vrijdag 16 oktober 2015

Marcos Valle: bossa nova avonturier

Met Marcos Valle in de North Sea Jazz Club, 28 oktober 2015

Een muzikaal wonderkind, zo zou je Marcos Valle (72) gerust mogen noemen. Ruim een halve eeuw geleden scoorde de Braziliaanse zanger, toetsenist en componist zijn eerste hit. Begin jaren negentig werd hij herontdekt door de Londense acidjazzscene, later gevolgd door Amerikaanse rappers als Jay-Z en Kanye West. “Toen leefde ik eindelijk weer op.”

Lees ook:



Met zijn debuutalbum Samba ‘Demais’ uit 1963 werd hij amper twintig prompt uitgeroepen tot de belangrijkste componist van het jaar. “Een grote verrassing en een hele eer. Maar ik voelde ook gelijk de druk om voor de dag te komen met iets nieuws dat minstens even goed was”, herinnert Marcos Valle zich door de telefoon vanuit Rio de Janeiro. De grote Antônio Carlos Jobim, de peetvader van de bossanova en co-auteur van de evergreen The Girl From Ipanema, ontfermde zich destijds over het veelbelovende talent.

“Hij wijdde me als groentje op zakelijk gebied in. Toen Summer Samba een hit werd in de Verenigde Staten, ging hij daar samenwerken met Frank Sinatra. Zo kon hij me ook wegwijs maken in de Amerikaanse muziekindustrie. Jobim was als een vader voor me. Op een gegeven moment werden we overburen en kwamen we geregeld bij elkaar over de vloer. Als bij de een de piano gestemd moest worden, kon die altijd nog bij de ander gaan spelen.”



Valle schetst het bossanovawereldje in het Rio van de jaren zestig als een hechte club. Via zijn oude klasgenootjes Dori Caymmi en Edu Lobo, zoons van de beroemde muzikanten Dorival Caymmi en Fernando Lobo, belandde hij op de wekelijkse jamsessies van de crème de la crème.

“Die vonden telkens bij iemand anders thuis plaats. Dan speelden we elkaar voor wat we de afgelopen week hadden geschreven, waarbij we als vanzelf ideeën uitwisselden. We maakten altijd mooie dingen, daar zorgden we wel voor, want we wilden elkaar imponeren. Vandaar de hoge kwaliteit van de bossanova uit die tijd.”

'Antônio Carlos Jobim was als een vader voor me'

Experimenteren
Eind jaren zestig gloorde er muzikaal iets aan de horizon van de stranden van Rio de Janeiro. Toen de Tropicália-beweging Braziliaanse muziek begon te vermengen met westerse rock, sloeg ook Marcos Valle aan het experimenteren. Met de introspectieve rock van Vento Sul en de onweerstaanbare funk van Previsão Do Tempo ontpopte hij zich in de vroege jaren zeventig als een even veelzijdige als avontuurlijke pionier van de MPB, de Música Popular Brasileira.

“Veel mensen vonden Tropicália destijds maar niks, terwijl ik die muzikale openheid juist verwelkomde. Maar ik heb nooit deel uitgemaakt van die beweging. Ik ging meer om met de Clube Da Esquina, het niet minder progressieve collectief rond Milton Nascimento uit Minas Gerais. Tropicália gaf me vooral de prikkel om vrij mijn mening te gaan verkondigen. Zo zong ik op Mustang Côr De Sangue over de dictatuur, over hoe de rijken met geld smeten zonder een moment om te kijken naar de armen.”



Pete Cosey: de gitaarheld die niemand kent



Pete Cosey was een geweldenaar die kon wedijveren met gitaarhelden als Jimi Hendrix, maar wiens naam op een of andere manier altijd obscuur is gebleven en zwaar onderhewaardeerd wordt. 

Lees ook:

De gitarist uit Chicago (1943-2012) begon zijn carrière als sessiemuzikant bij Chess Records, en speelde op platen van Etta James, Howlin' Wolf en Muddy Waters. Cosey drukte duidelijk zijn stempel op het eigentijdse Electric Mud uit 1968, dat Muddy Waters een tweede jeugd moest geven bij het psychedelische rockpubliek.





Miles Davis
Jazztromprettist Miles Davis, die sinds eind jaren '60 steeds verdergaander experimenteerde met rock en funk, rekruteerde Cosey in 1973. Cosey wordt direct gezichtsbepalend voor het geluid van Davis' band, dat heavy als een atoomaanval wordt. 

Ook op het live-dubbelalbum Agharta dat Miles Davis in 1975 in Osaka opnam (overigens nam hij die avond ook het live-dubbelalbum Pangaea op, met compleet andere muziek), is Cosey the man of the show. Hij speelt schijnbaar eindeloze solo's, en is eigenlijk bijna elke seconde van het concert aanwezig. Coseys fuzzy, zwaar vervormde gitaar is als een wervelstorm de Osaka Festival Hall tot op de laatste heipaal afbreekt.



Een scherp contrast met filmbeelden van Davis' concerten uit die periode; daarop speelt Cosey zittend, stoïcijns als een boeddhist.


vrijdag 9 oktober 2015

Aan tafel! 10 jaar De Wereld Draait Door


De Wereld Draait Door bepaalt al bijna een decennium lang naar welke muziek we luisteren en welke voorstellingen we bezoeken. Onbekende schrijvers maken ineens faam, wetenschappers worden er bekende Nederlanders en de populaire talkshow met Matthijs van Nieuwkerk biedt ruimte aan zowel opera- als Volendamrepertoire. DWDD dwong die status de afgelopen 10 jaar ook af. Het zichtbare enthousiasme op tv drijft voor een deel op ijzeren spelregels, omgevallen medewerkers en een snoeihard deurbeleid. De 'DWDD-familie' is heilig. Wie niet in dat plaatje past, kan vertrekken.

Met Gudo Tienhooven en Leon van Wijk maakte ik voor het AD een longread in het kader van de 10e verjaardag van DWDD.

We hadden ook nieuws: het Commissariaat voor de Media houdt DWDD scherp in de gaten of het programma zich niet dienstbaar maakt aan commerciële doelen.

donderdag 27 augustus 2015

We love Kim Kardashian, maar hoelang nog?



Bijna tien jaar is zelfs de kleinste rimpeling in het turbulente privéleven van Kim Kardashian favoriet onderwerp van internationale showbizzmedia. Maar steeds vaker duiken signalen op dat de wereld Kim en kornuiten door pure overkill zo langzamerhand spuugzat wordt. We houden van haar en we haten haar, en ze spint garen bij allebei.

Voor AD.nl maakte ik met Tom Tates een longread over het (media)fenomeen Kim K, wiens enige talent lijkt te zijn dat ze zich voortdurend in de spotlight weet te spelen en die op zich gericht houdt. En waarom is de wereld zo gefascineerd door iemand die eigenlijk 'niks kan'?

donderdag 25 juni 2015

John Hiatt verstopte zich voor zichzelf

Foto: Michael Wilson

Singer-songwriter veteraan John Hiatt (62) geeft een exclusieve show op het Roots in the Park festival in Utrecht. “Ik ben een laatbloeier.”

Een dag later dan gepland vindt het interview plaats. Onze belafspraak moest op het laatste moment verzet worden, omdat er een boom in Hiatts tuin was omgevallen. “Twee grote takken waren op elektriciteitskabels terechtgekomen”, legt de 62-jarige Hiatt uit. “Niemand is geëlektrocuteerd, maar dat kon wel gebeuren als we niks deden. Dus we moesten de boom omzagen.” En dan treedt de singer-songwriter deze week uitgerekend in een park op. Niet bang voor vallende bomen? “Nee hoor”, lacht Hiatt. “Ik kijk er naar uit.”

Op het podium in het Utrechtse Julianapark wordt Hiatt zaterdag vergezeld door oude bekenden. “De band die ik meeneem bestaat uit de oude ritmesectie van The Goners, drummer Kenneth Blevins en bassist Dave Ranson. En gitarist Doug Lancio die mijn laatste plaat Terms of my Surrender (2014) produceerde.  We gaan nummers van de laatste plaat spelen, maar ook oud materiaal.”



Hiatts liedjes werden gecoverd door iedereen van Ilse DeLange tot Bob Dylan. Toch maakte hij al bijna vijftien jaar platen toen hij eindelijk zijn eigen geluid vond op zijn achtste album Bring The Family uit 1987. De singer-songwriter had net de drank en drugs afgezworen en dacht dat zijn wisselvallige carrière voorbij was, toen hij doorbrak met de hitsingle Have a Little Faith in Me.

“Ik was een dronkenlap en een drugsverslaafde. Dat stuitte mijn groei aanzienlijk. Ik gebruikte om mijn ware ik te verbergen. Voor mezelf vooral. Toen ik nuchter werd, leerde ik mezelf artistiek kennen. Dus ik was een laatbloeier.”

donderdag 11 juni 2015

Allen Toussaint: de spil van New Orleans

Met Allen Toussaint backstage in de North Sea Jazz Club, 26 juni 2015.

“That’s quite alright”, zegt de gedistingeerde stem aan de andere kant van de lijn. Ik krijg meteen een voorproefje van de gentleman zoals die steevast wordt omschreven door de vele mensen die met hem samenwerkten. Allen Toussaint (77) lijkt welhaast de verpersoonlijking van het ontspannen karakter waar New Orleans zijn bijnaam The Big Easy aan dankt.

Lees ook:



Ik moest me bij hem verontschuldigen. Door de wintertijd had ik me vergist in het tijdverschil en belde een uur te laat. Allen Toussaint aanvaardt mijn excuus laconiek. De reden voor ons telefoongesprek is zijn komst eind juni naar de North Sea Jazz Club in Amsterdam.


“Ik neem mijn kwartet mee: piano, gitaar, bas en drums. Het repertoire bestaat uit liedjes die ik door de jaren heen heb geschreven en door anderen populair zijn gemaakt, aangevuld met nummers die ik zelf ooit heb opgenomen, zelfs als ze niet van eigen hand zijn. Get Out My Life, Woman, zal beslist niet ontbreken, net zo min als A Certain Girl. Ik ga helemaal terug naar Mother In Law en dan weer vooruit in de tijd met Yes We Can Can en Sneakin’ Sally Through The Alley. Working In The Coal Mine doe ik ook, dat is een publieksfavoriet. We sluiten af met Southern Nights, misschien wel in twee verschillende vertolkingen: mijn oorspronkelijke uitvoering als samba in modaal en de populaire popversie van Glen Campbell.”



Zijn naam mag dan geen massale bekendheid genieten, Allen Toussaint is een soul royalty, die in de jaren zestig uitgroeide tot een sleutelfiguur in de muziekscene van New Orleans. Hij schreef, arrangeerde en produceerde tal van hits voor lokale sterren als Ernie K-Doe, Aaron Neville en Lee Dorsey, en stond als ontdekker van The Meters aan de bakermat van de funk. Zijn liedjes werden werden veelvuldig gecoverd door onder anderen Bonnie Raitt, Little Feat, Robert Palmer, Boz Scaggs, Warren Zevon, Van Dyke Parks en The Pointer Sisters, terwijl grootheden als Paul McCartney, Paul Simon en Joe Cocker naar The Crescent City togen om van zijn diensten gebruik te maken. Zijn immense oeuvre nemen we in vogelvlucht door aan de hand van zeven sleutelplaten.

Gregg Allman: Muziek is kleurenblind


Na het vertrek van het gitaristenkoppel Warren Haynes en Derek Trucks kondigde Gregg Allman (67) begin vorig jaar voor de derde keer het definitieve einde van The Allman Brothers Band aan. Deze zomer komt hij voor een eenmalig concert op het Europese vasteland naar de Amsterdamse poptempel Paradiso, reden waarom het southern rock-icoon zich bij hoge uitzondering liet aanschieten.

Wat is het verschil tussen uw nieuwe band en The Allman Brothers Band?
“Het grootste verschil is dat er nog maar één kok in de keuken staat, als je begrijpt wat ik bedoel. Bij de Allman Brothers roerden er drie of vier mensen in de pot, en dat maakte het soms erg ingewikkeld. Er is veel minder drama in mijn band, en dat maakt alles een stuk makkelijker.”

Waarom zette u een punt achter The Allman Brothers Band?
“Ik wist een paar jaar geleden al dat het einde naderde. Wij allemaal, denk ik. 45 jaar, dat is een lange tijd, man. We wilden dat de Allman Brothers op hun hoogtepunt zouden stoppen. Dat was voor iedereen belangrijk. Dus dat hebben we gedaan.”

Welke bands vindt u waardige opvolgers van The Allman Brothers Band?
 “Dat vind ik moeilijk te zeggen, maar Blackberry Smoke is in ieder geval een band die het op de oude manier aanpakt: ze winnen nieuwe zieltjes met elke show die ze spelen, net zoals wij vroeger met de Allman Brothers deden.”

Bijna al uw kinderen zijn de muziek ingegaan. Devon trad zelfs uw southern rock-voetsporen met Royal Southern Brotherhood, waarin ook Cyril Neville speelt. Staat u uw kroost bij met raad en daad?
 “Ik had maar één advies voor ze: zoek een echte baan. Maar ze wilden niet luisteren. Ik ben trots op al mijn kinderen, en ik steun ze in alles wat ze doen.”

Het rocksterrendom in de jaren zeventig was synoniem voor een decadente levensstijl. In uw autobiografie My Cross To Bear uit 2012 bent u erg openhartig over alle excessen. Zo  vertelt u over de eerste vlucht met het privévliegtuig van de band. Op de bar stond ‘Welkom Allman Brothers’ geschreven met cocaïne. Hoe kijkt u nu terug op uw drank- en drugsmisbruik?
“Ik heb veel jaren verspild, dat lijdt niet de minste twijfel. Een van de redenen waarom ik dat boek heb geschreven is dat mensen langs die weg kunnen leren van mijn fouten. Een groot deel van mijn leven is een voorbeeld van hoe het niet moet.”

Het liederlijke leven eiste uiteindelijk zijn tol. In 2010 kreeg u een nieuwe lever. Hoe staat het nu met uw gezondheid?
“Ik voel me prima, dank je. Ik eet beter, ik doe aan lichaamsbeweging en ik krijg genoeg slaap. Ik zorg veel beter voor mezelf dan vroeger. Dat maakt een enorm verschil, nou en of.”

Wat motiveert u om na een halve eeuw te blijven touren?
“Ik hou nog steeds van muziek maken, echt waar. Ik heb wel een hekel aan het reizen gekregen, maar muziek is mijn levensader.”

Het fatale motorongeluk van uw gitaar spelende broer Duane in 1971 sloeg een gapend gat in de band. Was het moeilijk om door te gaan?
“Natuurlijk. Eerst dachten we dat het helemaal voorbij was. Maar ik raakte er al gauw van overtuigd dat mijn broer had gewild dat we door zouden gaan. Een paar weken na het ongeluk hielden we een groepsvergadering en ik zei tegen de anderen: laten we gaan spelen. We gingen naar Miami om het album Eat A Peach af te maken. Dat was zwaar, man, maar het lukte. Daarna wisten we dat we het konden.”

Het conservatieve Zuiden van de Verenigde Staten had eind jaren zestig nog maar net met frisse tegenzin de rassenscheiding afgeschaft of daar kwam The Allman Brothers Band met blanke én zwarte leden. Kreeg u daar geen problemen mee?
“Oh man, zeker weten. Wat dacht je, een stel hippies met een zwarte in de band die in de Deep South spelen? Natuurlijk hadden we problemen met rednecks, maar daar hebben we ons nooit door laten weerhouden. Een van de dingen die ik fijn vind aan muziek is dat ze kleurenblind is. Het enige dat telt is of je goed kunt spelen. Er is geen plaats voor racisme in mijn muziek of mijn leven.”