Er was succes. Er was ruzie. Maar alles is weer koek en ei bij de Black Crowes.
‘Geen idee’, antwoordt zanger Chris Robinson door de telefoon vanuit Californië als hem gevraagd wordt wat de Black Crowes woensdag in de Heineken Music Hall gaan spelen. ‘We hebben zoveel nummers. We zijn geen greatest hits-band. We herhalen geen dingen. We leven in het moment. Dus ik weet nog niet wat we gaan spelen tot kort voor het optreden’, aldus de bebaarde zanger. ‘Waarschijnlijk wordt het een mix van onze eerste platen, persoonlijke favorieten, nieuw materiaal en improvisaties. Als we ergens optreden waar we niet zo vaak spelen, doen we de nummers die mensen graag willen horen. In Amerika zijn we voortdurend on the road en wil men nieuw materiaal. En we zijn vorig jaar nog in Amsterdam geweest.’
Niet dat Robinson het vervelend vindt om zijn oude hits steeds weer af te moeten draaien. ‘De oude nummers worden nooit uitgekauwd, want een goede song verandert met je mee. Als je meer levenservaring opdoet, krijgen die nummers een nieuwe betekenis. Je hebt relaties gehad, hebt vrienden en geliefden verloren, hebt kinderen gekregen, nieuwe vrienden gemaakt, mooie tijden beleefd. De fans ook.’ Eigen plan
De bluesrock waarmee de Black Crowes in 1990 debuteerden klonk totaal anders dan de andere muziek in die tijd. Het album Shake Your Money Maker met de singles Hard to Handle (cover van Otis Redding) en She Talks to Angels werden hits. Met de volgende albums bleef de band zijn muzikale grenzen verleggen. Bovendien bouwden de Crowes, die op het podium graag een paar uur jammen, een sterke live-reputatie op. Maar het commerciële succes van hun debuut evenaarde de band nooit meer, met als gevolg dat Columbia de band in 1999 aan de kant zette.
‘Wij hebben altijd ons eigen plan getrokken. Wat niet zonder slag of stoot ging, als ik eerlijk ben. Wij moesten ook tegen het systeem vechten. De grap is dat nadat we ons eigen label zijn begonnen, we de beste verkoopcijfers hebben sinds begin jaren negentig.’ Ruzie
Dan waren er nog de vele ruzies, vooral tussen de broertjes Chris en Rich Robinson. Maar ook met de andere bandleden was het een komen en gaan als bij een afhaalchinees. Wat was er aan de hand?
‘Heb je broers of zussen? Maken jullie wel eens ruzie? Maar je doet vast geen zaken met ze? Muzikanten zijn erg gevoelige mensen. Mensen veranderen in het leven. Het leven verandert. Iedereen gaat zich anders voelen. Vooral in de competitieve aard van broers. Er zijn ego’s, geld, enz. We hebben tijden gekend van groot succes, problemen, conflicten, drugs. Tijdens de eerste tien jaar van de Black Crowes leefden we met z’n allen in een soort duikboot, dus vroeg of laat krijg je last van hutkoorts.’
Volgens Robinson is de band nu weer ‘extreem stabiel’. Spijt van alle strubbelingen heeft hij niet. ‘Je kunt geen spijt hebben. Alles komt terug in de muziek, goed of slecht. Er is geen tijd voor spijt. Het is wat het is.’ Roots
De Black Crowes hebben net het dubbelalbum en dvd Warpaint Live uitgebracht, zoals de titel al verraadt een live-versie van hun album Warpaint uit 2008. In september ligt er een nieuw dubbel studio-album in de winkel. ‘Op Before the Frost, Until the Freeze graven we nog dieper in onze roots: bluegrass en country-blues. Je hoort veel viool, banjo, mandoline. Dat zijn de roots van echte rock ‘n roll.’
Het zal Robinson een worst wezen of mensen de Crowes een retroband vinden. ‘Daar houd ik me helemaal niet mee bezig. Ik heb al twintig jaar een succesvolle carrière, dus ik begrijp niet wat ze bedoelen. Het zal me inmiddels een zorg wezen. Als mensen dat denken, hebben ze nooit naar onze muziek geluisterd.’
VS vragen Iran mee te praten over Afghanistan. ‘Ze hebben Iran nodig.’
Vriendjes worden met Iran; is Barack Obama gek geworden? Welnee, de nieuwe Amerikaanse president doet er goed aan om Teheran de hand te reiken. Want het fundamentalistische regime staat op omvallen en de VS hebben Iran nodig, stelt de Amerikaanse militaire geostrateeg Thomas P.M. Barnett.
Washington heeft de dreigende taal richting Teheran vervangen door vriendelijke nieuwjaarswensen. Al reageerde Iran wantrouwend op de verzoeningsvideo van Obama vorige week, de toenadering zal komende dinsdag in Den Haag voortgezet worden, verwacht Barnett. Iran heeft de uitnodiging van minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton aanvaard en komt op de grote Afghanistan-conferentie meepraten over de toekomst van Afghanistan.
Rechtzetten ‘Iran is belangrijk voor duurzame stabiliteit in Irak en Afghanistan’, betoogt Barnett. ‘De regering-Bush betrok de regio niet bij de kwestie. Obama wil die fout nu rechtzetten. De detente zal niet groots zijn, maar een langzaam proces vol tegenslagen. Je moet denken aan de toenadering van Nixon tot China.’
Steen des aanstoots in de gespannen relatie van Iran met het Westen is het atoomprogramma. Barnett vindt het ‘niet onlogisch’ dat Iran een atoombom wil. Veel landen in de regio hebben er een; Barnett wijst op Israël. ‘Iran wil een atoombom, omdat het wil worden geschrapt van de Amerikaanse lijst met terreurlanden die in aanmerking komen voor een Amerikaanse invasie en verandering van regime.’
Barnett verdenkt Iran niet van kwade bedoelingen met zijn atoomprogramma. ‘Denk je echt dat Iran nucleaire technologie aan Hezbollah zal geven, zodat Hezbollah Israël in brand kan steken, waarna Israël Iran in lichterlaaie zal zetten?’
Militaire actie, waarmee oud-president Bush dreigde, zou de detente ruw verstoren, stelt Barnett. ‘Het volk moet zelf in opstand komen en de gang van zaken bepalen, en niet Amerika. Want dan zijn wij de Grote Duivel en kan het regime onze dreiging gebruiken om zijn eigen bestaan te rechtvaardigen. Je wilt niet 75 miljoen mensen tegen je in het harnas jagen. Als je naar Iran gaat en de mensen spreekt, blijken ze allemaal van het Westen te houden, maar niet van hun eigen leiders. Waarom zou je je enige troef verspelen?’
Rabiate retoriek De rabiate retoriek van de Iraanse president Mahmoud Ahmedinejad betekent volgens Barnett niet dat Iran gevaarlijker is, maar juist dat zijn dagen geteld zijn. ‘De revolutie is mislukt. Als de revolutie zich krampachtig probeert te herstellen, weet je dat het einde nabij is.’
Verandering hangt in de lucht, bespeurt Barnett. ‘Ik heb de indruk dat in Iran hetzelfde staat te gebeuren als in de Sovjet-Unie. Er komt binnen tien tot twintig jaar een Gorbatsjov-achtige perestrojka in Iran. Zeventig procent van de bevolking is onder de dertig. Deze jongeren herinneren zich niet de revolutie van 1979 of de oorlog met Irak maar de jaren negentig, toen er meer vrijheid was. En nu worden ze onderdrukt.’
‘Bovendien schept het regime geen economische kansen, de volksgezondheid is slecht, het geboortecijfer daalt dramatisch, de braindrain is enorm. Allemaal signalen dat het regime niet gezond is’, stelt de geostrateeg. ‘In Iran heb je de conservatieven van het eerste uur, en de technocratische conservatieven van het Gorbatsjov-type. De technocratische conservatieven, plus de gematigden, plus de hervormingsgezinden zijn een veel grotere groep dan de hardliners.’
Wat doe je als band als je muziekgeschiedenis hebt geschreven en je inmiddels de pensioensgerechtigde leeftijd hebt behaald? Dan leun je lekker achterover en kom je alleen je stoel uit als het jou uitkomt. En zo is het minitoertje van Booker T. & The MG’s door Nederland, hun enige optredens in Europa, meteen een vakantie. De bandleden vlogen op eigen gelegenheid naar Amsterdam, dus gitarist Steve Cropper en bassist Donald ‘Duck’ Dunn zien elkaar voor het eerst in de lobby van hun hotel.
‘Jij was hier gisteren al? Ik ben vanmorgen aangekomen’, zegt Cropper. Dunn heeft zijn vrouw meegenomen. Hun vakantie begon slecht. ‘Er was een probleem met de boarding passes, waardoor we tijdens de vlucht niet bij elkaar zaten. Mijn vrouw was woedend.’
Bijna vijftig jaar zijn Booker T. & The MG’s al bij elkaar. Ze begonnen begin jaren zestig als studiomuzikanten bij Stax in Memphis, het toonaangevende soullabel van grootheden als Otis Redding en Isaac Hayes. Hun handelsmerk: de groove. Alles staat ten dienste van de groove. Bij toeval werden Booker T. & The MG’s zelf sterren, als ze in 1962 in verloren studio-uurtjes Green Onions in elkaar sleutelen, wat een grote hit werd en tot op de dag van vandaag nog wel eens opduikt in tv-reclames. Booker T. & The MG’s werd een van de hotste sessiebands.
Een halve eeuw later zijn ze elkaar nog niet zat. Cropper: ‘Dat komt doordat we elkaar ook niet zo vaak zien. We hebben allemaal onze eigen projecten waarmee we bezig zijn. Booker zit bijvoorbeeld nu in Londen om een plaat (Potato Hole) te promoten die hij met Neil Young en de Drive-By Truckers heeft opgenomen. En Donald en ik hebben een meegespeeld op een album van Guy Sebastian, de winnaar van Australian Idol.’
Dunn: ‘Ik denk dat als we een half jaar lang met elkaar opgescheept zitten in een toerbus, we elkaar de hersenen wel zullen inslaan!’
Maar wat is dan de chemie waardoor Booker T. & The MG’s al zo lang samen spelen?
Cropper: ‘We hebben precies dezelfde muzieksmaak. Duck en ik zijn al vrienden sinds de basisschool en hielden altijd van rhythm & blues, vanwege de groove en niet zozeer de melodie. Vandaar ook het minimalistische geluid van onze muziek. Ik hou ook van jazz en klassiek, maar ik zou het nooit spelen. Daar moet je veel voor oefenen. Maar misschien ben ik wel gewoon lui.’
Toch zijn jullie begin jaren zeventig uit elkaar gegaan.
Cropper: ‘Dat zegt iedereen, maar we hebben gewoon een tijdje geen platen samen opgenomen. We hadden het druk met onze eigen dingen.
Daarnaast hadden we problemen met het management van Stax. We waren inmiddels veelgevraagde sessiemuzikanten, maar Stax beperkte ons in onze carrièrekansen. Booker moest bijvoorbeeld Simon & Garfunkel laten schieten en ik Frank Sinatra Jr. Plus er waren geschillen over de rechten. Dus Booker vertrok en daarna ik.
Maar soms speelden we nog wel samen, bijvoorbeeld in de Blues Brothers Band. We maken vaak de grap dat Booker en ik al vijftig keer gescheiden en hertrouwd zijn. Het is trouwens wel vaker voorgekomen dat we incompleet waren. In de jaren zestig is Booker er een paar jaar tussenuit geweest om te studeren. Isaac Hayes speelde dan vaak toetsen. Er zijn ook wel Booker T. & The MG’s platen met Isaac in plaats van Booker. Bootlegs dan. Zelfs wij horen niet of het Booker of Isaac is.’
Dunn: ‘Ik weet nog wel dat we ergens moesten optreden, en de zaal wilde per se Booker T. & The MG’s. Maar in plaats van Booker hadden we Isaac meegenomen. Niemand had het in het begin door, maar tijdens het derde nummer riep een meisje opeens: 'hé, dat is Booker T. helemaal niet!' Isaac probeerde zich achter zijn orgel te verschuilen.’
Jullie hebben op heel wat historische platen meegespeeld, bijvoorbeeld Sittin’ on the Dock of the Bay van Otis Redding. Beseften jullie destijds de waarde van jullie muziek?
Cropper: ‘Nee, we wisten helemaal niet waarmee we bezig waren. We wisten niet eens of iets een hit zou worden. Soms dachten we dat iets een hit zou worden, en dat werd het niet. En omgekeerd. De oprichter van Stax, Jim Stewart, vond het nooit goed genoeg.’
Dunn: ‘Dan zat hij achter dat raam in de studio met een ongeïnteresseerde kop. Soms leek het net alsof hij lag te slapen van verveling.’
Cropper: ‘Maar met die benadering wist hij wel het beste uit ons te halen. Hij leerde je te vechten voor waar je in geloofde, en je idee steeds meer te perfectioneren. Maar man, wat was hij moeilijk. Ik weet nog dat we met pijn en moeite Knock on Wood hadden opgenomen met Eddie Floyd. ‘Cropper, dit is gewoon ruk’, zei Jim. Vervolgens bleef het negen maanden op de plank liggen. We hebben het uiteindelijk op onze eigen kosten uitgebracht. Wat denk je? Het werd een grote hit.’
Veel oude bands zijn futloze oldies acts. Jullie niet. Hoe houden jullie de muziek fris?
Cropper: ‘Wat we net al zeiden, doordat we elkaar niet zo vaak zien. En we zien het niet als werk. We doen alleen maar dingen die wel leuk vinden. Als ik thuis kom dan smijt ik mijn gitaar in de hoek en pak ik mijn golfclubs.’
Dunn: ‘Of vishengel.’
Een slaperige provinciestad van 72.000 zielen is Amersfoort nog als twee grootheden uit de jazz op 10 november 1963 komen spelen in bardancing In den Poortwal: tenorsaxofonisten Dexter Gordon en Rahsaan Roland Kirk. Twee totaal verschillende karakters: Gordon de veteraan van de bebop, pionier van de tenorsax, charmant, een dandy. Kirk een revolutionaire debutant, eigenzinnig, excentriek, soms op drie saxen en fluiten tegelijk spelend.
Ook in Amersfoort neergestreken is het televisiecircus van de AVRO. Regisseur Theo Ordeman (Open het Dorp) wist Gordon en Kirk te strikken tijdens een toer die de saxofonisten langs het Concertgebouw en het Kurhaus voerde. Het exclusieve optreden in de Poortwal was alleen voor genodigden, 'Dutch hipsters with cigarettes dangling from their lips'. Om de intieme sfeer van een jazzclub te creëren en vanwege de nabijheid van Hilversum, had Ordeman zijn oog laten vallen op de Poortwal, een van de eerste bardancings in de regio.
,,Maar tijdens de opnamen bleef er van de oorspronkelijke sfeer van de bardancing niet veel over", schreef een verslaggever van het Dagblad voor Amersfoort. ,,Immers de entourage werd voornamelijk bepaald door kwistig rondgeslingerde snoeren en kabels, rijdende camera's en op commando klappend publiek. Bovendien maakte de door de lampen teweeggebrachte hitte een verblijf niet bepaald aangenaam."
Dat vormde geen obstakel voor een daverend optreden. ,,De opnames zijn fantastisch en Dexter is in grote vorm daar in Amersfoort", oordeelt saxofonist Hans Dulfer, fan en vriend van Gordon. ,,Als ik de opnames terug zie, ben ik zeer onder de indruk van de muziek", zegt Daniel Humair, de Zwitserse drummer die Gordon en Kirk in de Poortwal begeleidde.
De opnames verliepen echter niet vlotjes. Kirk begon op het laatste moment moeilijk te doen. De opzet was dat Dexter Gordon eerst zou spelen en daarna Kirk. Maar Kirk wilde per se vóór Gordon spelen, 'anders zouden de begeleiders wel eens te moe kunnen zijn om hèm (beroemdheid) nog goed te steunen', aldus het Dagblad voor Amersfoort. Hij kreeg zijn zin, want Kirk speelde 's middags en Gordon 's avonds. Ook het interview dat Ordeman met Kirk zou doen verliep moeizaam. ,,Liefst veertig minuten duurden de opname hiervan. In die tijd kon Kirk slechts een luttel aantal zinnetjes zonder strekking uitspreken."
Gordon en Kirk speelden ondermeer jazzstandards als A Night in Tunesia en Bag's Groove. De optredens zijn verschenen in de dvd-serie Jazz Icons. Er zou ook een plaat van Dexter Gordon bestaan met een foto van de Poortwal op de hoes, maar die is onvindbaar.
Van oude glorie van de Poortwal is niets meer over. Muzikanten van het formaat van Gordon en Kirk zijn er nooit meer geweest, op de Britse bluesmuzikant John Mayall na. Eigenaren Ties en Greetje van Ramselaar, toen ook uitbaters van De Grote Slok, zijn al jaren dood. Het pand aan de Achter de Arnhemse Poortwal, waar als laatste café het Doktertje in zat, werd in 2001 gesloten.
In dit verlaten, vervallen pand zat ooit bardancing In den Poortwal.
Afgepeigerd is hij. Raphael Saadiq, Charlie Ray Wiggins voor zijn moeder, is net ingevlogen uit Parijs. Zijn bezoek aan Amsterdam is de laatste etappe in een korte maar drukke Europese promotietoer langs drie hoofdsteden (Londen, Parijs en Amsterdam). Half liggend op een bank in de bar van het American Hotel werkt Saadiq een biefstuk met aardappelpuree en spruitjes naar binnen. Hij is gehuld in afgewassen vrijetijdskleding. Zijn nieuwe imago, een strak gesneden maatpak en een bril die van hem een dubbelganger van Temptations-frontman David Ruffin maken, zit nog in zijn koffer.
Raphael Saadiqs derde soloalbum The Way I See It is een ode aan Motown. De sound wordt zo dicht benaderd dat het album bijna een pastiche is. Medewerking van percussionist Jack Ashford en arrangeur Paul Riser van de legendarische Motown-huisband The Funk Brothers, plus Stevie Wonder verhogen de authenticiteit. Maar elke keer dat je The Way I See It draait, wordt het steeds meer een typisch Raphael Saadiq album. Zijn handtekening zit in de details. The Way I See It is geen hippe gimmick, maar een groeialbum dat bij elke luisterbeurt meer prijsgeeft.
Hoe kwam je op het idee om een album te maken in de oude Motown-stijl?
“Ik werd op een ochtend wakker en ik had van die kleren aan, bij wijze van spreken. Ik viel er min of meer in. Ik wist niet wat er uit zou komen. Ik heb er eigenlijk niet zo bij stilgestaan. Tot nu, nu mensen me die vraag stellen. Ik heb daar niet echt een antwoord op. Het ging heel geleidelijk. Maar toen ik eenmaal bezig was met het album en Sure Hope You Mean It en Staying in Love ging opnemen, zat ik er inmiddels tot over mijn oren in. Uiteindelijk toen ik alles samenvoegde, sloot het goed op elkaar aan en was het echt een concept.”
Wat zo knap aan The Way I See It is dat je de Motown-sound perfect weet na te bootsen, terwijl het toch een typisch Raphael Saadiq album is. Was het moeilijk om je eigen identiteit te bewaren?
“Dat is inderdaad heel bizar. Ik begrijp er zelf niets van. Toen ik begon met muziek maken, was ik geen zanger maar een bassist. Mensen zeiden toen tegen me: je hebt een eigen geluid. Als je op de radio wordt gedraaid, horen we dat jij het bent, je hebt een herkenbare stem. Dus ik denk dat ik in de muziek pas met mijn eigen, duidelijk herkenbare stem. Ik gebruik mijn stem als een instrument, en ik laat de andere instrumenten mij begeleiden, om van mij een betere zanger te maken. Ik ben een crooner, dus ik plaats alles om me heen zo dat ik goed klink.”
Ik las ergens dat je The Way I See It het moeilijkste project uit je carrière vond. Waarom?
“Toen ik in die modus zat besefte ik pas hoe goed ik mijn best moest doen. Ik moest echt zíngen. Toen ik Sure Hope You Mean It zong probeerde ik me voor te stellen hoe David Ruffin een zin als ‘do you mean what you say’ gezongen zou hebben. (Zingt als David Ruffin:) do you meeeaaannn what you say... Begrijp je? Ik moest me in dat personage inleven. Je kunt het niet uit de losse pols doen. Dat was een uitdaging.”
Heb je er ook langer over gedaan om het album op te nemen?
“Een stuk langer. Zo’n 2,5 jaar. Normaal doe ik er een half jaar tot een jaar over.”
Hoe was het om samen te werken met oude Motown-legendes als Stevie Wonder, Jack Ashford en Paul Riser?
“Het was ongelofelijk. Het was alsof ik mijn eigen Motown-familie had, omdat ik drie veteranen samenbracht op één album. Volgens mij hebben ze al heel lang niet meer samen op één album gespeeld. Het was the icing on the cake. Het voelde alsof een keurmerk had gekregen, dat ik hun goedkeuring kan wegdragen. Want je moet met hen wel weten wat je wilt. Je moet ze iets te bieden hebben, anders komen ze niet. Je kunt ook niet een feest zonder drankjes geven. Dus je moet een goed nummer hebben.”
De CV van Raphael Saadiq is op z’n zachtst gezegd indrukwekkend. Als tiener speelde hij al bas bij Prince en Sheila E. Eind jaren tachtig vormde hij met zijn broer Dwayne en neef Timothy Christian de succesvolle R&B-band Tony! Toni! Toné! Midden jaren negentig ging Saadiq solo en stortte zich op een even vruchtbare carrière als producer. Hij werkte samen met o.a. D’Angelo (Untitled van het album Voodoo leverde D’Angelo een Grammy op), Erykah Badu, The Roots, Jill Scott, Macy Gray, Angie Stone, Mary J. Blige, Snoop Dogg, Whitney Houston en The Isley Brothers. Om maar even een paar te noemen. Saadiq was tevens de oprichter van het veelgeprezen gelegenheidsproject Lucy Pearl met Ali Shaheed Muhammed (A Tribe Called Quest) en Dawn Robinson (En Vogue). In 2002 kwam eindelijk Saadiqs solodebuut Instant Vintage uit, een smaakvol meesterwerk dat goed was voor vijf Grammy-nominaties. Je kunt stellen dat de 42-jarige Raphael Saadiq de architect van de neo soul is.
De bizarre werkelijkheid is echter dat bijna niemand hem kent. In Nederland althans. Is dat anders in Amerika?
“Niet zó onbekend, maar wel onder de radar. Toen ik nog in Tony! Toni! Toné! zat was ik bekender. Wat betreft mijn werk als producer, werk ik niet met veel mensen samen. Ik werk met kwaliteitsartiesten samen. En daar zitten niet veel mainstream popartiesten tussen. Want pas als je de grote artiesten produceert, krijg je naam en faam.”
Maar je hebt wel samengewerkt met o.a. John Legend.
“Ja en Joss Stone. Meer mensen benaderen me nu. Maar is een lange reis geweest om hier te komen. Het was ook moeilijk omdat ik eerst in een band zat, en toen solo ging werken als producer. Want mensen hebben liever dat je in een groep zit. Ik heb ervoor gekozen de tijd te nemen en de achterafstraatjes te nemen, waar ik lang kan branden. Op de hoofdstraat brand je snel op.”
Frustreert het je niet?
“Nee. Je hebt meer vrijheid. Je kunt uitgroeien tot iets kwalitatiefs. Als een soort exclusief paar schoenen dat iedereen wil hebben. Ik vind het prettig als mensen graag tegen anderen over me praten. Ik ben voor mensen dan meer een geschenk.”
Werk je alleen samen met artiesten die je goed vindt, of zie je ook wel eens iets door de vingers omdat het goed verdient?
“Dat heb ik wel eens geprobeerd, maar het werkt niet. Je moet met iemand samenwerken die bij je past. Dus dat probeer ik te doen.”
’s Avonds, na nog even een paar uurtjes onder de wol te zijn gekropen, gaf Saadiq een verpletterend optreden in Paradiso. Een strakke en zinderende soul revue. Met een hippe retrosoulplaat die al direct na de release flink wat buzz genereerde, lijkt de weg vrij voor de doorbraak die al veel te lang op zich heeft laten wachten.
Dit artikel verscheen eerder in popmagazine Heaven.
Sly Stone was eind jaren zestig een superster. Daarna verdween hij. Drie Nederlandse documentairemakers spoorden hem op.
Sly Stone was een icoon van de Woodstockgeneratie. Dance to the Music, Everyday People en Family Affair zijn evergreens. Sly beïnvloedde talloze artiesten. Zonder Sly geen Prince, Lenny Kravitz of OutKast. Maar Sly snoof duizelingwekkende hoeveelheden coke. Hij kwam ten val en dook onder. Er waren smeekbedes van Prince om terug te komen en een miljoenenbod voor een interview. Sly gaf niet thuis.
Documentairemaker Willem Alkema en Sly-biografen Arno en Edwin Konings vonden hem na jaren zoeken en slaagden er als enigen ter wereld in hem voor de camera te interviewen. De NPS zendt de documentaire Dance to the Music zaterdagnacht uit.
Een internetadvertentie waarin Sly’s motor te koop werd aangeboden, leidde de makers in 2005 naar zijn huis, aan het einde van een doodlopende weg op een bergtop in Los Angeles. Op het hek prijkte een gouden S. Ze werden afgewimpeld, maar begin 2006 lukte het hen Sly te ontmoeten, toen ze in de oefenruimte belandden waar Sly and The Family Stone repeteerden voor een optreden bij de Grammy Awards, Sly’s eerste levensteken in decennia.
Alkema: ‘Er stopte een grote camper waar Sly Stone uit kwam. Ik flikkerde bijna van mijn bankje. Toen hoorden we ook nieuwe muziek. Het was een soort operagezang met een beat, waar Sly dan omheen zingt: I want to thank you for letting me be myself. Het klonk vreemd, ik had niet zoiets van wow!’
Als de documentairemakers Sly zijn favoriete Rhythm Ace drumcomputer cadeau geven, weten ze hem uiteindelijk te paaien om één vraag voor de camera te beantwoorden: hoe voelt het om weer op het podium te staan? ‘Ongeveer twee meter hoger dan normaal.’
Waarom heeft Sly bijna dertig jaar als kluizenaar geleefd? Alkema: ‘Zijn saxofonist Jerry Martini zegt dat het een mix van faalangst en succes is. Sly wil weer een succesvolle plaat maken, maar is bang dat het niet lukt. Hij ziet zichzelf niet als superster, hij is zich niet bewust van zijn status. Daarnaast is in de Amerikaanse media veel geschreven over zijn drugsgebruik. Dat heeft hem erg gestoord.’
Sly heeft de afgelopen decennia elke dag muziek gemaakt, zegt Alkema. ‘Hij heeft een archief van honderden liedjes. Ik weet niet of hij dat moet uitbrengen. Het is niet per definitie goed. Kijk maar naar die nieuwe plaat van Guns N’ Roses. Misschien is het beter als hij zijn mythische status behoudt.’
Het was schrikken om te zien dat Sly Stone tegenwoordig een bochel heeft. Hoe komt hij daar aan? ‘Daar zijn verschillende verhalen over’, zegt Alkema. ‘Hij zou bij zijn huis van een steile helling zijn gemieterd. Hij had een bord eten in zijn hand en toen hij neerkwam, had hij het bord nog in zijn hand. Zijn dochter zegt dat hij de afgelopen dertig jaar alleen maar achter zijn keyboard heeft gezeten, in die houding, hij is kromgegroeid.’
Rest de vraag of Sly zijn roemruchte drugsverleden heeft afgesloten. Alkema: ‘Hij gaat nog wel aan de haal met drugs, maar de drugs gaan niet meer aan de haal met hem.’
Drie jaar na de verwoesting door de orkaan Katrina komt Dr. John met een album over zijn geliefde woonplaats New Orleans. In een exclusief interview sprak De Pers met de levende legende over de puinhopen, Barack Obama en voodoo.
Malcolm ‘Mac’ Rebennack scharrelt onwennig rond in zijn kleedkamer in de catacomben van Paradiso. Zijn alter ego Dr. John zit nog in zijn koffer. De echte Mac Rebennack is een lieve, oude man. Heel anders dan de in een pooierpak of een uitbundig voodoo-outfit gestoken, met veren, kralen en kettingen uitgedoste Dr. John The Night Tripper. Om Rebennacks lijf met de kenmerkende gekromde rug hangt een oud bruin vest. De enige sporen van Dr. John zijn de voodooketting en een hoed. De Doctor is net gearriveerd uit Keulen en is zichtbaar vermoeid. Een groot deel van zijn tijd brengt Dr. John door on the road. Denkt de bijna 68-jarige muzikant er wel eens aan om het rustiger aan te doen?
‘Misschien als ik niet meer zo vaak wordt geboekt of als ik te oud word. Aan de andere kant krijg ik nou ook niet zo veel werk. Maar het is niet zo dat ik het rustiger aan wil doen. Het ligt eraan wat het leven voor je in petto te heeft. Wie weet wat er morgen gebeurt.’ Cultheld Dr. John mag worden gerekend tot de canon van de Amerikaanse muziek. Al op zijn vijftiende was hij professioneel muzikant in New Orleans en speelde met plaatselijke grootheden als Professor Longhair. Eerst als gitarist, maar sinds hij een schotwond aan zijn hand opliep, als pianist.
In 1967 verschijnt zijn alter ego Dr. John (naar de negentiende-eeuwse plaatselijke voodoomedicijnman Dr. John Montaigne), alias The Night Tripper. In de verloren studio-uurtjes van een opnamesessie van Sonny & Cher knutselt hij in 1968 zijn debuut Gris-Gris in elkaar, een album vol experimentele en psychedelische voodoofunk dat klinkt als een ritueel op muziek gezet.
Dr. John groeit al snel uit tot een cultheld die mensen als Paul Weller, Eric Clapton en Mick Jagger onder zijn fans heeft. Maar ook Jim Henson is fan en modelleert het Muppet-personage Dr. Teeth naar hem. Dr. John blijft een veelgevraagd sessiemuzikant en speelt met iedereen van de Stones tot Art Blakey. Zijn eigen songs worden vaak gecoverd door o.a. Paul Weller (I Walk on Guilded Splinters) en Cyndi Lauper (Iko Iko). Ook een jongere generatie artiesten als Beck, Portishead en Supergrass zijn aan hem schatplichtig. Dr. John geldt als de schatbewaarder, ambassadeur en de personificatie van de rijke muzikale erfenis van New Orleans, de bakermat van de jazz. Moeizame relatie
Maar ondanks zijn status en staat van dienst, heeft Dr. John een moeizame relatie met de muziekindustrie.
‘Ik ben erg dankbaar dat deze platenmaatschappij (429) dit album heeft uitgebracht. Mijn vorige platenmaatschappij (Blue Note) zei: niks ervan, jij gaat geen nieuwe plaat over New Orleans maken. En ik zei: jawel! Omdat de vorige plaat over Katrina (Sippiana Hericane uit 2005) niet zo goed verkocht. Het gaat om geld. Geld, geld, geld. Het is business. Daarom hou ik niet van business. Altijd dat gezeur. Ze wilden dat ik iets anders deed, maar ik zei nee. Dus toen hebben ze mijn contract beëindigd. Net zoals ik door alle andere labels ben geloosd. Zij hebben het geld, dus wat kun je doen? Je vliegt de straat op.’
Politiek The City That Care Forgot is een ouderwets Dr. John album. Een funky en op momenten gevoelige ode aan zijn geliefde, weggevaagde geboortestad. Met medewerking van niemand minder dan Eric Clapton, Willie Nelson en Ani DiFranco. Is het een politiek album?
‘Dat kun je wel stellen ja. Willie Nelson zingt op Promises, Promises: The road to the White House is paved with lies, but the truth will set you free.’
‘Mensen vinden geld veel te belangrijk. Het is treurig. Neem mijn stad Nawlinz. Als je naar Louisiana kijkt, daar beneden (tekent de kaart in de lucht) zit olie. De regering geeft niks om de mensen, ze willen de olie. Het gaat alleen maar om geld. Ze hebben niets gedaan aan de wederopbouw van New Orleans.’
‘Die waardeloze dijken hadden al 56 jaar geleden gerepareerd moeten zijn. 56 Jaar geleden! Het lijkt wel een derde wereldland! Het kan ze geen bal schelen. De oliemaatschappijen, die verantwoordelijk zijn voor de helft van de schade, betalen geen stuiver. Zo is het leven. Alles draait om geld.’ Gaat het veranderen onder Barack Obama?
‘Op het nieuwe album heb ik een nummer aan hem opgedragen: Time for a Change. Ik weet niet of hij het zal gebruiken. Maar ik ben toch voor hem. Luister, het wordt moeilijk voor hem. Met al die ellende in de wereld door de bullshit die Bush acht jaar lang heeft uitgevreten. Op de plaat noem ik Bush een bitch. Ik mag hem niet en Cheney en al die griezels niet. Die engerd. De enige die ik mag is Colin Powell, die Obama steunt. Dat kan ik waarderen, hij is een goed man. Maar alles is zo verrot. Al die leugens. Mensen zijn bang voor de waarheid. Er is bijna geen politicus in Louisiana die durft te vragen hoe de vork in de steel zit. (leunt naar achter en praat met een lage, cynische stem) En ik vrees dat ze Obama zullen naaien. Ik bid dat hij de kans krijgt. Hij is een goed man. Alles is beter dan hoe het nu gaat.’
Was u in New Orleans toen Katrina toesloeg?
‘Nee, ik was op tournee. Ik moest het op televisie volgen. Mensen belden me, ik belde mijn kinderen en kleinkinderen om te zeggen dat ze moesten vluchten.’ Woont u nog in New Orleans?
‘Ik ben druk bezig om terug te keren.’ Bent u uw huis kwijtgeraakt door Katrina?
‘Nee, mijn dochter en kleinkinderen wonen erin. Die zijn hun huis kwijtgeraakt.’ Hebt u bekenden verloren?
‘Mijn neefje. Ze weten niet wat er met hem is gebeurd. En veel mensen zijn weg uit New Orleans en willen teruggaan, maar kunnen dat niet. Het is de Diaspora van Amerika. Ze zijn uitgewaaierd over het hele land. Daar zitten mensen tussen die in hun hele leven New Orleans nooit uit zijn geweest. Voor hen is het alsof ze naar een ander land zijn verhuisd. Ze weten niet hoe ze daar moeten leven. Ze kunnen niet eens met andere mensen praten. Wij spreken niet dezelfde taal. We praten niet als Amerikanen of Britten, we praten als ons. We zijn mensen uit New Orleans. We hebben onze eigen geschiedenis en cultuur. We hebben de wereld muziek gegeven en andere goede dingen.’ Amsterdam
Met New Orleans in duigen, denkt Dr. John in Amsterdam een alternatief te hebben gevonden.
‘Amsterdam is de enige andere plaats waar je hetzelfde voelt. Volgens komt dat doordat jullie lowlands critters zijn, net als wij. Maar dat is mijn stomme theorie, weet ik veel. Ik ben ook maar een eenvoudige boerenlul. Het is hier goed. Ik wil al heel lang hierheen verhuizen. Maar ik krijg nog niet eens de papieren om hier een paar dagen te blijven. Ik heb wat juridische problemen, laat ik het zo zeggen.’ (Dr. John kampte met een decennialange heroïneverslaving en zat ooit een gevangenisstraf uit wegens drugsbezit)
Voodoo U hebt altijd grote belangstelling voor voodoo gehad. Houdt u zich er nog steeds mee bezig?
‘Ik heb altijd mijn spullen bij me (wijst op zijn halsketting). Er is sinds kort een medicijnman in New Orleans. Hij doet het niet uit eigenbelang of voor het geld, hij helpt de gemeenschap. Als mensen geen arts kunnen betalen, gaan ze naar de medicijnman. Dat kost niks.’ Is voodoo de oplossing voor de problemen met de zorgverzekeringen in Amerika?
‘It’s cheaper than that shit, haha! Ik wil die gast ontmoeten, want hij heeft het nog van de oude medicijnmannen geleerd, hoe hij medicijnen uit boomwortels moet bereiden en met welke hoeveelheden enzo. Je kunt mensen niet genezen als je de juiste dosis niet weet. Ook met bladeren en gras moet je weten hoeveel je moet gebruiken. Het werkt net als normale medicijnen. Het probleem in Amerika is dat ze je voor alles pillen willen geven. Maar dat is niet altijd de oplossing. Het gaat weer om geld. Money money money money! (zingt For the Love of Money van The O’Jays’)
Aan het einde van het interview buigt Dr. John naar voren, kijkt me indringend aan met zijn donkere arendsogen en klopt met zijn vuist op zijn borst.
‘Luister, schrijf vanuit je hart. Je moet het goed doen. Ik weet dat je dat zult doen. Communiceren is belangrijk. De rest van die shit heeft niks te betekenen. Mijn vader zei vroeger: kijk nooit tegen mensen op en kijk ook niet op ze neer. Je moet mensen recht in de ogen kunnen aankijken. En krop niets op, gooi het eruit. Ook als je het verneukt. Neem dat van me aan.’
Mijn passie voor muziek en liefde voor schrijven brachten me in de journalistiek. Ik maakte voor diverse (dag)bladen interviews met o.a. The Black Keys, Kraftwerk en Bootsy Collins. Op deze website vind je al mijn artikelen.