hangen dat niet-vakbondsleden met onmiddellijke ingang er mochten spelen. En er stond bij dat ze dat aan Dick Dale te danken hadden.”
En dan is er nog die keer dat Dick Dale bijna een been kwijtraakte. “Ik was aan het stoeien met mijn tijger en ik raakte gewond aan mijn heup. Als ik ging surfen, zoog ik water op via mijn neus, neusholte en in mijn mond. Dat is een Chinese methode die ik had geleerd op mijn martial artstraining. Ik ging het water in met die wond op mijn been. Plotseling kwam er een witte kring omheen, als een soort ringworm. En het vlees begon los te laten. Het werd steeds erger en groter. Ik kon het niet stoppen . De dokter gaf me penicilline en ik mocht het water niet in. Als ik Tahiti, Hawaï of Zuid-Amerika was om te surfen, speelde het weer op. Op een dag stond ik mijn haar te kammen. Ik tilde mijn arm op en ik zag een rode streep naar mijn oksel lopen. Dat was het gif dat in mijn lichaam zat. Ik ging weer naar de dokter en die zei als ik tien uur later was geweest, mijn been geamputeerd had moeten worden. Ze hebben me duizenden eenheden penicilline gegeven.”
Zoals het een rocklegende betaamt, wil Dick Dale in het harnas sterven. “Als ik doodga, zal dat niet in een schommelstoel zijn met een dikke buik. Als ik doodga, zal dat op het podium zijn in een grote explosie van lichaamsdelen. Een journalist schreef: op de manier waarop Dick Dale speelt, neemt hij de helft van het publiek mee. Hahaha!”
Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.
Mijn passie voor muziek en liefde voor schrijven brachten me in de journalistiek. Ik maakte voor diverse (dag)bladen interviews met o.a. The Black Keys, Kraftwerk en Bootsy Collins. Op deze website vind je al mijn artikelen.