maandag 15 augustus 2005

Miles Davis’ eerste kwintet - Vijftig jaar 'Round About Midnight


Miles Davis was als herboren toen hij terugkeerde in New York in het voorjaar van 1954. Tijdens een eenzame opsluiting op de boerderij van zijn vader in Illinois was hij op eigen kracht van zijn heroïneverslaving afgekomen. Miles borrelde over van de energie en nieuwe ideeën.

Lees ook:

Davis was door zijn heroïneverslaving zo goed als afgeschreven. Hij wist dat hij het onderste uit de kan moest halen om het publiek weer voor zich te winnen. Waar Miles in het verleden door zijn drugsgebruik er met de pet naar gooide, had zijn spel een nieuwe intensiteit, passie en technische kwaliteit. Hij werkte hard aan zijn geluid en omringde zich met topmuzikanten als saxofonist Sonny Rollins, bassist Percy Heath en drummer Art Blakey. In 1954 nam Davis met wisselende bezettingen enkele sterke albums op voor Blue Note en Prestige, waaronder het meesterwerk Walkin’. Intussen bracht Capitol eindelijk Birth of the Cool uit, het historische cool jazz album dat Davis in 1949 en 1950 opnam met zijn nonet. Miles was op de terugweg naar de top en dat had het publiek in de gaten.

Newport
Miles consolideerde zijn comeback in juli 1955 op het Newport Jazz Festival. Op het laatste moment werd hij toegevoegd aan de All Star-band met onder meer Zoot Sims, Gerry Mulligan, Percy Heath, Connie Kay en Thelonius Monk. De combinatie van Miles met Monk was opmerkelijk; de twee hadden op kerstavond in de legendarische Rudy Van Gelder studio slaande ruzie gekregen. Niettemin vestigde Davis voorgoed zijn naam met een compositie van nota bene Monk: ‘Round About Midnight. Miles speelde zijn solo met gedempte trompet, wat zijn geluid zou gaan karakteriseren. De passie die Miles in solo legde deed het publiek aan de grond genageld staan. Hier werd geschiedenis geschreven.

“Iedereen ging uit z’n dak. Ik kreeg een staande ovatie. Iedereen keek me aan alsof ik een koning was”, schreef Davis in 1989 in zijn autobiografie. “Alle muzikanten daar behandelden me als een god, en dat allemaal om een solo die me lang geleden zo veel moeite had gekost om onder de knie te krijgen.”
Nu was Davis klaar om een eigen band te vormen. Als eerste rekruteerde hij drummer Philly Joe Jones, pianist Red Garland en bassist Paul Chambers. Nu zocht Miles nog een saxofonist naast hem. Sonny Rollins genoot zijn voorkeur, maar Rollins weigerde en liet zich opnemen om van de heroïne af te kicken.


Miles speelt 'Round Midnight met zijn tweede grote kwintet in Berlijn in 1967

John Coltrane
Philly stelde voor om de jonge, onbekende John Coltrane te vragen. Davis reageerde echter sceptisch. Hij herinnerde zich nog dat Coltrane het een paar jaar eerder aflegde tegen Sonny Rollins. Maar Davis zat omhoog en had snel een saxofonist nodig voor een engagement in Baltimore, en had door Rollins’ afwezigheid geen keuze. Philly belde Coltrane, die zijn vaste aanstelling bij toetsenist Jimmy Smith in Philadelphia vaarwel wuifde en zich maar wat graag bij het Miles Davis Quintet voegde, omdat hij bij Davis de kans kreeg zich te ontwikkelen. Het was in deze tijd dat Miles voor het eerst zijn reputatie vestigde dat hij een goede neus voor nieuw talent had. Paradoxaal genoeg kreeg hij tegelijk kritiek dat hij werkte met onbekende, beginnende muzikanten in plaats van ‘all stars’.

Het kwintet werd al snel een sensatie in de jazzscene. Jazzliefhebbers en hipsters dromden om Miles Davis en zijn nieuwe band te horen. In het publiek bevonden zich niemand minder dan Frank Sinatra, Tony Bennett, Ava Gardner, Elizabeth Taylor, Marlon Brando en James Dean.

Ongelofelijk
Davis was in zijn nopjes. Het kwintet speelde ‘sneller dan ik kon geloven, de muziek die we speelden was ongelofelijk”, schreef de trompettist in zijn autobiografie. “Het was zo bad dat me de rillingen langs het lijf liepen, en bij het publiek ook. Man, de shit die we in korte tijd speelden was beangstigend, zo beangstigend dat ik mezelf moest knijpen om te zien of ik er wel echt bij was.”

Het Miles Davis Kwintet keerde de jazz binnenstebuiten. Miles’ vloeiende, ronde toon (vaak met demper) was een breuk met de heersende conventies. De trompettist was sterk beïnvloed door de pianist Ahmad Jamal, wiens lichte en harmonieuze spel de tenen van de jazzpuristen deed krommen. Zij schreven de pianist af als een ordinaire cocktailbarpingelaar, maar Davis bewonderde echter Jamals raffinement, understatement, beheersing en gebruik van ruimte. Hij instrueerde zijn pianist Red Garland dan ook om in de stijl van Jamal te spelen.

Ook de ritmesectie van het kwintet viel op, die functioneerde als een strakke eenheid terwijl ze individueel en autonoom musiceerden. Bassist Paul Chambers ontplooide technieken in zijn spel die nooit eerder in de jazz waren toegepast, zoals het gebruik van de strijkstok. Drummer Philly Joe Jones zou met zijn ‘Philly lick’, een rimshot op de vierde tel, nog generaties na hem beïnvloeden.

De grootste ster van het firmament was John Coltrane. Hij was vrijwel onbekend, maar maakte razendsnel naam. Zijn introspectieve spel had geen precedent of referentiepunt. Coltranes geluid contrasteerde bovendien mooi met Miles’ coole toon, en stuwde Miles’ spel tot grote hoogten. Het was even wennen, maar Coltranes stijl sloeg in als een bom en het was duidelijk dat men hier te maken had met een grootheid.

Columbia
Newport had Miles’ carrière in de lift gebracht. Een van de getuigen van Miles’ historische solo op ‘Round About Midnight was George Avakian, de jazzproducer van Columbia. Hij frequenteerde in het najaar van 1955 ook de Café Bohemia in Greenwich Village, een hippe club waar het kwintet een vast engagement had. Columbia wilde zijn magere jazzstal uitbreiden en Miles Davis was de man die ze zochten. Voor jazzmuzikanten was een contract met Columbia een droom; kleine jazzlabeltjes als Blue Note en Prestige konden hun artiesten niet veel geld bieden en Columbia kon dat wel. Bovendien vond Davis dat Prestige hem onderbetaalde. Van Columbia kreeg hij een voorschot van 4000 dollar, plus een jaarsalaris van 300.000 dollar. Dat is vet voor artiesten maar – nog steeds - ongekend voor jazzmuzikanten.

Davis wilde maar wat graag in zee met Columbia. Maar hij zat nog vast aan zijn contract met Prestige. Labelbaas Bob Weinstock wilde zijn paradepaard niet kwijt, en Avakian wilde de rijzende ster graag onder zijn vleugels nemen. Daar moest dus een fikse afkoopsom uitonderhandeld worden. Na maandenlang getouwtrek was de uitkomst dat Davis genoeg materiaal voor vier albums voor Prestige zou opnemen.
In twee marathonsessies werden Steamin’, Workin’, Cookin’ en Relaxin’ opgenomen. Het materiaal was gevarieerd; het kwintet speelde populaire stukken als If I Were A Bell (uit de musical Guys and Dolls), maar ook pure jazzcomposities als Oleo van Sonny Rollins. Wat er op papier uitziet als een haastklus, klonk in werkelijkheid allerminst als een contractuele verplichting. Het vierluik behoort nog altijd tot de beste platen van Miles en de jazz als geheel.

In oktober 1956 dook het kwintet voor het eerst de Columbia-studio in voor de opnames van ‘Round About Midnight. De titel is niet toevallig gekozen; waarschijnlijk wilden Davis en Columbia het momentum van Newport maximaal uitbuiten. Het ingetogen, gevoelige openingsnummer ‘Round Midnight, waarin Miles’ trompet lijkt te fluisteren, is ‘vintage’ Miles. Het album was een stap vooruit voor het kwintet wat betreft verfijning van hun composities. De band was door maandenlang optreden volledig op elkaar ingespeeld.

Flamboyant
In deze tijd begon Miles Davis zich steeds meer te profileren als een flamboyante persona. Op de hoes van ‘Round About Midnight schijnt een rode spotlight op de trompettist, die peinzend en strak in het pak gestoken poseert met een hippe zonnebril en zijn trompet. De boodschap is duidelijk: Miles is een en al klasse. Als geen ander besefte Davis dat muziek en talent alleen geen platen verkoopt, imago is minstens zo belangrijk. Om zijn dandyimago te versterken gebruikte Miles zijn ruime voorschot van Columbia om dure kleren en een witte Mercedes Benz te kopen.

“Ik kleedde me weer heel goed: pakken van Brooks Brothers en op maat gemaakte Italiaanse pakken”, schreef Miles in zijn autobiografie. “Ik herinner me dat ik er op een avond zo gelikt uit zag dat ik mezelf in de spiegel stond te bewonderen. Harold Lovett [Davis’ manager] was erbij. Ik moest die avond optreden en hij ging mee. Dus ik zei tegen hem: ‘Man, I’m cleaner than a motherfucker in this blue suit.’ Hij knikte en ik voelde me zo goed dat ik de deur uit ging zonder trompet. Met opgeheven hoofd liep ik de deur uit en Harold riep: ‘Hé Miles, denk je dat ze je clean in de Bohemia willen zien zonder trompet?’ Man, wat moest ik lachen.”

Davis ontwikkelde zich tot een keiharde onderhandelaar die hoge gages uit optredens sleepte en eisen durfde te stellen aan zijn klanten. Davis’ hautaine gedrag leidde ook tot irritaties. Vooral zijn gewoonte om met zijn rug naar het publiek te spelen of van het podium te lopen tijdens solo’s van zijn bandleden, viel niet in goede aarde. Miles wuifde de kritiek weg door te zeggen dat hij geen entertainer was maar een simpelweg een trompettist, en dat hij de aandacht van het publiek voor de solo’s van zijn bandleden niet wilde afleiden met zijn aanwezigheid.

Een onbedoelde factor in Miles’ image was zijn stem. De trompettist moest begin 1956 een gezwel aan zijn strottenhoofd operatief laten verwijderen. De artsen adviseerden Davis zijn stem enkele weken niet te verheffen, maar het noodlot wilde dat hij ruzie kreeg met iemand uit de muziekindustrie en hem uitkafferde. De rest van zijn leven had Miles zijn legendarische schorre stem.

Scheuren
Binnen het kwintet begonnen zich de eerste scheuren te vertonen. Miles was clean, maar de rest van de band ging zich te buiten aan drank en drugs. Dat drukte op de prestaties van het kwintet. Leden kwamen te laat of helemaal niet opdagen voor optredens, of hun spel was ondermaats. Uiteraard irriteerde dat Davis. In oktober 1956 kwam het tot een uitbarsting. John Coltrane kwam voor de zoveelste keer te laat voor een concert in het Café Bohemia en op het podium stond hij te knikkebollen van de heroïne. Miles kon zich niet beheersen en in de kleedkamer gaf hij Coltrane een klap in zijn gezicht en sloeg hem in zijn maag. Thelonius Monk was hiervan getuige en zag zijn kans schoon om de inmiddels gevierde saxofonist een plaats in zijn band aan te bieden.

Davis vervulde zijn verplichtingen aan Café Bohemia door Coltrane te vervangen door Sonny Rollins, die inmiddels uit de afkickkliniek was. In het najaar van 1956 ontbond hij het kwintet tijdelijk, ook omdat hij deel uitmaakte van een Europese tournee van prominente jazzmusici. Na zijn terugkeer in de VS aan het eind van het jaar herenigde Davis het kwintet. De oude problemen speelden echter al gauw weer op en in april 1957 ontsloeg Miles John Coltrane en Philly Joe Jones definitief. Sonny Rollins volgde Coltrane op. Philly werd vervangen door Art Taylor. Miles’ eerste grote kwintet was niet meer. De band werd een jaar later wel herenigd als sextet met saxofonist Julian ‘Cannonball’ Adderley erbij en nam het klassieke Milestones op. Maar Miles was, zoals altijd, alweer verder aan het kijken.

Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

vrijdag 1 juli 2005

Wederopbouw Irak is een fata morgana

“Is het de opoffering waard? Het is het waard.” Zalvende woorden sprak de Amerikaanse president Bush dinsdag. Zijn onderdanen hebben elke fiducie in de wederopbouw van Irak verloren. Het geweld heeft de omvang van een burgeroorlog en los van op zichzelf staande succesjes staat de wederopbouw zo goed als stil.

De gemiddelde inwoner van Bagdad merkt weinig van de wederopbouw. Stroomuitvallen van enkele uren achtereen zijn alledaags. In een stad waar het ’s zomers 50 graden Celcius kan worden en airco’s van levensbelang zijn, is dat een grote bron van ergernis. Om het nog zacht uit te drukken. Tel daar nog eens een allesbehalve optimaal functionerende waterleiding bij op. Een torenhoge werkloosheid en de onveiligheid trekken een wissel op de levenskwaliteit.

Achteruitgang
President Bush beloofde dat het nieuwe Irak een welvarend land met een hoge levensstandaard voor alle inwoners zou worden. Maar het gros van de Irakezen vindt dat ze er sinds de val van Saddam Hussein alleen maar op achteruit zijn gegaan. Die onvrede kan ook worden gestaafd met cijfers; volgens het VN-Wereldvoedselprogramma is 27 procent van alle kinderen onder de vijf jaar ondervoed. Negentig procent van de Iraakse steden heeft geen behoorlijke riolering. Een derde van de Irakezen heeft geen beschikking over schoon drinkwater.

Maar als we de officiële cijfers mogen geloven, wordt er aan de weg getimmerd om de Iraakse infrastructuur weer op te bouwen. Sinds 2003 heeft USAID (United States Agency for International Development) ruim vijf miljard dollar uitgegeven aan de wederopbouw van Irak. Wekelijks publiceert USAID een update van de wederopbouwactiviteiten, waarin trots kond wordt gedaan van de prestaties.

In onder meer Kirkuk en Bagdad worden elektriciteitscentrales gebouwd. Er wordt meer elektriciteit gegenereerd dan in de tijd van Saddam. In Karbala wordt een waterzuiveringsinstallatie aangelegd. De olieproductie zit met 2,17 miljoen vaten per dag bijna op vooroorlogs niveau (2,5 miljoen). De van oudsher gecentraliseerde economie wordt hervormd tot een marktmodel. Er wordt samengewerkt met gemeenschappen om hun behoeften te inventariseren. Ruim een half miljoen kinderen krijgen spullen voor school of andere lesprogramma’s. Duizenden politieagenten en militairen worden opgeleid.

Gegoochel met cijfers
Bij de cijfers van USAID kunnen echter vraagtekens geplaatst worden. “Het is een cijferspel”, zei Reinoud Leenders, Midden-Oostenanalist van de denktank International Crisis Group (ICG) en auteur van een kritisch rapport over de wederopbouw, in januari tegen de Arabische zender al-Jazeera.

Leenders berekende dat van de 18,4 miljard dollar die het Amerikaanse Congres vrijmaakte voor de wederopbouw, slechts 1,5 miljard is uitgegeven. Veertig procent daarvan is bovendien gespendeerd door buitenlandse organisaties aan beveiliging. Uiteindelijk is slechts 900 miljoen dollar daadwerkelijk aan wederopbouwprojecten besteed, schat Leenders.

Corruptie
De wederopbouw wordt tevens geplaagd door corruptie. Vorige maand constateerde Stuart Bowen, bijzonder inspecteur-generaal voor de wederopbouw van Irak, dat honderd miljoen dollar is verdwenen, waarschijnlijk in de zakken van corrupte functionarissen.

De ICG publiceerde vorig jaar een uiterst kritisch rapport over de wederopbouw. De Coalition Provisional Authority (CPA), het voormalige Amerikaanse bestuur, maakte ‘schokkende fouten’. Het ontbrak aan planning, de behoeften van burgers werden genegeerd, gelden werden te traag geïnvesteerd, de focus lag te veel op lange-termijnprojecten in plaats van nijpende, urgente problemen die het dagelijkse leven bemoeilijkten.

Geweld is obstakel
Een belangrijk obstakel voor de wederopbouw is het geweld. Opstandelingen gebruiken wederopbouwprojecten als doelwit voor aanslagen en sabotage. Werknemers – al dan niet buitenlands - zijn prooien van opstandelingen voor ontvoeringen en moorden. De VS moeten daardoor meer geld uitgeven aan bewaking (eind 2004 ging 22 procent van alle aanbestede contracten naar bodyguards). Of projecten worden algeheel afgeblazen.

Maar het excuus dat de onveiligheid de wederopbouw ondermijnt is slechts ten dele waar, vinden critici. “Er zijn veel delen van het land die relatief veilig zijn”, zegt Isam al-Khajafi, directeur van Iraq Revenue Watch, een divisie van het Open Society Institute, dat zich inzet voor democratisch en transparant bestuur.

Voor een groot deel wordt de woede en frustratie van Irakezen veroorzaakt door het gevoel dat ze worden uitgesloten van wederopbouwprojecten, menen critici. Weinig contracten werden toegekend aan Iraakse bedrijven. Het Open Society Institute rapporteerde in september 2004 dat slechts twee procent van de 1,5 miljard dollar aan contracten die werden betaald met olieopbrengsten, naar Iraakse bedrijven ging.

Bovendien hebben Irakezen het gevoel dat buitenlandse ondernemingen liever buitenlanders in dienst nemen. Officieel werken er tachtigduizend Irakezen aan wederopbouwprojecten; de beroepsbevolking telt 6,7 miljoen Irakezen. Maar naar schatting zijn er twintigduizend buitenlandse werknemers in Irak (IPS). Niettemin komt de onvrede onder de Irakezen de veiligheidssituatie niet ten goede, waarschuwt het Open Society Institute.

De voortgang van de wederopbouw verloopt dus allerminst vlekkeloos. Maar welke dingen gaan eigenlijk wel goed?

In veel gebieden wel succes
Mariwan Kani, journalist en Irakees, constateert dat in de meeste delen van Irak de wederopbouw redelijk goed verloopt. “In het Koerdische deel in Noord-Irak worden huizen, ziekenhuizen, scholen, universiteiten en hotels gebouwd. Dat verloopt goed”, zegt Kani tegen Planet.nl. “In Zuid-Irak verloopt het redelijk. Mensen hebben meer geld dan in de jaren negentig, jongeren kunnen weer plannen maken, bijvoorbeeld om te trouwen. De steden zijn schoner. Ik hoorde van een vriend dat ze Nasiriyah gingen schoonmaken. Een paar dagen later kwam hij daar, hij had het nog nooit zo schoon gezien.”

De problemen concentreren zich volgens Kani vooral in de soennitische gebieden, met name in sommige wijken in Bagdad en steden als Mosul en Ramadi. De (media-)aandacht gaat te veel uit naar de aanslagen, vindt Kani. “Het gaat niet uitstekend, maar de aandacht voor de aanslagen overschaduwt de aandacht voor de andere ontwikkelingen. Er gebeurt veel meer in Irak. Er wordt weer muziek gemaakt, er worden weer boeken uitgegeven, er wordt weer gesport.”

Irak-deskundige Pim van Harten is het echter grondig met Kani oneens. Op macro-economisch niveau verkeert de wederopbouw in een impasse, werpt hij tegen.

“Het geweld heeft de wederopbouw volledig van de agenda geblazen. Er ligt heel veel stil,” zegt Van Harten. “Het offensief in Fallujah [april 2004 – red.] begon omdat er een paar Amerikaanse contractors gelyncht werden. Dat kon toen nog, dat je een paar Amerikanen een stad in stuurt voor de wederopbouw. Dat kan nu echt niet meer.”

Verder constateert Van Harten dat de door de Amerikanen ingezette liberalisering van de economie, waarbij staatsfabrieken werden afgestoten, hebben geleid tot een enorme werkloosheid. De CIA schat de werkloosheid op 25 à 30 procent, maar de Universiteit van Bagdad zelfs op 70 procent. Volgens Van Harten is geld geen probleem. “Geld is er genoeg, er moet alleen een manier gevonden worden om het te besteden.”

Lokale successen
Op lokaal niveau worden wel succesjes geboekt. “Wat betreft de aanleg van scholen en wegen zijn er veel lokale verschillen”, aldus Van Harten. “Dat komt doordat de verhoudingen tussen de provincies en Bagdad zijn veranderd. Vroeger werd alles centraal geregeld. Tegenwoordig kunnen provincies zelf onderhandelen. Toen de Amerikanen nog formeel de macht hadden konden gouverneurs met hen wel eens wat ritselen.”

“De succesverhalen zijn lokale verhalen, en die hebben een tijdelijk karakter”, vervolgt Van Harten. “De interim-regering werkt aan een nieuwe Iraakse grondwet, en ze zijn er nog niet uit of het een federale staat gaat worden.” Het is dus mogelijk dat de huidige autonomie van de provincies op termijn weer ingeperkt wordt.

Middenstand bloeit
Middenstanders maken een bloeiperiode door. “Kleine middenstanders doorstaan altijd alle oorlogen”, zegt Van Harten. “Je ziet nu een boom van kleine middenstanders. De consumentenmarkt groeit. Uit Koeweit worden koelkasten geïmporteerd, tv’s uit Dubai.”

Op de nationale economie heeft het echter weinig effect. “Grote bedrijven hebben behoefte aan stabiliteit.”

Het zal veel vergen om de neerwaartse spiraal om te buigen en de belofte van een welvarend, vreedzaam land waar te maken. Maar dat is ook niet verwonderlijk in een land dat decennia lang is uitgemergeld door oorlog, sancties en tirannie. En om Bush’ vraag te beantwoorden of het de opoffering waard is: de VS hebben geen keuze. Zonder de Amerikaanse militaire aanwezigheid is het einde helemaal zoek. Maar de VS hebben in beginsel de morele plicht Irak op te bouwen. Daartoe verplichtten de VS zich met de invasie. Oud-minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell waarschuwde Bush al een half jaar voor de oorlog: “U wordt de trotse eigenaar van 25 miljoen mensen. U bezit al hun hoop, aspiraties en problemen. U bezit het allemaal.”


Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.

woensdag 15 juni 2005

Bossa nova: puur natuur


Ipanema, Rio de Janeiro, 22 december 2004. De zomer is begonnen, maar daar is niets van te merken. De regen stort uit de donkere hemel. Een kluitje surfers pakken als verzopen katten hun boeltje. Dit lijkt niet op het Ipanema dat wereldberoemd werd door de bossa nova-hit The Girl from Ipanema van Stan Getz, João en Astrud Gilberto en Antônio Carlos Jobim.

Lees ook:



  • Antônio Carlos Jobim: elke noot een juweel
  • Interview: Sérgio Mendes: sambajazz
  • Interview: Marcos Valle, bossa nova avonturier
  • 14 Braziliaanse platen die je gehoord moet hebben


  • Toch was het in dit welgestelde stadsdeel van Rio dat componist/pianist/gitarist ‘Tom’ Jobim midden jaren ’50 de bossa nova uitvond. Geïnspireerd door de cool jazz van Miles Davis, Chet Baker, Gerry Mulligan en Barney Kessel, alsmede Franse impressionistische en romantische componisten als Claude Debussy en Fryderyk Chopin, verfijnde Jobim de samba tot de bossa nova. Het is wat te kort door de bocht om Jobim alle krediet te geven voor het uitvinden van de bossa nova; ook singer/songwriter/gitarist João Gilberto, pianist/songwriter Newton Mendonça, dichter Vinícius de Moraes, zanger Carlos Lyra, gitarist/arrangeur Roberto Menescal en gitarist/songwriterBaden Powell ook genoemd moeten worden als medegrondleggers en pioniers.

    Nieuwe stijl
    De bossa nova (dat ‘nieuwe golf’ of ‘nieuwe stijl’ betekent) is ritmisch complexer en subtieler dan de samba, en qua harmonie en melodie rijker. In plaats van het traditionele binaire sambaritme, kenmerkt bossa nova zich door een diversere syncopatie. De standaard ritmesectie van drums en bas werd aangevuld met syncoperend getokkel op de akoestische gitaar. De melodie, harmonie en het ritme werden op een dynamischer wijze geïntegreerd dan in de samba. De zang is ingetogener dan in de samba. Het geluid van bossa nova is onderkoeld en gecontroleerd, maar tegelijkertijd warm en intiem. “Isso é Bossa Nova, isso é muito natural” (“Dat is Bossa Nova, het is zeer natuurlijk”), is een zin uit Jobims Desafinado.



    Overigens zijn er meerdere theorieën over het begin van bossa nova. Zo wordt de oorsprong al in de jaren ’40 gelegd, toen de ‘samba canção’ een rage was. Muzikanten als pianist en zanger Johnny Alf vermengden de samba met jazz. Ook zangers als Dick Farney en Billy Blanco, die sterk beïnvloed waren door Amerikaanse crooners als Frank Sinatra, Bing Crosby en Nat King Cole, kunnen gezien worden als voorlopers van bossa nova.

    Over wat de eerste echte bossa nova plaat is, lopen de meningen uiteen. Velen zien het album Canção de Amor Demais van Elizeth Cardoso uit 1958 als het begin. Hierop zingt Cardoso Chega de Saudade van Jobim en Vinícius de Moraes. De gitarist die haar begeleidt is niemand minder dan João Gilberto, toen nog onbekend. Overigens schreef Jobim de ritmische vernieuwing van de bossa nova – het gebruik van de gitaar als ritme-instrument – toe aan Gilberto.

    Waarschijnlijker is dat het album Desafinado van Jobim en Newton Mendonça uit 1957 het eerste is, simpelweg omdat de plaat enkele maanden eerder verscheen dan Canção de Amor Demais en bovendien in de tekst van het titelnummer het genre voor het eerst een naam krijgt (de al eerder geciteerde regel “Isso é Bossa Nova, isso é muito natural”). En last but not least is Chega de Saudade mede geschreven door Jobim. De doorbraak van bossa nova naar het grote publiek kwam in 1959, toen João Gilberto met groot succes enkele nummers van Jobim opnam voor zijn debuutalbum Chega de Saudade.

    Rijk en hip
    Eind jaren ’50 viel de Braziliaanse jeugd uit vooral de sociale midden- en bovenklasse als een blok voor de subtiele ritmes en zachte melodieën van de bossa nova. Waar de samba muziek van de straat en uit de favela’s (sloppenwijken) was en handelde over de zware van leven in armoede, hing om bossa nova de sfeer van een hip en onbezorgd leven aan het zonnige strand van het rijke Ipanema.
    De gevestigde sambaorde vond de nieuwe stijl maar niks; bossa nova zou een slap aftreksel van de samba zijn. Sommige critici, zoals de puristische Braziliaanse muziekresearcher José Ramos Tinhorão, gingen zelfs zo ver als te zeggen dat bossa nova de Braziliaanse muziektraditie van de samba verkwanselde en de platte Amerikaanse cultuur verheerlijkte. Vooral de hedonistische teksten – tegenover de uit het leven gegrepen sambateksten – vielen niet in goede aarde.

    Internationale doorbraak
    Het duurde niet lang voordat de bossa nova de landsgrenzen zou overschrijden. In 1959 componeerden Jobim en Luis Bonfa de soundtrack voor de Braziliaanse film Black Orpheus (Orfeu Negro). De film – waarin de Griekse mythe wordt verplaatst naar Rio - wordt een internationaal succes en wint een Gouden Palm in Cannes, plus een Oscar en een Golden Globe voor de beste buitenlandse film. De soundtrack, die de film domineert, wordt eveneens een millionseller en maakt van Jobim en Bonfa supersterren.



    De Amerikaanse jazzscene spitste zijn oren. Eind jaren ’50 en begin jaren ‘60 keerden Amerikaanse muzikanten laaiend enthousiast terug uit Brazilië. In het kader van president John F. Kennedy’s Good Neighbours-programma maakte gitarist Charlie Byrd in 1961 met het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken een reis naar Brazilië, alwaar hij in aanraking kwam met de bossa nova en verliefd werd. Eenmaal terug was Byrd vastbesloten een bossa nova-plaat op te nemen. Naar verluidt speelde Byrd voor jazzsaxofonist Stan Getz enkele maten bossa nova, en draaide hij een paar tapes met muziek van Gilberto en Jobim. Getz werd direct gegrepen, en regelde met producer Creed Taylor dat hij een plaat kon opnemen met Byrd.

    Aldus geschiedde. In februari 1962 doken Byrd en Getz de studio in om in een luttele drie uur het album Jazz Samba op te nemen. Het nummer Desafinado werd een hit. Een maand na de opnamesessie kwam Jazz Samba op nummer 1 van de albumhitlijst, wat ongekend was voor een jazzplaat. Bossa nova sloeg in als een bom in de Amerikaanse jazzscene. In de maanden na de release van Jazz Samba gingen ook de saxofonisten Sonny Rollins, Zoot Sims, Coleman Hawkins, dwarsfluitist Herbie Mann, Kenny Dorham en Cal Tjader aan de haal met de exotische, bedwelmende nieuwe muziekstijl.

    Een historisch concert van Jobim, Gilberto en andere Braziliaanse topmuzikanten in Carnegie Hall in november 1962 consolideerde de internationale opkomst van de bossa nova. De prestigieuze concertzaal was uitverkocht en in het publiek bevinden zich niemand minder dan Peggy Lee, Miles Davis en Dizzy Gillespie. De muzikanten mochten op bezoek bij Jackie Kennedy in het Witte Huis. Sommigen sloten platencontracten af in New York.

    Getz boerde goed met de bossa nova, en dus liet hij de grondleggers Jobim en Gilberto overkomen naar New York voor een vervolg op Jazz Samba. Op 18 en 19 maart 1963 doken Getz, Gilberto, Jobim, bassist Tommy Williams (uit Getz’ band) en drummer Milton Banana (favoriet van Jobim) de A&R Studios in voor de opnames van wat een historisch album zou worden: Getz/Gilberto.

    The Girl from Ipanema
    Het album bevatte de hit die de wereldwijde doorbraak van bossa nova bewerkstelligde en voorgoed het gezicht van de stroming zou gaan bepalen: The Girl from Ipanema. De single betekende tevens het begin van de zangcarrière van Astrud Gilberto, de toenmalige echtgenote van João. Over de toedracht van haar cameo bestaat verwarring. Volgens Astrud zelf had João haar bij Getz aangedragen. Maar volgens Getz wilden João en Jobim niet dat Astrud op de plaat zou zingen, omdat ze maar een huisvrouw was en geen professionele zangeres. Getz erkende dat Astrud soms nogal vals zong, maar vond dat ze mooi klonk als ze in het Engels zong. Goed genoeg voor op de plaat. Daar kwam bij dat Astrud de enige was die het Engels beheerste. En Getz’ vrouw Monica voorzag de hitpotentie van Astruds zang. Ze kreeg gelijk. In een mum van tijd werd Getz/Gilberto goud. De National Academy of Recording Arts en Sciences hebben het album een plaats gegeven in de Hall of Fame.



    Midden jaren ’60 is bossa nova overal. Volgens Astrud Gilberto was het de juiste muziek op het juiste tijdstip. “Ik ben geen socioloog, maar het was een tijd dat mensen in de Verenigde Staten afgeleid wilden worden van hun zorgen. Er was een gevoel van ontevredenheid – misschien een hint van de oorlog die eraan zat te komen – en mensen hadden behoefte aan romantiek, iets dromerigs, als afleiding.”

    Verval
    Maar zoals het gaat met hypes, zet op een gegeven moment het verval in. Door de hausse aan artiesten en vooral platenbazen die een graantje van het succes wilden meepikken, was bossa nova verwaterd tot een lege formule en zelfs kauwgomballenpop. Het publiek verloor zijn interesse.
    Maar ook de tijden veranderden. De jeugd begon zich tegen de gevestigde orde te verzetten. De protestgeneratie diende zich aan. Niet verwonderlijk had dit in Brazilië een grote maatschappelijke impact. In 1964 was door een coup een militaire junta aan de macht gekomen die de bevolking onderdrukte. Dat had ook gevolgen voor de Braziliaanse muziek. Protestmuzikanten wisten een grote achterban te genereren. De zorgeloze bossa nova raakte achterhaald. Jonge muzikanten als Caetano Veloso en Gilberto Gil begonnen onder invloed van The Beatles te experimenteren met rock en vonden een nieuw genre uit: de tropicalia.

    Dat wil echter niet zeggen dat de bossa nova dood was. Een tweede bossa nova-generatie begon de stijl te hervormen, door maatschappijkritische teksten te schrijven of door het exotische jazzelement te vervangen door Braziliaanse inheemse en volksmuziek.

    De ontwikkelingen reden echter João Gilberto en Antônio Carlos Jobim niet in de wielen. Gilberto bleef ijzersterke platen maken, en Jobim bleef bossa nova verder ontwikkelen. In de jaren ’60 maakte hij platen voor diverse labels, waaronder CTI (het jazzlabel van Creed Taylor), Verve, maar ook grote platenmaatschappijen als Warner Bros. en MCA. Jobim verweef de bossa nova steeds meer met jazz en klassiek (ook door zijn samenwerking met arrengeur en dirigent Claus Ogerman). Tegelijk componeerde Jobim ook soundtracks voor films en tv-series in Brazilië. Gilberto en Jobim bleven graag geziene gasten in de jazzwereld, en ze speelden regelmatig op prestigieuze festivals als Montreux. Jongere Braziliaanse artiesten als Veloso noemden Gilberto als hun belangrijkste invloed.

    Nieuwe lichting
    De liefde voor bossa nova in de jazz ebde nooit weg. Met regelmaat duikt de bossa nova weer op platen op. Maar ook in bredere zin komt de bossa nova van tijd tot tijd in de herwaardering. Internationale artiesten als David Byrne, Sting en George Michael bliezen de oude bossa nova-krakers nieuw leven in op Red Hot + Rio (1996). In 2000 had Bebel Gilberto (de dochter van João Gilberto) veel succes met haar album Tanto Tempo, dat haar twee nominaties voor de Latin Grammy voor beste nieuwe artiest opleverde. Gilberto weet bossa nova te mengen met moderne stijlen als dance, zonder dat de ziel uit de muziek wordt gehaald. Op die manier blijft bossa nova ook voor een nieuwe generatie interessant. Dat geldt ook voor Maria Rita (dochter van de legendarische Braziliaanse zangeres Elis Regina) en producer Nicola Conte, uit wiens koker vaak interessante talenten komen, zoals zangeres Rosalia de Souza. Nieuwe bossa nova maar in meer traditionele vorm komt van Rosa Passos, een zangeres die zich heeft toegewijd aan Braziliaanse muziek in haar puurste vorm.



    Stilistisch heeft bossa nova al veertig jaar geen revolutie meer meegemaakt, en dat zit er ook niet meer in. Maar bijna een halve eeuw na zijn uitvinding heeft bossa nova nog niets van zijn aantrekkingskracht, schoonheid en magie verloren.



    Kopstukken
    Antônio Carlos Jobim
    Antônio Carlos Jobim (bijgenaamd Tom) zou eigenlijk architect worden, maar vond in plaats daarvan de bossa nova uit en ging de geschiedenis in als een van de godfathers van de Braziliaanse muziek. Het was Jobim die Garota de Ipanema (The Girl from Ipanema) schreef samen met dichter Vinícius de Moraes. Maar Jobim componeerde nog vele andere bossa nova standards: Águas de Março, Águas de Beber, Ela é Carioca, Corcovado, Desafinado en Só Danço Samba. Jobim was sterk beïnvloed door jazz en klassiek, en vooral zijn latere platen zijn orkestrale meesterwerken (Urubu, Stone Flower). Jobim overleed in 1994, maar wie met het vliegtuig landt in Rio, zal aangenaam verrast worden door het feit dat de internationale luchthaven is vernoemd naar ‘Tom’.

    João Gilberto
    João Gilberto was vanaf het eerste uur bij bossa nova betrokken en heeft het genre mede heeft gedefinieerd en grootgemaakt. De zeer invloedrijke zanger en gitarist geniet in Brazilië de eerbiedige bijnaam O Mito, wat zoveel betekent als de Legende. Dit ondanks zijn reputatie moeilijk in de omgang te zijn. In tegenstelling tot de ambitieuze muziek van Jobim, is de bossa nova van Gilberto tamelijk puur, en bestaat uit gitaar en zang. Zijn neuriënde en fluisterende zangstijl werkt zeer bedwelmend rustgevend. Gilberto leidt de laatste jaren een teruggetrokken leven. Zijn muzikale erfenis leeft voort in vrijwel elke Braziliaanse artiest, onder wie zijn dochter Bebel Gilberto.

    Astrud Gilberto
    Astrud Gilberto’s carrière begon bij toeval toen ze werd gevraagd de Engelse tekst van The Girl from Ipanema op het album Getz/Gilberto van saxofonist Stan Getz en haar toenmalige echtgenoot João Gilberto te zingen. De single werd een wereldhit en Astrud werd een belangrijk figuur binnen de Braziliaanse muziek. Hoewel Astrud Gilberto technisch geen sterke zangeres is, is haar naïeve stemgeluid zeer karakteristiek.

    Stan Getz
    Saxofonist Stan Getz heeft één van de meest karakteristieke geluiden van de jazz; hij is direct herkenbaar, ook voor niet-kenners. Zijn mellow sound leende zich uitstekend voor de bossa nova. Getz is medeverantwoordelijk voor de internationale doorbraak van bossa nova door zijn samenwerking met João en Astrud Gilberto en Antônio Carlos Jobim, waaruit de wereldhit The Girl from Ipanema voortkwam. Gedurende zijn loopbaan bleef zijn liefde voor de bossa nova een vaste constante in Getz’ werk.

    Bebel Gilberto
    De dochter van João Gilberto (maar niet van Astrud) en Miúcha (ook een belangrijk figuur in de bossa nova), tevens nichtje van Chico Buarque. Bebel debuteerde al op 7-jarige leeftijd op een plaat van haar moeder. Op haar 9e stond ze met moeder en Stan Getz op het podium van Carnegie Hall. Haar debuutalbum Tanto Tempo (2000) kreeg twee nominaties voor de Latin Grammy voor beste nieuwe artiest. In 2004 volgde en titelloos album. Bebel houdt de bossa nova fris door moderne genres erin te verwerken, zonder de oorsprong en de ziel uit het oog te verliezen.

    Andere belangrijke namen:
    Roberto Menescal
    Carlos Lyra
    Baden Powell
    Milton Banana
    Sérgio Mendes
    Chico Buarque

    Essential listening
    Stan Getz & João Gilberto featuring Antônio Carlos Jobim: Getz/Gilberto (Verve, 1963)
    Het album waarmee bossa nova internationaal doorbrak, door de single The Girl from Ipanema. Ook de overige nummers op het album zijn stuk voor stuk standards geworden, zoals Corcovado, So Danço Samba en O Grande Amor. Ook Desafinado, de hit van Getz’ eerdere bossa nova album Jazz Samba, krijgt een herbewerking. Ruim veertig jaar later is Getz/Gilberto nog steeds een van de beste bossa nova albums, en is de muziek nog altijd fris.

    Antônio Carlos Jobim: Stone Flower / Urubu / A Arte de Tom Jobim
    Eind jaren ’60 was de bossa nova over zijn hoogtepunt heen. Maar Jobim was nog niet uitgekeken op zijn uitvinding, en bleef de bossa nova verder ontwikkelen. Jobim nam de bossa nova als basis nam voor flirts met klassiek en jazz. Het resultaat zijn prachtige, ruimtelijke en smaakvol georkestreerde albums, waarvan Stone Flower (1970) en Urubu (1976) de hoogtepunten zijn. Op het jazzy Stone Flower werkte Jobim werkte samen met de crème van de jazz: Eumir Deodato, Ron Carter, Airto Moreira, Urbie Green, Joe Sample. Carter keert terug op het meer op klassiek georiënteerde Urubu, dat door Claus Ogerman werd gearrangeerd. De verzamelaar A Arte de Tom Jobim biedt een goed overzicht van het oeuvre van deze grootmeester.

    Antônio Carlos Jobim & Elis Regina: Elis & Tom
    In 1974 sloten twee Braziliaanse muzikale zwaargewichten de handen ineen voor het eenvoudig getitelde Elis & Tom. Het album bevat enkele bossa nova’s, maar is grotendeels emotioneel geladen en biedt een kijkje in de getroebleerde ziel van Elis Regina (één van de grootste zangeressen van Brazilië stierf een voortijdige dood door drank en drugs). Jobim doorspekt de muziek spaarzaam met orkestrale elementen, maar het geheel blijft kleinschalig. Een klassieker.

    João Gilberto: João Gilberto
    Toen bossa nova een uitgemolken formule was geworden, bleef João Gilberto trouw aan de muziek die hij mede had uitgevonden. De bossa nova die hij speelde was dan ook puur. Het titelloze album uit 1973 is bossa nova in zijn naakte essentie: het ritme en de melodie komen uit zijn gitaar. De muziek steekt verbluffend ingenieus in elkaar. Gilberto’s zang bestaat meestal uit niet meer dan geneurie, dat uiteindelijk een Zenachtig effect heeft. Bedwelmend.

    Bebel Gilberto: Tanto Tempo
    Bebel Gilberto’s debuutalbum (hoewel ze eigenlijk debuteerde met een titelloze EP uit 1986) kreeg twee nominaties voor de Latin Grammy voor beste nieuwe artiest. Tanto Tempo is grotendeels akoestisch, maar Bebel past ook dance-elementen toe. Tanto Tempo is het bewijs dat bossa nova ook in de 21e eeuw nog uitstekend kan meekomen.

    Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.

    maandag 25 april 2005

    De macht van Beatrix

    “De koningin is niet iemand om tegen te spreken”, sprak oud-minister Luns ooit. En dus kan de koningin wel degelijk invloed hebben op het regeringsbeleid. Al weet niemand hoe ver die macht reikt. In deel 1 van de XL-special over 25 jaar koningin Beatrix: het Geheim van Noordeinde.

    De koningin is lid van de regering, maar het zijn de ministers die verantwoording afleggen aan het parlement. Wel benoemt de koningin de bewindslieden. Verder houdt de vorstin goed bij wat er in het kabinet speelt. Maar hoe groot haar invloed is op het beleid, is giswerk en verdeelt deskundigen.

    Jan Willem Brouwer, historicus parlementaire geschiedenis van de Radboud Universiteit Nijmegen, stelt dat de invloed van koningin Beatrix op het regeringsbeleid klein is.

    Invloed hangt af van premier
    “Sinds de grondwetswijziging van 1983 is ze wel lid van de regering, maar ze heeft geen echte macht”, zegt Brouwer. “Premier Kok citeerde in 2000 Walter Bagehot [Britse econoom en journalist uit de 19e eeuw en schrijver van The English Constitution (1867) over de rol van de koning en het parlement – red.]: de koningin heeft het recht om geraadpleegd te worden, het recht aan te moedigen en het recht te waarschuwen. Ik denk dat er in regering wel veel naar haar geluisterd wordt, als onafhankelijk persoon en gezien haar positie. Maar dat is ook afhankelijk van haar verstandhouding met de premier en ministers.”

    Zo had Dries van Agt (minister-president van 1977 tot 1982) een moeizame relatie met koningin Beatrix. Zijn partijgenoot Ruud Lubbers (premier van 1982 tot 1994) had echter een zeer nauwe band met de koningin. Ook PvdA-premier Wim Kok (1994-2002) had een goede verstandhouding met Beatrix. De relatie tussen de vorstin en de huidige premier Jan Peter Balkenende is daarentegen ‘niet optimaal’, zegt Fred J. Lammers, koningshuisdeskundige en auteur van ruim zeventig boeken over de Oranjes.

    “Balkenende heeft diep respect voor Beatrix en zal wel toegeven aan haar gezag”, schat Lammers in. “Beatrix vindt Balkenende niet zo flink, ze heeft weinig respect voor hem.” De koningin viel de premier bijvoorbeeld publiekelijk af over de Oranjesatires.

    Vaste prik is het bezoek dat de minister-president elke maandagmiddag aan de vorstin brengt om de resultaten van de laatste ministerraad te bespreken. Die bezoeken zijn volgens Lammers ‘zeker geen formaliteit’. Maar volgens Brouwer is de mening van de koningin niet doorslaggevend in de besluitvorming van het kabinet. Peter Rehwinkel, oud-PvdA-Kamerlid (portefeuille koningshuis), burgemeester van Naarden en van huis uit staatsrechtgeleerde, stelt dat de koningin van het kabinet ‘zeker wel eens nul op het rekest’ krijgt.

    Inderdaad, de Volkskrant berichtte zaterdag dat premier Kok in 1995 tegenhield dat koningin Beatrix haar excuses aanbood aan Indonesië voor de mensenrechtenschendingen door Nederlandse militairen tijdens de politionele acties in 1949 en 1950 (Kok ontkende het bericht overigens). Ook D66-leider Jan Terlouw, die vice-premier was in het tweede kabinet-Van Agt (1981-1982), beaamt dat de vorstin geen vrij spel heeft. “Ze heeft geen invloed. Ze is wel geïnteresseerd. De koningin heeft weinig macht, dat wordt vaak overdreven.”

    Krachtig persoon
    Maar Terlouw erkent dat Beatrix een ‘krachtig persoon’ is. Diezelfde woorden gebruikt Lammers ook. Hij wijst op de gedegen voorbereiding, deskundigheid en ervaring van de vorstin, die haar gezag en daarmee invloed verschaffen (volgens kenners wekt Beatrix’ intellect ook in het buitenland ontzag). Het kabinet zal zeker naar de koningin luisteren, maar kunnen van haar wensen afwijken. Liesbeth Spies, Tweede Kamerlid voor het CDA, wijst erop dat ministers luisteren naar iedereen die hen van advies kan dienen en ‘daarin speelt de koningin wellicht ook een rol’. Maar ze heeft geen indicaties dat ‘besluiten door de koningin onmogelijk zijn gemaakt’.

    Historicus en koningshuisdeskundige Jan Kikkert is een andere mening toegedaan. Hij refereert aan een anekdote die Lubbers ooit vertelde over het vaste maandagmiddagbezoek aan de koningin. “De koningin zei dan: ‘dit kan niet’. De vrijdag erop zei Lubbers in de ministerraad: ‘ik heb er nog eens over nagedacht, maar ik heb het besluit gewijzigd’. En wel naar het inzicht van de koningin.” Kikkert citeert bovendien oud-minister Joseph Luns: “De koningin is niet iemand om tegen te spreken.”

    Grenzen grondwet verkennen
    Kikkert stelt dat de invloed van koningin Beatrix in het kabinet ‘groter is dan wordt aangenomen’. “Toen Hare Majesteit haar eredoctoraat ontving, zei ze in haar toespraak dat haar eerste ministers haar meer vrijheid hadden gegeven dan gebruikelijk is volgens de regels van de grondwet.” Kikkert geeft toe dat de grondwet geen harde grens trekt, ‘maar ze is die grenzen wel voortdurend aan het verkennen’.

    Kikkert spreekt van ‘Beatrixisme’; de koningin en de premier regeren samen. Daarbij krijgt de koningin haar kennis van haar adviseurs en de premier van zijn ministers en topambtenaren. “Maar de adviseurs van de Majesteit worden door niemand gecontroleerd.”

    Volgens Paul Cliteur, rechtsgeleerde van de Universiteit Leiden en lid van het Republikeins Genootschap dat de monarchie wil afschaffen, is de politieke invloed van het koningshuis groot. Hij wijst bijvoorbeeld op het lidmaatschap van prinses Máxima van de Commissie Participatie van Vrouwen uit Etnische Minderheidsgroep (PaVEM). “Ze zit daar niet alleen voor de show.”

    Kikkert stelt dat de koningin zeker invloed uitoefent via diverse commissies en ook benoemingen van burgemeesters, of liever gezegd het uitsluiten van personen ‘die ze niet kan pruimen’. Een bekend voorbeeld is dat koningin Beatrix in 1996 naar verluidt zich persoonlijk heeft bemoeid met de overplaatsing van de Nederlandse ambassadeur Röell in Zuid-Afrika, omdat hij een buitenechtelijke relatie had.

    Formatie
    De koningin oefent sowieso invloed uit op kabinetsformaties. Ze mag informateurs en formateurs benoemen, maar ze moet daarbij wel rekening houden met de verkiezingsuitslag en haar adviseurs.

    Volgens Terlouw speelt koningin Beatrix een actieve rol bij formaties en heeft ze daarbij een eigen mening. Ze koos in 1981 De Gaay Fortman als informateur terwijl de partijen andere kandidaten naar voren hadden geschoven. De koningin zal naar eigen inzicht personen afwijzen, maar geen partijen, aldus Terlouw. Inderdaad, in 1994 koos koningin Beatrix de PvdA’er Kok als formateur, terwijl informateur Herman Tjeenk Willink iemand uit VVD-kring aanraadde. De liberalen boekten tenslotte een winst van acht zetels en de PvdA verloor twaalf zetels.

    Beperkte ruimte
    Aan de bevoegdheid van de koningin om (in)formateurs aan te wijzen is in het verleden gemorreld. In 1971 dienden de Tweede Kamerleden Van Tijn (PvdA), Goudsmit (D66) en Aarden (PPR) een motie in die de aanwijzing van de formateur aan de Tweede Kamer wilde overlaten. Het CDA en de VVD stemden het voorstel weg en de bevoegdheid bleef bij de vorstin.

    De koningin kan dus invloed uitoefenen, toch is haar beweegruimte beperkt. “Beatrix wil geen heibel rondom de troon, omdat dit haar positie nog verder kan uithollen”, zegt Brouwer.

    Als voorbeeld voor de beperkte beweegruimte van het staatshoofd wijst Brouwer op de controverse rondom de 5 mei-toespraak van Beatrix uit 1995. “Dat was een multiculti-toespraak over tolerantie. De VVD zag dat als een belediging voor zijn leider Bolkestein, die bezig was integratie op de agenda te zetten. “De VVD stuurde bij partijbijeenkomsten traditioneel een felicitatietelegram naar de koningin. Ze hebben toen overwogen om als straf dat telegram niet te versturen.”

    In de jaren ’90 en rond de millenniumwisseling leefde de discussie over de macht van de koningin met regelmaat op. In 1996 werd het Republikeins Genootschap opgericht. In 2000 stelde D66-leider Thom de Graaf voor om de rol van het staatshoofd fors te reduceren volgens het Zweedse model; daarin is de koningin geen lid van de regering en heeft louter een ceremoniële taak. Toenmalig premier Kok onderzocht het voorstel maar uiteindelijk bleef alles bij het oude. CDA-Kamerlid Spies vindt de huidige situatie prima geregeld; als er iets mis gaat met de monarchie, kan de minister-president ter verantwoording geroepen worden.

    De discussie over de monarchie is de laatste jaren op de achtergrond geraakt. Actief republicanisme geniet weinig aanhang. Het koningshuis lijkt zelfs steeds populairder te worden, signaleert Brouwer. Hij wijst op het huwelijk van kroonprins Willem-Alexander en prinses Máxima in 2002.

    Terlouw wijst erop dat de meerderheid van de Nederlandse bevolking nog altijd voorstander van het koningshuis is. Inderdaad, uit een enquête dat Interview NSS in opdracht van de Telegraaf uitvoerde, bleek zaterdag nog dat bijna zestig procent van de ondervraagden voorstander van de monarchie was. Slechts een kwart was republikein.

    Maar de politieke rol van de vorst(in) zal in de toekomst wel afnemen om vervangen te worden door een ceremoniële functie, voorziet Terlouw. Volgens Spies is dat ook afhankelijk van de manier waarop kroonprins Willem-Alexander zijn functie gaat invullen. Lammers wijst daarnaast op ontwikkelingen binnen de Europese Unie, waar koningshuizen verder gemarginaliseerd zullen worden. Hij gaat zelfs een stapje verder; Lammers betwijfelt of prinses Amalia nog koningin zal worden.

    Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.

    vrijdag 8 april 2005

    Rampenbestrijding raakt uit de mode

    In New York gebeurde het, in Madrid gebeurde het: een terreuraanslag. In een vijfdelige serie verplaatst Planet.nl dit rampscenario naar Nederland. Plaats van verhandeling: Utrecht Centraal. In deel 5 van deze special: terwijl de overheid aan de weg timmert met terreurbestrijding, dreigt rampenbeheersing een ondergeschoven kindje te worden, waarschuwen deskundigen.

    De terreurwetgeving is in Nederland flink aangescherpt. Zo zijn onder meer de bevoegdheden opsporingsinstanties uitgebreid. Edwin Bakker, terrorismedeskundige van het instituut Clingendael, is tevreden over de maatregelen die de regering heeft genomen. Die zijn volgens Bakker toereikend, soms zelfs ‘overdone’, zoals de meldingsplicht voor terreurverdachten en het strafbaar stellen van het verheerlijken van de Jihad. Uiteindelijk hindert dat juist de terreurbestrijding, vreest Bakker. “Dat leidt tot situaties waarin veiligheidsdiensten er weer een taak bij krijgen waarvoor ze heel veel capaciteit kwijt zijn.” Uiteindelijk hindert dat juist weer de terreurbestrijding, waarschuwt Bakker.

    De opsporingsdiensten hebben voldoende bevoegdheden en budget, aldus Bakker. Ook de capaciteit wordt verbeterd. Wel constateert Bakker dat er wrijvingen zijn tussen de AIVD en de politie. “Er moet echt wat gedaan worden aan de stereotypen die men van elkaar heeft. De AIVD moet niet alleen maar een ‘stofzuiger’ zijn die heel veel informatie bij de politie weghaalt en er niets voor teruggeeft. Bij de politie ontstaat dan op een gegeven moment de woede dat ze niet op de hoogte zijn gebracht. Bij de AIVD bestaat het beeld dat de politie niet altijd even zorgvuldig omgaat met informatie, en dat men elkaar in de weg loopt bij allerlei operaties.”

    De situatie verbetert wel. “Er is in het afgelopen jaar heel veel verbetering aangebracht door allerlei structuren. Men is elkaar veel meer gaan opzoeken door gebeurtenissen als Madrid en de Hofstadgroep. Ik ben wel positief over de ontwikkelingen maar dat kan nog een stuk beter.”

    Grote aanslagen
    Ondanks de nieuwe terreurmaatregelen wist de AIVD de moord op Theo van Gogh niet te voorkomen. Een grote aanslag heeft nog niet plaatsgevonden. Dat roept de vraag op of de overheid niet te veel inzet op terrorisme van Madrid-formaat en te weinig op kleinschalige acties als de moord op Van Gogh. Bakker vindt van niet.

    “Het zijn toch de grote aanslagen die we in eerste instantie willen voorkomen. Dat vind ik nog steeds belangrijk beleid. We moeten oppassen dat we terrorisme niet gaan zien als Mohammed B.-achtige acties. Dat moet je wel in de gaten houden en alles aan doen, maar je moet ook de professionele grotere netwerken in de gaten houden. Maar dan kan het gebeuren dat je opeens dit krijgt, dat er opeens zo’n iemand tussendoor fietst.”

    Aandacht rampenbestrijding verslapt
    De vuurwerkramp in Enschede en de cafébrand in Volendam schudden Nederland wakker. De rampenbestrijding bleek vaak slecht te zijn en moest ingrijpend hervormd en verbeterd worden. Een paar jaar en enkele terroristische aanslagen later is de aandacht voor crisisbestrijding alweer verslapt, klagen deskundigen.

    “Je hebt last van terreur”, klaagt Raymond van Mourik, secretaris van de Raad van RGF’en (Regionaal Geneeskundige Functionarissen). “ We vestigen er vol aandacht op, dat gaat ten koste van de brede rampenbestrijding. Wij proberen met de politie mee te liften. Maar bij de AIVD komen er 120 man bij en die krijgen wij dus niet.”

    De politiek kijkt niet verder ‘dan de eigen dagelijkse praktijk’, constateert Ben Ale, hoogleraar rampenbestrijding aan de TU Delft en onderzoeker van het kennis- en opleidingsinstituut voor rampenbestrijding NIBRA. “Rampen zijn er niet zo veel, gelukkig. Iedereen verzeilt vrij gemakkelijk in zijn dagelijkse besognes. De aandacht voor rampenbestrijding vasthouden is moeilijk omdat er niet zo veel rampen zijn. In dat opzicht is het bijna contraproductief; hoe beter we zijn in het voorkomen van rampen, hoe minder mensen denken dat het ergens goed voor is. ‘Er gebeurt toch niks, dus waarom doe je al die moeite?’”

    Budget ontoereikend
    Het gevolg is dat het budget voor rampenbestrijding ontoereikend is. “Er is erg weinig geld voor onderzoek, opleidingen. Het heeft de grootst mogelijke moeite gekost om een klein budget te regelen voor het NIBRA en de TU Delft. En dan praat je nog over verwaarloosbare bedragen in vergelijking met wat een ramp kost. Als per jaar één miljoen aan onderzoek wordt uitgegeven, en één ramp kost vijfhonderd miljoen of een miljard, dan denk je: ‘ach, het is toch allemaal weinig’.” De gemeenten denken nog minstens tweehonderd miljoen euro van het Rijk nodig te hebben om de veiligheidsregio’s op poten te zetten.

    Een ander punt van Ales kritiek is dat de regering geen eenduidig beleid uitstraalt. “Aan de ene kant willen ze het ministerie van Veiligheid als een soort centraal ding. Aan de andere kant wordt de rampenbestrijding en allerlei andere diensten zo veel mogelijk aan de gemeenten overgelaten. Dan maak je een spagaat en het is niet duidelijk wat je eigenlijk wil.”

    Rampenbestrijding kan goed overgelaten worden aan gemeenten, omdat zij de lokale situatie beter kennen dan de landelijke overheid, stelt Ale. Hij oppert wel om de structuur van de rampenbestrijding – met name de gefragmenteerde medische hulpverlening – centraal te regelen. Maar ook dat zou lokaal geregeld kunt worden, aldus Ale. Inmiddels is de vorming van 25 veiligheidsregio’s, die de samenwerking van besturen en hulpverleningsdiensten moet verbeteren, in gang.

    Ministerie van Veiligheid
    Evenals Ale voelt bestuurskundige Gerard van Staalduinen weinig voor een ministerie van Bestuur en Veiligheid, zoals onlangs door vijf burgemeesters werd voorgesteld naar analogie van het Amerikaanse Department of Homeland Security. Die gaat dan over zowel terrorisme- als rampenbestrijding, maar ook voedselkwaliteit.

    “Wat moet een ministerie van Veiligheid dan gaan regelen? Waar hebben we het dan over? Als je veiligheid uit elkaar gaat rafelen, is het heel complex. Brandveiligheid, veiligheid dijken, verkeersveiligheid, consumentenveiligheid”, zegt Van Staalduinen. “Hoe gaat het ministerie van Veiligheid dat doen? Alles op één hoop gooien?”

    Investeren in controle
    Van Staalduinen vindt investeren in rampenbestrijding alleen niet genoeg. “Je moet ook investeren in zaken als controlehandhaving, betere vergunningen. Al die professoren die van te voren kunnen vertellen hoe het allemaal bedacht is, dat is natuurlijk een grote valkuil. Men moet ook nog even voor zorgen dat het ook gedaan wordt.”

    De boodschap is helder: rampenbestrijding vereist permanente zorg. Het is verleidelijk om de aandacht te laten verslappen als er niets gebeurt. Maar dat krijgen de politiek overheden dubbel op hun brood als er straks wel een ramp plaatsvindt. Het is tragisch als vele doden ons wakker moeten schudden.


    Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl.

    maandag 4 april 2005

    Nederland bestrijdt terreuraanval op papier

    In New York gebeurde het, in Madrid gebeurde het: een terreuraanslag. In een vijfdelige serie verplaatst Planet.nl dit rampscenario naar Nederland. Plaats van verhandeling: Utrecht Centraal. In deel 1 van deze special een (gewetens)vraag: hoe goed zijn we voorbereid?

    Het Centraal Station van Utrecht zou een ideaal doelwit voor terroristen zijn; grote slachtofferaantallen en een totale ontwrichting van het openbaar vervoer. Als knooppunt van spoorwegen kan een verstoring van het treinverkeer niet alleen voor Utrecht, maar voor het hele land, enorme gevolgen hebben. Duizenden mensen reizen immers dagelijks met de trein.

    Bovendien is de beveiliging niet optimaal, want hoe moeilijk is het om een tasje met springstof mee in de trein te nemen?

    Rampenbestrijdingsplan
    Wat kan Nederland doen om zich voor zulk onheil te behoeden? Wat betreft alertheid op een aanslag, baseert de politie zich op informatie van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). De gemeente Utrecht houdt wel degelijk rekening met een terroristische aanslag en voor het Stationsgebied werd in december nog een nieuw rampenbestrijdingsplan vastgesteld.

    Echter, van een verhoogde bewaking van het station is nu geen sprake; aanwijzingen voor een concrete dreiging zijn er namelijk niet. Ook heeft een mogelijke ramp veroorzaakt door terroristen op dit moment geen prioriteit in Utrecht. Andere calamiteiten, zoals een incident met een lekkende chloortrein, krijgen meer aandacht omdat deze in het verleden al eens hebben plaatsgevonden.

    In de praktijk
    De vraag dringt zich op in hoeverre de plannen in de praktijk ook wel goed werken. Het rampenbestrijdingsplan voor het Stationsgebied is nog relatief nieuw en momenteel is de provincie nog bezig met de toetsing ervan. In de praktijk is het plan nog niet geoefend, wel bestaat er een theoretische toetsing.

    Volgens nationale richtlijnen actualiseren de gemeenten in Nederland jaarlijks het rampenbestrijdingsplan. Tegelijkertijd vindt er dan een soort oefening plaats. Eelko van den Boogaard van de Projectgroep Stationsgebied van de gemeente Utrecht: “Dat is geen oefening waarbij je Hoog Catherijne helemaal gaat afsluiten. Je loopt eens met de betrokken partijen door het gebied en analyseert een aantal scenario’s. Dan wordt het script goed bekeken.”

    Volgens Van de Boogaard brengt zo’n ‘oefening’, die in Utrecht twee keer wordt gehouden, een aantal nuttige zaken met zich mee. Bovenal fungeert het echter als ontmoetingsplek voor de verschillende diensten. “Wat heel belangrijk is, is dat mensen elkaar leren kennen en ook weten: wanneer heb ik wie nodig? Dan hoef je ook niet al je energie te steken in allerlei ingewikkelde dingen buiten.”

    “Met bestuurders oefenen wij vrij vaak”, legt Kees Molders, beleidsmedewerker Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente Utrecht, uit. “De burgemeester moet het beleidsteam, dat de rampbestrijding coördineert, [bestaande uit de burgemeester, de gemeentesecretaris, een ambtenaar rampenbestrijding, een voorlichter, een Regionaal Geneeskundig Functionaris, de districtschef van de politie, de commandant van de brandweer en soms de Officier van Justitie – red.] voorzitten. Er wordt dan gekeken naar wat er in het rampenplan voor het Stationsgebied staat. Hoe het werkt, of iedereen zijn rol kent, en of iedereen wel de goede lijntjes uitzet.”

    In de toekomst wil de gemeente met de hulpdiensten een grote ontruimingsoefening houden in het Stationsgebied. Begin deze maand hebben alle medewerkers van de gemeente en hulpdiensten al een basiscursus gekregen over de taakverdeling bij een grote ramp, vertelt Molders.

    Daarnaast worden leidinggevenden van de hulpdiensten sinds kort in Zweden en Groot-Brittannië getraind, waar speciale terreinen zijn waar, aan de hand van verschillende scenario’s, realistisch geoefend kan worden.

    Grote operaties te kostbaar
    Echt grote operationele oefeningen komen weinig voor in de gemeente. “Die zijn zo ingewikkeld qua voorbereiding en duur, dat je die maar eens in de zoveel tijd houdt”, vertelt Molders. “De laatste grote oefening die we hebben gehad was de oefening op de Lekbrug.” Bij deze oefening in oktober 2001 werd gesimuleerd hoe tientallen auto’s op elkaar waren geknald en in brand vlogen.

    Bestuursdeskundige Gerard van Staalduinen heeft twijfels over complexe operaties, zoals Bonfire, de landelijke oefening die woensdag in Amsterdam wordt gehouden. “Dat is een parade, maar geen oefening. Alles is ingestudeerd. Dan heb je vaak het probleem dat er te veel eenheden ‘op elkaar zijn gestapeld’. Als dan één eenheid wat verkeerd doet, staan de anderen stil.”

    Geen geld
    Uit gesprekken met de gemeente Utrecht kan opgemaakt worden dat de wil voor een verbetering van de rampenbestrijding er wel is, maar dat de uitvoering ervan stukloopt. Een tekort aan financiële middelen ligt daaraan ten grondslag. Ben Ale, hoogleraar Veiligheid en Rampenbestrijding van de TU Delft en het kennisinstituut NIBRA, beaamt dat. “Enerzijds wordt er geëist dat het beter moet, maar er wordt geen geld voor uitgetrokken”, zegt Ben Ale, hoogleraar Veiligheid en Rampenbestrijding van de TU Delft en het kennisinstituut NIBRA.

    Het gebrek aan geld voor rampenoefeningen is een veelgehoorde klacht van gemeenten. Volgens Molders heeft burgemeester Annie Brouwer – tevens voorzitter van de Veiligheidskoepel en de Commissie-Brouwer die namens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de overheid over de organisatie van rampenbestrijding adviseert – vaak genoeg bij Den Haag aangeklopt voor meer geld voor oefenen (en rampenbestrijding in het algemeen), maar vergeefs. Ook mensen uit het veld en rampenbestrijdingsdeskundigen verwijten het Rijk te weinig geld uit te trekken voor oefeningen.

    Woordvoerder Frank van Beers van het ministerie van Binnenlandse Zaken werpt tegen dat het de verantwoordelijkheid van de gemeenten zelf is om geld vrij te maken voor rampenoefeningen. “Als gemeenten rampenoefeningen belangrijk vinden, moeten ze hun prioriteiten stellen en daar geld voor vrijmaken.”

    Van Beers wijst er bovendien op dat het kabinet in het ‘Beleidsplan Crisisbeheersing 2003-2007’ 4,5 miljoen euro per jaar heeft vrijgemaakt voor rampenoefeningen. Gemeenten die een oefening willen houden, kunnen een aanvraag met begroting indienen bij het ministerie, die deze vervolgens keurt. Ter vergelijking: de Bonfire-oefening in de ArenA op 6 april kost één miljoen euro.

    Afweging
    Gemeenten moeten uiteindelijk ook een afweging maken tussen het redden van zoveel mogelijk slachtoffers en hoeveel geld ze daaraan willen besteden.

    “We hebben geen rampenziekenhuizen. Dat moet allemaal betaald worden. En wie betaalt dat? In onze maatschappij hebben we al die extra voorzieningen nu niet nodig”, zegt Van Staalduinen. “Utrecht kan heel veel brandweerauto’s erbij kopen, maar die staan de hele dag niets te doen.”

    Hetzelfde zegt de gemeente Utrecht. “Wij kunnen best op elke straathoek een ambulance neerzetten, maar dat willen we helemaal niet betalen met z’n allen”, zegt Molders. “Dan neem je dus een bepaald risico. Niet dat als je dat geld wel beschikbaar stelt, ieder risico kan afdekken en dat niemand ooit meer dood gaat.”

    Het rampenbestrijdingsplan voor het Stationsgebied in Utrecht is vooralsnog een tekentafeldocument. Dat zal het ook blijven als de overheid niet meer geld beschikbaar stelt voor oefeningen. Aan de andere kant zijn oefeningen ook niet alles. Cynisch gesteld is de enige echte toets van het plan een ramp.


    Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl. Co-auteur Stephanie Engel.

    donderdag 24 maart 2005

    D66 heeft toch nog bestaansrecht

    Nu de stokpaardjes van D66 zijn weggevallen, dringt de vraag zich op of de partij nog bestaansrecht heeft. Partijleden en politicologen menen van wel.

    Bestuurlijke vernieuwing was traditioneel een van de belangrijkste programmapunten van D66. Toen CDA en VVD in 2003 de partij nodig hadden om een meerderheidskabinet te kunnen vormen, waren voor de Democraten toezeggingen over de gekozen burgemeester en vernieuwing van het kiesstelsel voorwaarden voor deelname. Nu een streep door die rekening is gezet, lijken de pijlers onder de partij te zijn weggeslagen.

    Die stelling gaat te ver, menen zowel D66-leden als politicologen. Philip van Praag, politicoloog van de Universiteit van Amsterdam (UvA), vindt niet dat er sprake is van een existentiële crisis. Wel constateert hij dat er een interne crisis speelt in de partij. “Er is een sluimerende verdeeldheid. Een deel van de achterban vindt dat de rechtvaardiging voor deelname aan het kabinet is weggevallen. Hans van Mierlo en Jan Terlouw zinspeelden daar al op. Een ander deel van de partij wil wel in de coalitie blijven. Dus daar ontstaat een conflict. Maar de partij zal zich niet opheffen.”

    Ook andere redenen voor kabinetsdeelname
    Ook historicus en D66-lid Menno van der Land, auteur van het boek ‘Tussen ideaal en illusie’ over de geschiedenis van zijn partij, meent dat zijn partij nog niet in een existentiële crisis is beland. “D66 zit voor meer in het kabinet dan alleen staatskundige vernieuwing.” Hij wijst op onderwijs en investeringen in de kenniseconomie als andere belangrijke punten op de D66-agenda.

    Flauw
    Van der Land vindt het ‘flauw’ dat bij elke tegenslag voor D66 de vraag wordt gesteld of de partij nog wel bestaansrecht heeft. “Ook andere partijen hebben soms met tegenslagen te kampen, maar daarbij wordt die vraag nooit gesteld. D66 staat voor veel meer dan alleen staatskundige vernieuwing. Kijk naar de geschiedenis: toen Jan Terlouw nog partijleider was [van 1973 tot 1982 – red.], stond staatskundige vernieuwing niet zo hoog op het verlanglijstje van D66. Andere onderwerpen als milieu stonden daar veel hoger op. En de laatste tijd heeft ook de D66-fractie in de Tweede Kamer zich op andere punten geprofileerd, zoals het Europese referendum en vrijheid van meningsuiting.”

    Simplistische beeldvorming
    Partijgenoot en oud-fractievoorzitter Gerrit Jan Wolffensperger hekelt ook de simplistische beeldvorming rond D66. “Voor de buitenwereld zitten we vastgespijkerd aan het uithangbord van bestuurlijke vernieuwing, maar er zijn ook andere redenen waarom we in dit kabinet zijn gestapt. Dat was ook zodat D66 een progressieve bijdrage kon leveren aan een conservatief kabinet.”

    Wolffensperger heeft er een hard hoofd in dat D66 deze nuancering aan de kiezer kan overbrengen. Hij vindt het dan ook logisch als D66 uit het kabinet stapt. “Er zijn weinig andere mogelijkheden. Het is niet aan de kiezer uit te leggen waarom we blijven.”

    Profiel verwaterd
    Van Praag stelt dat D66 zelf zijn profiel heeft laten verwateren. “Onder Terlouw stond D66 voor veel meer onderwerpen, bijvoorbeeld technologische ontwikkeling en onderwijs. Dat is de laatste jaren verwaterd. D66-minister van Economische Zaken Laurens Jan Brinkhorst, die zich zou moeten inzetten voor die technologische ontwikkeling, doet daar weinig aan.”

    Wolffensperger vindt het een ‘intrigerende vraag’ wat er met D66 zal gebeuren als de partij uit het kabinet stapt en er nieuwe verkiezingen worden uitgeschreven. “Het wordt dan uiterst lastig. D66 heeft zich vervreemd van de andere progressieve partijen. Ze moet zich gaan beraden op de manier waarop ze zich profileert in de verkiezingen. Dan zou een coalitie met de PvdA een reële optie zijn.”

    D66 doet het al jaren slecht in de verkiezingen. Naar verwachting zal die tendens zich voortzetten. Of de huidige crisis daar nog invloed op heeft, betwijfelt politicoloog Rudy Andeweg van de Universiteit Leiden. “Electoraal verandert er weinig voor D66. Burgers waren al niet geïnteresseerd in staatskundige vernieuwing, dus die stemden al niet op de partij.”

    Volgens Wolffensperger ‘zou het kunnen’ dat D66 in de obscuriteit raakt. Daar ligt hij echter niet wakker van. “Ik heb wel eens gezegd: we moeten trots zijn op wat we als D66 tot stand hebben gebracht, en niet te veel inzitten over de toekomst. We hebben wel grote politieke vernieuwingen tot stand gebracht, zoals Paars en we hebben grote issues als milieu op de agenda gezet. Daar moeten we trots op zijn. Maar ik kan niet garanderen dat D66 over tien jaar nog bestaat. Ik zal er geen traan om laten.”


    Dit artikel verscheen eerder op Planet.nl