woensdag 22 december 2010

Muziek Sir OJ is niet evident

Voor de loodzware en dynamische gitaarmuren van Antwerpenaren Sir OJ moet je even de tijd nemen. ‘Belgische bands eisen vrijheid op.’
Extreem winterweer legt Nederland en België al dagen lam. David Joris, Sir OJ himself, ziet het met lede ogen aan. ‘We moeten straks spelen hier in Antwerpen. Met die instrumenten moet je oppassen in de sneeuw. Ik weet nog niet hoe we dat gaan doen. Maar het is wel schoon hè?’
Let wel: we hebben het niet over de Nederlandse hiphopper Sir OJ. Joris ligt er niet wakker van dat iemand anders onder dezelfde naam actief is. ‘Ik vind het wel goed, een Sir OJ in Nederland en een Sir OJ in België. Misschien kunnen we samen een optreden doen. Het is voor hem misschien ook wel plezant. In België kent niemand hem en er wordt hier natuurlijk publiciteit voor ons gemaakt en als mensen op internet zoeken komen ze hem ook tegen.’
Gitarist en toetsenist Joris richtte Sir OJ een jaar of drie geleden op in de Antwerpse rockscene met zijn jeugdvrienden Steve Frederickx (gitaar) en Tom Debuyssher (drums). Later werden bassist Lenn Dauphin (Stijn) en producer/gitarist/toetsenist Tars Vervaecke (Black Heart Rebellion) toegevoegd.
Joris’ afkomst is niet misselijk: hij speelt ook in Mauro & The Grooms, de band van Mauro Pawlowski, een van de prominentste en creatiefste muzikanten van België en momenteel de smaakmaker van dEUS.

dinsdag 14 december 2010

Het werd Mavis Staples bijna te veel

"Ik had geen make-up op",
vertrouwde Mavis Staples het publiek
in Paradiso in november toe.

Jeff Tweedy en Mavis Staples. Een rare combi? Het huwelijk van de jonge rocker en de bejaarde souldiva bleek een match made in heaven waaruit de mooiste soulplaat van het jaar werd geboren.

You Are Not Alone is zo’n plaat waarvan het lijkt alsof die er altijd al is geweest. Niet zo gek, het album staat vol prehistorische gospeltraditionals en heruitvoeringen van oude Pops Staples-nummers. Twee nummers werden nieuw geschreven door Wilco-frontman Jeff Tweedy, die plaatsnam achter de knoppen. You Are Not Alone is een rootsy, ambachtelijke en warmbloedige gospelsoulplaat geworden die voor hetzelfde geld eind jaren ’60 op Stax was uitgekomen. Overborrelend van enthousiasme over het geslaagde project staat Mavis Staples (71) mij vanuit Chicago te woord.

Hoe is de samenwerking met Jeff Tweedy tot stand gekomen?
“We wonen allebei in Chicago. Ik in de South Side, hij in de North Side. Ik trad in ’08 in de North Side op in een club genaamd The Hideout. Jeff Tweedy kwam kijken en hij kwam backstage om me te feliciteren. We gingen samen op de foto. Drie weken later belde hij dat hij mijn plaat wilde produceren. Het is mij een eer. Ik ken Wilco goed, ik luister al lang naar hun platen. Ze doen me denken aan The Band. Maar ik had nooit gedacht dat Tweedy er iets voor zou voelen om met mij te werken. Ik kon zijn moeder zijn. Een paar dagen later zijn we samen gaan lunchen om over de plaat te praten. Hij vertelde dat hij in een platenzaak had gewerkt en altijd mijn oude platen draaide. Hij is gek op mijn vader Pops Staples.
Veel popjournalisten noemden ons een ‘odd couple’: wat doen een gospelzangeres en een rockster samen? Het is inderdaad een onverwachte combinatie. Maar muziek is universeel.  Ik hou van allerlei soorten muziek, van rock tot folk. The Staple Singers vielen ook niet in één categorie. Pops zei ooit tegen de songwriters: wij zingen en dat kan allerlei soorten muziek zijn: gospel, blues. God heeft ons dit geschenk gegeven. Mijns inziens zijn blues en gospel volbloed neven van elkaar.
Jeff Tweedy is geen zondaar, hij leest de Bijbel. En hij luistert graag naar gospel. Hij is zo een goede jongen. Toen ik hem voor het eerst ontmoette vond ik hem verlegen. Maar als hij eenmaal over zijn gêne heen is, lach je je rot met hem. Ik zei altijd: ‘als ik elke dag met jou kon omgaan, hoefde ik nooit meer naar de dokter, dan blijf ik gezond.’



donderdag 21 oktober 2010

Caetano Veloso is nog niet tevreden

Grap mislukt. Ik hoopte Caetano Veloso in verlegenheid te brengen door hem te confronteren met de hilarische hoes van zijn album Araçá Azul uit 1972, waarop hij voor een spiegel poseert, zijn graatmagere lijf slechts gehuld in een minuscuul rood zwembroekje en zijn gezicht overwoekerd door een woeste bos krullen.

Lees ook:


Maar in plaats van zich te schamen voor een jeugdzonde, is de Braziliaan aangenaam verrast. “Dit is een maffe plaat. Het geluid is slecht, maar het is vrij en bevat interessante ideeën.” Door zijn bril bestudeert de inmiddels 68-jarige muzikant de plaat. “Dat is trouwens niet mijn voet”, wijst hij aan. “Maar van de man die de hoes heeft bedacht. Hij hield de spiegel vast. Hij kwam bij me langs in Bahia. Dit was vlak nadat ik terug was uit Londen. Ik woonde aan het strand. Hij kwam langs met een fotograaf en had het idee om een foto via een spiegel te maken, want dat zou mooi worden met de navel. Er was een grap over de navel, dat onze generatie bestond uit navelstaarders.”
Navelstaarders? Eind jaren ’60 was Caetano Veloso een van de drijvende krachten achter Tropicália, een beweging van jonge artiesten die de Braziliaanse muziek vernieuwden met rockinvloeden. Daar ging een ideologie achter schuil: Tropicália beschouwde zichzelf als een triomf op het juk van armoede en de – door de Verenigde Staten gesteunde – rechtse militaire dictatuur die dit in stand wilde houden. De Tropicalisten zochten aansluiting bij de internationale counterculture. Want wilde het perifere ontwikkelingsland meekomen in de vaart der volkeren, dan moest het cultuurgoed ontdaan worden van provincialisme en nationalisme en kosmopolitisch worden. Dus werden swingende samba- en lichtvoetige bossa nova-ritmes geïnjecteerd met gierende gitaren en experimentele, psychedelische composities.
“Muzikanten en recensenten spraken er schande van”, herinnert de inmiddels grijze, keurig gekapte en brildragende Veloso zich. “Linkse studenten en journalisten waren tegen ons omdat ze rock, de internationale counterculture en hippies rechts vonden en beschouwden als Amerikaans imperialisme. Maar tegelijk steunden wij de protesten tegen de militaire dictatuur. We waren ook links. Maar linkse mensen wantrouwden ons, ze dachten dat we hen verraadden omdat we naar de Beatles luisterden. Maar onze liedjes waren commentaren, parodieën op commerciële pop en rock. In de jaren ’50 en begin jaren ’60 werd rock&roll niet gerespecteerd. Nergens. Dat is een nieuwe mythe. Nu is rock&roll chique, maar toen werd het gezien als troep. Officiële troep.”

woensdag 20 oktober 2010

Ice Cube wordt nog steeds pissed off van bad shit

Na een reeks matige albums heeft Ice Cube op I Am The West zijn focus weer enigszins terug.




Je nieuwe album heet I Am The West. Vertel.


I Am The West is een klassieke Westcoast hiphop-plaat. Ik heb het gevoel dat Westcoast-hiphop altijd moet vechten voor erkenning. Wat betreft politiek; Hood Robbin' gaat over hoe grote bedrijven arme wijken leegroven. Man vs. Machine gaat over onze obsessie met machines. We maken onszelf overbodig. Technologie geeft mensen het excuus om op hun dikke reet te zitten. Daarom zullen we de oorlog verliezen, want robots zijn niet lui.’

Mijn indruk is dat je je scherpte weer een beetje terug hebt.

‘Ik ben meer ontspannen en creatiever nu ik mijn platen in eigen beheer uitbreng. Van platenmaatschappijenpolitiek word je horendol. Je gebruikt andermans geld, dus moet je hen tevreden stellen. Zij hebben een ander idee van een goede plaat.’

Het lijkt me sterk dat de schrijver van Fuck Tha Police zich iets van de platenmaatschappij aantrok.

‘Dat is waar. Ik liet hen nooit tot de studio toe, maar heb hen genoeg horen brommen. En uiteindelijk keerden ze me de rug toe.’

Je maakt ook films. Leidde dat ook af van de muziek?

‘Dat is zeker zo. Ik probeerde het allebei tegelijk te doen. Dan ging ik van de filmset direct naar de studio. Onvermijdelijk lijdt een van beide eronder. Voordat ik Laugh Now, Cry Later (2006) maakte, heb ik zelf bewust besloten geen plaat te maken als ik bezig ben met een film. Dat levert betere platen en betere acteerprestaties op.’

Kun je uitleggen hoe je van Nigga With Attitude naar producent van onschuldige familiekomedies als Are We There Yet? bent gegaan?

‘Het zijn maar films. Het is niet wie ik in het echt ben. Als ik alleen maar gangsterfilms maakte, zou het erg saai worden. Ik zou ook niet zo lang meegaan. Voor mij als artiest is het interessanter om jou steeds op het verkeerde been te zetten, dan aan jouw verwachtingen te voldoen. Bovendien, elke gangster heeft liever een huis, een vrouw, een gezin en een baan, dan de gevangenis.’

Is er ook een verschil tussen de rapper Ice Cube en de mens?

‘Hetzelfde verschil als tussen Superman en Clark Kent.’

Je verkleedt je ook in een telefooncel voordat je de studio induikt?

‘Nee, maar ik verander wel in een ander personage.’

Dus rappen is net als acteren?

‘Nee. Er is gewoon bad shit in de wereld waar ik pissed off van word en daar rap ik over. Dat is echt.’



Dit artikel verscheen eerder in Dagblad De Pers.

zaterdag 21 augustus 2010

Jack Parow is geen revolutionair

Een blanke rapper uit Zuid-Afrika, dat is opmerkelijk in een land dat in een recent verleden nog apartheid kende. En dan is Jack Parow ook nog eens wars van politiek.




Backstage achter de X-Ray ziet het er net zo uit als de foto bij dit artikel. Omringd door caravans zit Jack Parow op een plastic tuinstoel aan een kampeertafel, een sigaret onder zijn pornosnor. Met zijn ongeschoren gelaat, afgekloven pet, uitgelubberde rode hemd en ongecultiveerde okselhaar, lijkt hij eerder gekleed voor een barbecue - of wellicht een skottelbraai - dan een optreden. Maar dat is natuurlijk Zef.
Een Zuid-Afrikaan die rapt in het Boers en populair is in Nederland, dat is een onwaarschijnlijk succesverhaal. Ben je verrast door je succes hier?
“Fuck ja! Ik kan het nog steeds niet geloven. Al die landen waar ik naartoe mag. Te gek. Ik sta er nog van te tollen.”
Hoe verklaar je je populariteit hier?
“Geen idee. Ik denk dat mensen het leuk vinden, omdat het iets anders is. En jullie verstaan ook een beetje wat ik zeg. Ik sta er meer van te kijken dat ik ook populair ben in landen als Australië, de Verenigde Staten, Duitsland, Zweden. Ik krijg er e-mails vandaan. Ze verstaan geen woord van wat ik zeg, maar ze vinden me toch goed. Dus het is gek.”
Dus Amerika wil je ook hebben?
“Het begint daar net. Ik ga er in september heen voor een paar besprekingen. Ik zie wel wat daar uit komt. Ik vind Europa eigenlijk al leuk genoeg, Amerika interesseert me geen fuck. Hahahaha!”

Kun je uitleggen wat Zef betekent?

“Dat is moeilijk uit te leggen. In de buurt waar ik opgroeide, Bellville, wonen veel mensen uit de lagere sociale klasse. Veel trailer trash. Zef is een stijl. Net als Cockney.”
Waar is trouwens je grote pet? Dat is wel je trademark.
“Die draag ik alleen nog op het podium, anders steek ik bij iemand een oog uit. Ik hou van gekke dingen en comics. Die pet is onderdeel van een soort stripfiguur. Met een vriend bedacht ik dat een lange pet wel cool was. Er zit geen diepe betekenis achter.”
Jack Parow is dus een soort stripfiguur. Wat is het verschil tussen Jack Parow de stripfiguur en Jack Parow de mens?
“Momenteel zijn die eigenlijk wel hetzelfde. In het begin was het showelement groter. Jack Parow de stripfiguur was toen mijn schild. Maar nu zijn ze hetzelfde. Ik heb ze tot één persoon gesmolten.”
Ben jij de stripfiguur geworden of is de stripfiguur jou geworden?
“Ik zit ergens in het midden, denk ik.”
Ik kan me voorstellen gezien de woelige geschiedenis van Zuid-Afrika, dat je teksten politiek zijn. Maar daar hou je je helemaal niet mee bezig.
“Nee, nooit gedaan ook. Mijn ouders waren heel vrijdenkend. Toen ik klein was had ik veel zwarte vrienden. Die hele apartheid is aan me voorbij gegaan. Dus ik heb nooit de behoefte gehad om daar over te praten. Apartheid is iets stoms en vreselijks dat in mijn land is gebeurd, maar ik heb er nooit iets mee te maken gehad.
Aan de andere kant staan de journaals en kranten elke dag al bol van de politiek. Als ik uit ga zit ik niet te wachten op iemand die me vertelt hoe klote het allemaal is. Dat wéét ik. Als ik uit ga wil ik lol hebben. Ik ben geen revolutionair, ik ben een rapper.”
Het is wel opmerkelijk dat er uit Zuid-Afrika blanke rappers komen, of all places.
“Er zijn ook niet veel blanke rappers uit Zuid-Afrika hoor. Er zullen er nu wel meer komen. Vanwege mijn succes. Soms zijn mensen bang om iets te doen, omdat ze denken dat het niet werkt. En als dan iemand anders het wel lukt. Ik zat in de band Fokofpolisiekar, dat was de eerste Afrikaanse punkband. En nu zijn er miljoenen van. Mensen moeten eerst zien dat het kan. En nu met hiphop, zwarte muziek in een taal die bijna anti-zwart is.”
Is hiphop populair onder blanke Zuid-Afrikanen?
“Voorheen niet, maar nu wel. Mijn optredens zijn uitverkocht, en dat zijn grote zalen. Het verandert. “
In Amerika klagen sommige zwarten dat blanken hun cultuur, rock&roll, hebben gestolen. Krijg jij wel eens dergelijke verwijten?
“Nooit gehoord. Mijn publiek is heel divers. En ik vind ook dat de rassen moeten samenkomen. Er zijn niet veel racisten meer in Zuid-Afrika. Het is net als in Duitsland, er zullen altijd Nazi’s blijven, maar dat zijn er maar weinig.”




Dit artikel verscheen eerder op DePers.nl.

vrijdag 20 augustus 2010

Wereldberoemde Upsessions onbekend in Nederland

In Spanje zingen ze uit volle borst de liedjes van The Upsessions mee, maar in Nederland kennen we onze eigen reggaeband (nog) nauwelijks. Hoe kan dat?




Lima staat op springen. The Upsessions zijn nog maar drie nummers diep in hun optreden, maar al bij de eerste tonen had de band de tent al aan hun voeten met hun aanstekelijke reggae uit ons eigen koude kikkerlandje, gemaakt door mannen in kikkergroene trainingspakken. Dan gaat er een bruine leren tas open en haalt trombonist Giel Mulder een decibelmeter tevoorschijn. "In Madrid haalde het publiek 136 decibel", zegt zanger-gitarist Boudewijn "Boss" van Trigt, en daagt de zaal uit het record te verbreken. En ja hoor, na 133 en 135 decibel vestigt Lowlands een nieuw record: 138.
Een uur na de show kijkt de band backstage dik tevreden terug op hun Lowlands-gig.


Leuke show! Ik heb zelden zo snel een zaal in een feestje zien veranderen.
Giel: “Nou, wij wel. Dit gebeurt wel vaker, maar het is nog nooit bij Lowlands gebeurd. Eén grote adrenalinekick waar ik nog drie maanden op ga zweven.
Als jongen van zestien, zeventien wilde ik als ik later groot zou zijn bandjes kijken op Lowlands. En toen ik eenmaal op Lowlands was, dacht ik: als ik later groot ben, hoop ik dat ik hier met mijn bandje mag staan. En dat gebeurt dan en dat is superkicken!”


Is dit de grootste gig die jullie hebben gespeeld?
Giel: “In Nederland is dit wel de grootste.
In het buitenland spelen we doorgaans niet op festivals als dit. In landen als Duitsland en Frankrijk, en andere landen daar omheen, heb je een heel grote ska- en reggaescene. Daar kunnen ze zo’n feest als dit houden. Misschien iets kleiner, maar wel meerdere tenten met alleen maar ska- en reggaefans vullen. En dat ook nog eens heel vaak. Daar spelen wij heel veel. Dus we zijn wel gewend om voor duizend mensen te spelen, maar niet op zo’n allround en gemêleerd festival als Lowlands."


Is dit ook jullie doorbraak in Nederland?
Boss: “Zo zie ik het niet. Dit was gewoon een heel leuke show. Ik heb niet zoiets van dat er veel van af hangt. Het was een leuke show en verder zien we wel weer.”
Giel: “We hebben een lp uit bij Excelsior en we hebben een nieuw boekingsbureau. Er is interesse van de pers. Dat is nieuw en dat is ook tegelijk met Lowlands. Waarschijnlijk hangt dat allemaal met elkaar samen, het versterkt elkaar. We zitten nu in een positieve vibe waar we heel erg van genieten. Maar als het hier eindigt, heb ik ook heel erg genoten en gelachen."


Hoe kan het dat jullie in het buitenland wel populair zijn, maar dat we jullie in Nederland amper kennen?
Boss: “Het zal wel door de scene komen. Toen wij onze eerste plaat uit hadden, zijn we meteen naar Duitsland gegaan, want daar gebeurde het. Daar kun je bij wijze van spreken elke week spelen, want voor elke nieuwe reggaeband is er veel aandacht. In Nederland wordt het niet zo opgepikt, het is niet echt een reggaeland, er is niet echt een reggaescene.”


Waarom heeft Duitsland wel een reggaescene en Nederland niet?
Boss: “Het is een groot land, met meerdere grote steden.”
Giel: “Ik heb ook het idee dat in Duitsland de bandjescultuur veel meer leeft dan hier in Nederland. Er is minder dance en meer bandjes. Mensen gaan daar sneller naar een bandje dan naar de film en hier in Nederland is het andersom. Dus alle bandjes hebben daar meer mogelijkheden. Alles is daar veel beter. Het Duitse gras is erg groen.”


In Spanje zijn jullie ook populair. Is dat hetzelfde verhaal?
Boss: “Ja. We hebben daar een keer op een enorm festival gespeeld. We wisten niet dat iemand ons daar kende. De band vóór ons was een lokale band. Het was in een grote hal, en bij die band stond helemaal niemand. We dachten nog: zijn we hiervoor helemaal naar Spanje gevlogen? En op het moment dat we het podium op kwamen, ging iedereen naar binnen – ze stonden blijkbaar allemaal buiten te roken en biertjes te drinken want het was mooi weer. De hele eerste rij zong alle liedjes mee. We hadden zoiets van: hoe kán dit in godsnaam?! Blijkbaar was onze lp daar toch wel aangekomen.”