vrijdag 8 april 2022

On The Corner: de meest gehate jazzplaat aller tijden wordt 50


On The Corner (1972) van Miles Davis wordt de meest gehate jazzplaat aller tijden genoemd. Een halve eeuw later is het album toch een invloedrijk werk gebleken. ‘Moet ik wachten tot je wél zover bent, motherfucker?’


Lees ook:

Miles Davis zat niet goed in zijn vel in 1972. Het stuklopen van zijn relatie met Marguerite Eskridge, ongeveer gelijktijdig met de geboorte van hun zoon Erin, was een mokerslag. De belastingdienst deed moeilijk. Davis’ gezondheid begon hem in de steek te laten. Miles moest met lede ogen toezien hoe zijn voormalige bandleden, met wie hij aan de wieg stond van de fusion met het baanbrekende album Bitches Brew (1970), hem in verkoopcijfers waren voorbij gestreefd. 

Davis was niet te spreken over de richting die fusion op ging: te veel virtuositeit, te weinig gevoel. Maar hij had de bruggen naar de jazz achter zich verbrand. 

"Ik wil een zwarte horen zeggen:‘ik hou van Miles Davis'" 

Het was een tijd van Black Power, en het zat Davis niet lekker dat hij nauwelijks speelde voor mensen met zijn eigen huidskleur. Miles, nu halverwege de veertig, constateerde dat de zwarte jeugd niet meer naar jazz of naar hem luisterde, maar naar James Brown en Sly and the Family Stone. Tijd voor een koerswijziging. ‘Ik speel niet voor blanken, man’, zei Davis tegen Melody Maker. ‘Ik wil een zwarte horen zeggen: ‘ik hou van Miles Davis.’’

vrijdag 18 februari 2022

Leo Nocentelli: goddelijke interventie

Leo Nocentelli live in 2006 (Foto: Flickr/cisc1970)

Hoe het vergeten en verdwenen solo-album van Leo Nocentelli, gitarist van de pionierende funkband The Meters, uit het wassende water van orkaan Katrina werd gered en na vijftig jaar eindelijk zijn weg naar de luisteraar heeft gevonden, is een ongelofelijk verhaal. ‘Het heeft een zekere spiritualiteit.’


Lees ook:

De toekomst is ongewis als Leo Nocentelli in 1971 zijn intrek neemt in de fameuze Jazz City Studio in New Orleans om een paar solo-demo’s op te nemen. “Ons label Josie, waarop The Meters drie albums hadden uitgebracht, ging failliet. Dus we hadden geen platencontract meer. We hadden niks te doen dus ik besloot wat nummers te schrijven”, vertelt de 75-jarige Nocentelli een halve eeuw later aan de telefoon vanuit ‘The Big Easy’. Tijdens de sessies over een periode van twee maanden wordt de gitarist vergezeld door zijn Meters-collega’s George Porter Jr. (bas) en Joseph “Zigaboo” Modeliste (drums). Af en toe schuiven ook hun illustere vaste producer Allen Toussaint en jazzmuzikant James Black aan achter de piano en het drumstel.

Maar ondanks de bijna voltallige Meters-bezetting (op toetsenist Art Neville na), tapt Nocentelli uit een ander vaatje. “Ik had een paar platen gekocht van James Taylor en was erg gecharmeerd van wat hij deed, de akkoordenschema’s en zijn teksten. Het was niet van ‘baby I love you’ en ‘don’t leave me’, maar het waren verhalen. Ik wilde ook dat soort liedjes schrijven.”


"Toen ik er destijds naar luisterde zou ik het ‘country and western’ genoemd hebben"


Folk

Leo verruilt zijn elektrische gitaar voor een akoestische, en wat er uit de sessies komt is niet de minimale oerfunk waar The Meters patent op hebben. “Toen ik er destijds naar luisterde zou ik het ‘country and western’ genoemd hebben. Met de kennis van nu zou ik het een folk album noemen”, omschrijft Nocentelli de tien songs op Another Side, zoals het album vijftig jaar na dato is vernoemd. “Het heeft een folk-feeling, folk-teksten die ik normaal niet voor een funknummer van The Meters zou schrijven, zoals Pretty Mittie en You’ve Become a Habit, dat over een prostituee gaat. Het is een singer-songwriter plaat, terwijl The Meters het volledige repertoire van solo’s, ingenieuze zang en achtergrondzang had. Al zit er nog steeds funk in, want zo ben ik nu eenmaal. Dit is strikt singer-songwriter, het is een andere manier van denken.”

Nocentelli ziet het, zoals de albumtitel impliceert, als een andere kant van zichzelf. “Het zit in je. Ik heb geleerd om naar verschillende genres te luisteren en ze te spelen. Toen ik jong was had ik drie of vier optredens per dag in New Orleans: een jazz-optreden, een dixieland-optreden, een R&B-optreden, enzovoorts. Je moest verschillende stijlen leren beheersen om te overleven. Zo heb ik een oor voor verschillende muzieksoorten ontwikkeld en ze leren spelen.” 

Het is een ander idioom, maar de muzikale benadering is hetzelfde als met The Meters: eenvoud. The Meters namen een jaar eerder een fijngevoelige cover op van Wichita Lineman voor hun derde album Struttin’, dat stilistisch een voorproefje van Another Side had kunnen zijn. Het funky Riverfront, gebaseerd op de ervaringen van Art’s broer Aaron Neville als havenarbeider in New Orleans, schuurt tegen The Meters aan. Een hoogtepunt op Another Side is een prachtige, wellicht zelfs superieure cover van Elton John's Your Song, dat op dat moment een hit was.


vrijdag 10 december 2021

Arthur Verocai: tweede jeugd


Na een geflopt album verdween hij in de jaren 70 van de radar. Maar in de halve eeuw die volgde groeide de 76-jarige Braziliaan uit tot een cultheld, en nu duikt hij op twee platen tegelijk op van de hipste bands van dit moment: Hiatus Kaiyote en BadBadNotGood. Wie is Arthur Verocai?

Lees ook:

De ‘zoon van bossa nova’ noemt Arthur Verocai zichzelf. Hij ziet in 1945 het levenslicht in Rio de Janeiro, de bakermat van de muziekstijl die geboren wordt uit de samba, rond hetzelfde moment als wanneer de jonge Arthur in 1959 gitaar begint te spelen. ,,Ik bewonderde componisten als Tom Jobim, Villa Lobos en Milton Nascimento”, schrijft Verocai. Omdat hij de Engelse taal niet machtig is, voeren we het interview per e-mail. 

Zijn doorbraak komt in 1966 als zangeres Leny Andrade Verocai’s compositie Olhando o Mar opneemt. Met zijn muziekcarrière gaat het vanaf dat moment crescendo. ,,In 1969 gaf ik mijn beroep van civiel ingenieur op om professioneel muzikant te worden.” Verocai wordt een veelgevraagd arrangeur voor de albums van grote Braziliaanse artiesten als Jorge Ben, Elis Regina, Gal Costa en Marcos Valle. Hij wordt de music director en gitarist van de show É a maior, en schrijft arrangementen voor de orkesten van de grote muziekfestivals in Porto Alegre en São Paulo. Hij treedt in dienst als music director bij TV Globo, de grootste omroep van het land, en schrijft tunes voor tv-programma’s.

Ingetogen meesterwerk

Als Verocai twee albums van zangeres Célia produceert voor Continental Records, doet het label hem een aanbod om een eigen album op te nemen. Geïnspireerd door zowel Braziliaanse muziek als jazz, soul, en klassiek van met name Milton Nascimento, Blood, Sweat & Tears, Bill Evans, Herbie Hancock en Miles Davis, brengt Arthur Verocai in 1972 zijn eponieme album uit. Het is een wonderschoon, ingetogen en melancholiek meesterwerk met stijlvolle orkestraties. Ingespeeld door een keur aan Braziliaanse topmuzikanten als drummers Robertinho Silva en Pascoal Meirelles, Paulo Moura, multi-instrumentalist Oberdan Magalhães, saxofonist Nivaldo Ornelas en gitarist Toninho Horta. Verocai’s psychedelische orkestraties roepen associaties op met Amerikaanse producers als David Axelrod en Charles Stepney. Het album is de schakel tussen de Tropicália van de jaren 60 en de Braziliaanse funk van de jaren 70.

vrijdag 8 oktober 2021

Jaco Pastorius: basrevolutionair

Jaco Pastorius met zijn tweede vrouw Ingrid in de kleedkamer tijdens een Japanse tournee in 1980. (Foto: archief Peter Erskine)

Jaco Pastorius’ big bang op de bas galmt bijna 35 jaar na zijn dood nog altijd na. Op 1 december zou hij 70 jaar zijn geworden. Vrienden en kenners aan het woord over een muzikaal fenomeen.

“My name is John Francis Pastorius III, and I’m the greatest bass player in the world.”

“Get the fuck out of here!”

Zo verliep de eerste kennismaking tussen Jaco Pastorius en Joe Zawinul. Het was het najaar van 1974, backstage na een concert van Zawinuls fusiongroep Weather Report in Miami. 

In zijn thuisstaat Florida wist men al wat voor vlees ze in de kuip hadden, maar daarbuiten was Jaco nog onbekend. Zawinul kon niet bevroeden dat deze opschepperige ‘beach bum’ niet blufte, en twee jaar later met zijn verbluffende titelloze debuutalbum, zijn sfeerbepalende spel op Joni Mitchells Hejira én als bassist van zijn eigen Weather Report een schokgolf door de muziekwereld zou laten gaan die vergelijkbaar was met de tsunami van 2004. 

Jaco trok met een nijptang de frets uit de hals en herschreef de natuurwetten van wat mogelijk was op een (fretloze) basgitaar. Er is elektrische bas vóór en bas na Jaco Pastorius. De bas was niet meer slechts onderdeel van de ritmesectie in de achtergrond, maar kleurde de muziek. Jaco’s uit duizenden herkenbare sonore, soepele bas klonk als de paringsdans van baltsende bultruggen in de diepzee waar de laatste lichtstralen door de duisternis priemen. Met zijn flamboyante verschijning en spectaculaire stage show werd Jaco de rockster van de jazz en katapulteerde hij Weather Report van de jazzclubs naar de stadions.

Tekening die Jaco Pastorius maakte van Joe Zawinul in 1978. (archief Peter Erskine)

“I’m the greatest bass player in the world”; het werd Jaco’s opkomst én zijn ondergang, zijn zegen en zijn vloek. De druk om die legende sessie na sessie, concert na concert waar te maken werd ondraaglijk. Met het succes kwamen de drank, drugs en psychische problemen, die leidden tot stukgelopen huwelijken. Het werd een vicieuze cirkel van geestelijke wanhoop. De geheelonthouder Jaco in Florida veranderde in de junk en alcoholist Jaco in New York. Zijn excentrieke gedragingen werden bizar wangedrag. Jaco begon optredens te saboteren, soms zo erg dat de politie traangas moest gebruiken om de woedende menigte uiteen te drijven. Zijn misdragingen werden zo ernstig dat de hoge bazen Jaco de toegang tot het kantoor van Warner Bros. verboden. Hij mocht zijn eigen kinderen niet meer zien, waardoor Jaco nog dieper in de fles dook. Hij raakte aan lager wal en zelfs dakloos, moest starnakel dronken zijn kostje bij elkaar schrapen als straatmuzikant.

Het kon niet anders dan dat het tragisch zou aflopen. Op een kwade dag liep Jaco tegen de vuisten aan van een nachtclubuitsmijter met een zwarte band in vechtsport. Hij werd in coma geslagen en stierf tien dagen later, op 21 september 1987, slechts 35 jaar jong. Precies de leeftijd die hij zelf had voorspeld.

vrijdag 11 juni 2021

Gary Numan: toevallige pionier

Het einde der tijden is nakende! Die onheilstijding brengt synthpop-pionier Gary Numan op zijn nieuwe album Intruder én de volgende plaat waar hij al aan werkt. ‘Fucking hell man, we zijn de klos!’

Lees ook:


Terwijl het coronavirus wereldwijd om zich heen greep en miljoenen mensenlevens eiste, zat Gary Numan verschanst in zijn thuisstudio in zijn Californische kasteel onverstoord te werken aan Intruder, zijn 21e album. “Het meeste was al vóór corona gedaan. Ik had de nummers al af voordat het virus begon”, vertelt Gary via Zoom. “Toen het virus kwam heb ik gewoon doorgewerkt. ‘s Morgens ging ik naar beneden en dook de studio in. En ‘s avonds als het donker was kwam ik er weer uit en ging naar bed. Dus ik heb er weinig van meegekregen. Natuurlijk las ik er wel over in de kranten. En mijn kinderen zaten thuis omdat de school dicht was. Een paar dingen waren anders, maar het had niet veel impact. Ik zat tot over mijn oren in de nieuwe plaat, ik was al aan het afronden, ik kwam toch al weinig buiten en deed verder weinig. En ik was ook bezig een boek te schrijven. Dat deed ik ook in de studio, dat is het enige rustige plekje hier in huis, met de kinderen, de herrie, de honden. Pas eind juli drong echt tot me door hoe alles anders was.”

Twee golven en meerdere afgelaste tournees later begint de situatie voor Gary langzamerhand wel wat penibel te worden. “Wij verdienen het grootste deel van ons inkomen aan touren, niet aan albums. Die maak je om het touren te rechtvaardigen. Optreden is niet alleen een belangrijke reden waarom je artiest wordt, dat is het meest opwindende onderdeel. Je mist niet alleen dat, en de levensstijl en alles dat erbij komt kijken. Je mist ook het geld. De eerste tien maanden was er geen probleem, ik maakte me er geen zorgen over. Sinds de kerst is het wel wat moeilijker geworden. We moeten meer op de kleintjes letten. Ik heb geluk gehad dat we vóór 2020 een paar goede jaren hebben gehad, dus ik had veel reserves. Maar dat is nu op, haha! Dus ik sta te popelen om te gaan touren.

Er staat nog een Amerikaanse tournee gepland in oktober, die is misschien nog wel mogelijk. Het hangt af van het vertrouwen dat mensen hebben in het vaccin of ze het aandurven om weer naar evenementen te gaan. Er zijn natuurlijk ook veel mensen die geen vaccin willen, met name onder Republikeinen. Ik hoorde gisteren op het nieuws dat 59 procent van de Republikeinen zich niet willen laten vaccineren, uit een soort politieke loyaliteit. Dat is gewoon fucking gestoord! Dat is een probleem dat effect zal hebben op evenementen.” 

vrijdag 10 april 2020

Róisín Murphy: vreemde eend

Róisín Murphy: "Goeie genade, je kunt mij amper verfijnd noemen.” (Foto: Adrian Samson)

Róisín Murphy stelt ons geduld op de proef. Sinds haar laatste album Take Her Up To Monto, alweer vier jaar geleden, maakt de Ierse zangeres ons lekker met de ene na de andere magistrale single. Dat roept de vraag op: waar blijft dat nieuwe album?

Lees ook:

Heaven trok de stoute schoenen aan en benaderde Murphy voor een interview om het antwoord te krijgen. En weer moesten we geduld hebben. Ze had het zo druk dat het meer dan twee maanden duurde om een gaatje in haar agenda te vinden. We moesten het doen met een half uurtje voordat ze met een orkest haar nieuwste single Narcissus uitvoert op de Ierse televisie. Niet eens genoeg om al onze vragen te stellen.



Die nieuwe plaat dus, komt die eraan? “Het nieuwe album is in ontwikkeling”, bevestigt Murphy door de telefoon vanuit Dublin. “Ik ken DJ Parrot en The Crooked Man al heel lang. We werken er een beetje op en af aan, zonder eigenlijk te weten waarom we het doen, en zo gaat het al jaren. Het begon in 2012 met Simulation, dat ook op het album komt. Dus dat is al bijna tien jaar oud. We hebben dus geen haast. Simulation kwam niet op mijn andere albums. Daar maakte het gewoon geen deel van uit. Ik maakte Take Her Up to Monto (2016) immers met Eddie Stevens. Ik heb Parrot altijd om me heen. Hij is al mijn hele leven als een maestro voor me, hij heeft me veel geleerd over muziek. Ik keer altijd weer bij hem terug. Hij is heel ontspannen, niet egocentrisch. Hij zegt altijd: als je er klaar voor bent, kom maar terug en dan maken we weer een plaat samen. Maar nu hebben we ineens een platencontract en moeten we een album afleveren. Dat duurt niet lang meer, ik verwacht voor de zomer. Ik weet al een titel, maar die verklap ik nog niet. De muziek wordt heel rechttoe rechtaan, dus de titel wordt ook recht voor zijn raap.”



De singles Narcissus, Incapable en de in maart verschenen Murphy’s Law, zijn uitgesponnen, spannende, sensuele tracks die een sfeer oproepen van de zweterige eurodisco waar Giorgio Moroder eind jaren 70 patent op had. Maar ze grijpen ook terug op de pionierende en toonaangevende housescene van Sheffield eind jaren 80, waar Murphy en producers Parrot en The Crooked Man uit voortkomen, vertelt ze. “Toen we tien jaar geleden met elkaar in gesprek raakten over dit project, hadden we al lang geen housemuziek meer gemaakt. Parrot had verschillende dingen gedaan, van easy listening tot een samenwerking met Jarvis Cocker. Hij had zijn roots in de house achter zich gelaten. Ik heb hem benaderd en gezegd: ik wil samen house en disco maken, en er voor gaan. Door mij is Parrot zich weergaan bezighouden met clubmuziek, want hij gaat niet meer naar clubs. Hij heeft in zijn jeugd veel gewerkt als dj en had ook een club in Sheffield, Jive Turkey, waar de eerste houseparty’s Engeland plaatsvonden. Ik heb zelf nooit strikt clubhouse gemaakt en het zo puur mogelijk gehouden zonder dat het generiek werd.”


zaterdag 4 januari 2020

Leve de koning van de surfgitaar



Een spetterend begin van 2020: de bibliotheek in Veghel had mij uitgenodigd om op vrijdagavond 3 januari in het maandelijkse Luistercafé Noordkade te vertellen over Dick Dale, de vorig jaar overleden 'king of the surf guitar'. Ik sprak over zijn baanbrekende samenwerking met Leo Fender bij de ontwikkeling van gitaarversterkers, zonder welk een genre als heavy metal simpelweg niet kon bestaan. The Mariños speelden de muziek van Dick Dale, waaronder natuurlijk de soundtrack van Pulp Fiction. Bovenstaande video geeft een korte impressie van de avond. Het interview dat ik in 2010 met Dick Dale deed lees je hier.