woensdag 14 maart 2012

Zita Swoon Group wil geen Afrikaans kleurtje

Wait for Me van de Zita Swoon Group is een rasechte Afrikaanse plaat geworden, want de Belgische groep neemt geen genoegen met een exotisch sausje. ‘Dat is een verdoken vorm van kolonialisme.’

Op het podium zet de Zita Swoon Group een groove in die het Amsterdamse Bimhuis binnen dendert als een kudde losgebroken olifanten. Zangeres Awa Démé schopt haar slippers uit en wiegt ritmisch heen-en-weer. Door de glaspartij achter hen prikt de zon door het wolkendek. Een glimlach krult de mond van voorman Stef Kamil Carlens. Het is gelukt. De missie om westerse en Afrikaanse muziek te versmelten is geslaagd.
Wait for Me is een rijke plaat met Americana en Africana volbloed in het DNA. Een knappe prestatie, want de makke van veel crossoverprojecten is dat ze slechts een uitheems vernislaagje hebben. ‘Ik was op mijn hoede dat het niet muziek zou worden met een exotisch kleurtje. Dat wou ik ab-so-luut niet’, vertelt Carlens later, als de opnames voor het VPRO-programma Vrije Geluiden erop zitten. ‘Ik wou dat het echt een samenwerking werd. Daarom heeft het ook zo lang geduurd om die songs te maken. Niet zo van hier een vleugje balafon en daar een stemmetje. Om het heel cru te zeggen, vind ik dat een verdoken vorm van kolonialisme. Ik wou echt samenkomen, echt begrijpen.’

dinsdag 14 februari 2012

Kitschy Whitney

Alsof Leo Blokhuis zojuist de Holocaust had ontkend, zo werd er maandagavond aan tafel bij De Wereld Draait Door gereageerd toen hij stelde dat Whitney Houston de nodige draken op haar naam heeft staan. De onderkaak van Trijntje Oosterhuis klapte van verbazing en ontsteltenis op het tafelblad. Hoe durfde hij?

Terwijl Blokhuis slechts herhaalde wat muziekcritici en -liefhebbers Whitney Houston al vanaf het begin hebben nagedragen: haar muziek was glad en inhoudsloos.

zaterdag 10 december 2011

Bobby Womack: 'Uit het niets ging het beter’

Bobby Womack en ik, 17 juni 2011

“Ik heb dit nog nooit eerder verteld”, kraait Bobby Womack opgetogen met zijn karakteristieke raspstem. Wellicht is het te danken aan mijn beeldschone Keniaans-Limburgse collega dat de 67-jarige soulveteraan op zijn praatstoel zit. Bobby Womack geeft geen interview, Bobby Womack kletst. Eindeloos. Er is nauwelijks een speld tussen te krijgen, elke vraag die je stelt herinnert hem aan een of ander verhaal. En zo zit je urenlang met de zelfbenoemde 'last soul man' op zijn hotelkamer.


Ondanks zijn enorme staat van dienst lijkt Bobby Womack enigszins ondergewaardeerd te zijn. In het rijtje van de grootmeesters van de soul ontbreekt zijn naam dikwijls. Noem Bobby Womack en de reactie is steevast: “Van Womack & Womack?” Maar dat is zijn broer Cecil.

“Ik kan je daar een verhaal over vertellen. Ik had er geen idee van dat zij zo hot waren. Ik kende hun nummers eigenlijk niet eens omdat ze in Amerika niet zo groot waren, maar hier in Europa waren ze gigantisch. Ik was eens in Europa en checkte in bij een hotel en de receptionist vroeg: ‘Bent u van Womack & Womack?’ ‘Nee dat is mijn broer’, antwoordde ik. ‘U bent niet van Womack & Womack? Oh ik zie dat we vol zitten.’ Toen zei ik maar dat we inderdaad Womack & Womack waren. Die man zei: ‘Waarom zei u dat niet? We hebben een suite voor u.’”

Is Bobby dan in ieder geval rijk geworden? “Geestelijk wel. Anderen zijn rijker geworden omdat ze me niet hebben betaald. We zijn allemaal genaaid. Ik ben inmiddels wijs genoeg om zelf de vaseline mee te nemen.”

Een inktzwart en bloedrood liefdesverhaal

Foto: Vivian Johnson

Willy Vlautin (43) komt Paradiso uit lopen met twee blikjes Heineken in zijn hand. “Laten we lekker buiten gaan zitten, het is prachtig weer.” Recordweer zelfs. Het is de warmste 1 oktober ooit. We nestelen ons achter de poptempel aan de gracht, waar bootjes met feestende mensen en slechte Eurohouse voorbij glijden. Het Leidseplein gonst van de drukte. Boven de stad ronkt een politiehelikopter. Die houdt een oogje in het zeil omdat op het Spui krakers en de ME elkaar in de haren vliegen.

De broeierige sfeer staat in schril contrast met de claustrofobische verstilling van het afgelegen houthakkersdorp ‘waar het zes maanden per jaar regent’ uit The High Country, het nieuwste album van alt.countrygroep Richmond Fontaine. Op het negende album combineert voorman Willy Vlautin zijn beide disciplines. Naast negen albums publiceerde de singer-songwriter namelijk ook drie al even lovend ontvangen romans, waarvan het debuut The Motel Life volgend jaar als film in de roulatie zal gaan met in de hoofdrollen Kris Kristofferson, Stephen Dorff en Dakota Fanning. The High Country is volgens eigen zeggen een song novel, een liedjesroman. Een ambitieus project, waarbij het vooral de kunst was een balans te vinden tussen vorm en inhoud. Je moet het verhaal vertellen zonder de songs in de weg te zitten.
“Dat is altijd mijn grootste probleem als songwriter geweest”, bekent Vlautin. “Vroeger voerden de teksten de boventoon. Ik heb wel een paar goede songs verpest met de teksten. Of ik formuleerde de tekst zo precies dat het ten koste ging van de melodie. De catchy nummers zijn altijd eerst de muziek, de niet-catchy liedjes de tekst eerst. Als ik een liedje schrijf gaat het om het gevoel. Dan heb ik het verhaal in mijn hoofd en probeer ik het in dat gevoel te passen, zodat dat overkomt als je het nummer luistert. Het heeft me jaren gekost om de juiste balans te vinden, en ik worstel er nog steeds mee. Onze producer J.D. Foster leerde me te zeggen wat ik wilde te zeggen zonder zo veel woorden nodig te hebben. Ik probeer altijd een heel verhaal in drie minuten te passen. Soms lukt dat, vaak gaat het mis.”

woensdag 30 november 2011

The Black Keys: Niet te veel hocus pocus

Foto: Danny Clinch

The Black Keys hadden zich net ontwikkeld tot songwriters, besluiten ze op El Camino weer ouderwets te rock ’n rollen.
‘Een rock ’n roll-plaat.’ Zo omschrijft zanger en gitarist Dan Auerbach het zevende Black Keys-album El Camino dat vrijdag in de winkel ligt.
Om eerlijk te zijn: El Camino is niet de meest geïnspireerde plaat in het ijzersterke oeuvre van The Black Keys. Het duo rockt weer als een havenkraan bij windkracht 10, maar El Camino ontbeert bezieling en diepgang en klinkt als formulewerk.
Het is alsof de typische Black Keys-riffs zijn opgeblazen en uitvergroot. ‘Je bent niet de eerste die dat opmerkt’, erkent Auerbach. ‘Dat heeft te maken met de zangeressen die de refreinen zingen, waardoor die automatisch groots en meer poppy klinken. Toen ik hen vroeg, luisterde ik naar Bobbie Gentry, een countrysoul singer-songwriter. Zij liet haar refreinen altijd door zangeressen zingen.’
Verfijnd
De terugkeer naar het elementaire geluid is opvallend. The Black Keys begonnen met primaire bluesrock, maar op Auerbachs schitterende soloplaat Keep It Hid (2009) en Brothers (2010), het succesalbum dat de grote doorbraak van de band werd, had het duo zich juist ontwikkeld tot verfijnde songwriters. ‘Liedjes hoeven niet ingewikkeld te zijn om goed te zijn’, verklaart Auerbach de draai. ‘We wilden muziek maken die ongecompliceerd was. Zonder pretentie.’
Auerbach ziet El Camino niet als een stap terug. ‘Het is meer rock ’n roll, maar melodieus en vocaal veel inhoudelijker dan onze oude platen. El Camino begon met de muziek. Riffs. Gitaar en drums. Een jamsessie. Met Brothers hebben we eerst de teksten geschreven. De muziek moest om het verhaal heen gemaakt worden. Op El Camino zijn de teksten achteraf geschreven. Ze moesten in het liedje passen. Het is een andere benadering met een ander resultaat.’
‘Ik denk dat we meer plezier zullen beleven aan het live spelen van El Camino dan Brothers. Het is leuker om rock ’n roll-nummers voor een publiek te spelen dan langzame ballads. Dan worden de fans wild.’
The Black Keys zijn niet vies van een gebbetje. Met de clip van Lonely Boy doet de band een gooi naar het wereldrecord sufste videoclip ooit: we zien één take – gefilmd met een mobieltje? – van een man bij een dicht loket die uit de pan swingt. WTF?!
Auerbach grinnikt. ‘Een stukje vermaak van drie minuten. We hadden een hele videoclip, compleet met een verhaallijn. Pat en ik acteerden erin. Toen het af was, bleek het resultaat waardeloos. Maar we hadden één stuk waarin een man danste. Toen hebben we dat maar gebruikt. Het is opgenomen op de parkeerplaats van een motel in LA’, zegt Dan zonder een spier in zijn gezicht te vertrekken. ‘Het zou inderdaad de goedkoopste videoclip aller tijden zijn geweest als we alleen dit fragment hadden opgenomen. Maar we hebben een hele draaidag gedaan, er waren vijftig mensen bij betrokken. Het is de duurste single-shot video ooit.’
De danser, Derrick Tuggle, is inmiddels een rijzende ster. Hij mocht in de primetime talkshow van Ellen Degeneres zijn dansje nog eens opvoeren. Zal de Lonely Boy-clip de Black-Eyed Peas weer een MTV Video Award opleveren? De muziekzender graveerde vorig jaar de verkeerde naam in de prijs. Foutje, bedankt.
‘Ik hoop het niet.’


Dit artikel verscheen eerder in De Pers.

vrijdag 18 november 2011

A Tribe Called Quest: reizigers in muziek



A Tribe Called Quest mag dan al anderhalf decennium geen plaat meer hebben gemaakt, hun invloed laat zich tot op de dag van vandaag gelden.

Lees ook:



Op het station van St. Albans in Queens, New York staan Count Basie, John Coltrane, Billie Holiday, Ella Fitzgerald, Fats Waller, James Brown en Lena Horne geschilderd. De buurt is trots op de muzikale grootheden die ooit in de zwarte middenklassewijk hebben gewoond. De jonge leden van rapgroep A Tribe Called Quest keken tegen hen op en droomden ervan ooit ook op die muur te prijken. Maar uit de buurt komen ook helden van hun generatie: rapper L.L. Cool J groeide op bij zijn oma in St. Albans en Run-DMC kwamen uit het naburige Hollis.

Rappers Q-Tip (Jonathan Davis, geb. 1970) , Phife Dawg (Malik Taylor, geb. 1970) en Jarobi White (geb. 1971) zijn jeugdvrienden die samen opgroeiden in St. Albans. Op de Murry Bergtraum High School for Business Careers leert Q-Tip de DJ Ali Shaheed Muhammad kennen. Met zijn vieren beginnen ze de groep Quest.

Murry Bergtraum wordt een cruciale plaats voor hun carrière: onder de leerlingen bevinden zich ook de geestverwante hiphopgroep Jungle Brothers. Het is Afrika Baby Bam van de Jungle Brothers die MC Love Child omdoopt in Q-Tip, en ook met de naam A Tribe Called Quest op de proppen komt. Jungle Brother Mike Gee is het neefje van de populaire en invloedrijke radio-DJ Red Alert, dus dat opent deuren.

Straight Out The Jungle, het klassieke debuutalbum van de Jungle Brothers uit 1988 bereidt de weg voor A Tribe Called Quest. Q-Tip rapt coupletten op Black Is Black. Intussen introduceert Afrika Baby Bam Tip ook bij een andere geestverwante groep: De La Soul, een eigenzinnig raptrio uit Long Island dat wordt geproduceerd door Prince Paul, de DJ van hiphopband Stetsasonic. De La Soul viert in 1989 grote commerciële successen met de singles Me, Myself and I en Say No Go van Three Feet High and Rising, nog steeds een van de beste hiphopalbums aller tijden.

De remix van De La Souls Buddy, met cameo’s van de Jungle Brothers en Q-Tip, wordt het manifest van een revolutionaire beweging in de hiphop: de Native Tongues. Het collectief – bestaande uit kernleden Jungle Brothers, A Tribe Called Quest, De La Soul en Queen Latifah, - stond voor een radicale breuk met de heersende machocultuur van de hiphop. De Native Tongues vierden eigenzinnigheid. Je hoeft helemaal niet stoer te zijn en jezelf te behangen met gouden kettingen. Wees jezelf, durf af te wijken van de norm.

Het geluid van de Native Tongues is in tegenstelling tot de woedende hiphop van Public Enemy en NWA vriendelijk , speels en jazzy, al deelden de Native Tongues hun intelligentie, politieke en sociale bewustzijn en Afrocentrisme. Ook hun kledingsstijl valt op: geen trainingspakken, gympen en gouden kettingen, maar kleurige kleren met verwijzingen naar Afrika, het moederland.

“We maakten het cool om gewoon jezelf te zijn, alles mocht, niks was te gek”, legt Phife uit aan Heaven. “Al was ik niet zo gelukkig met de kleren die we droegen.”



woensdag 19 oktober 2011

Aaron Neville: ‘Ik heb het aan God overgelaten’

Foto: Sarah A. Friedman
Hij overleefde een heroïneverslaving, de orkaan Katrina en, niet te vergeten, een halve eeuw muziekindustrie, wat uiteraard zijn sporen heeft achtergelaten bij de nachtegaal van de soul. Niet voor niets gaf Aaron Neville (70) zijn vorig jaar verschenen gospelalbum de titel I Know I’ve Been Changed mee.

Lees ook:

Aaron Neville is niet zomaar een zanger, hij is een natuurkracht. Het blijft onvoorstelbaar dat uit die ondergetatoeëerde kleerkast zo’n engelachtige kopstem komt. Je verwacht hem eerder gewichtheffend op de luchtplaats van San Quentin dan gevoelige gospels zingend in een studio. Neville grinnikt. “Ik kan alleen maar zeggen: het komt uit mijn hart.” Door de telefoon klinkt een lage, monotone mannenstem. “Mensen zeggen dat het tegenstrijdig is, maar ik zeg altijd: dat is de God in mij die de God in jou aanraakt.” Zo groot als zijn spierbundels zijn, zo klein is zijn hart. “Ik ben absoluut niet gevaarlijk. Ik ben de aardigste persoon die je ooit zult tegenkomen.”